ECLI:NL:RBROT:2026:13924

ECLI:NL:RBROT:2026:13924

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer C/10/715263 / HA ZA 26-180
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Overeenkomst voor de bouw van een duw/werkboot. De overeenkomst wordt eerst partieel en vervolgens algeheel buitengerechtelijk ontbonden, omdat de definitieve opleverdatum niet wordt gehaald en het schip ernstige gebreken vertoont. De aanneemsom moet worden terugbetaald en de gevorderde schadevergoeding wordt gedeeltelijk toegewezen. Geen bestuurdersaansprakelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/715263 / HA ZA 26-180

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

PRO LIQUID B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

advocaat: mr. R. Sinke,

tegen

1. [bedrijf A] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagden],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat: mr. O. Huisman.

Partijen worden hierna genoemd Pro Liquid, [bedrijf A] en [gedaagden] .

1. De zaak in het kort

Pro Liquid en [bedrijf A] hebben een overeenkomst gesloten voor de bouw van een duw/werkboot. [bedrijf A] heeft de definitieve opleverdatum niet gehaald, waarna Pro Liquid de overeenkomst buitengerechtelijk partieel heeft ontbonden. Na inspectie van het nog af te bouwen schip is Pro Liquid gebleken dat het ernstige gebreken vertoont. Als gevolg hiervan heeft Pro Liquid de overeenkomst volledig ontbonden.

Partijen twisten in deze procedure over de vraag of de buitengerechtelijke partiële en vervolgens algehele ontbinding van de overeenkomst rechtsgeldig is. Pro Liquid vordert terugbetaling van het deel van de aanneemsom dat zij al aan [bedrijf A] heeft betaald en schadevergoeding als gevolg van de tekortkomingen door [bedrijf A] . Pro Liquid spreekt ook [gedaagden] als (indirect) bestuurder van [bedrijf A] aan voor deze vorderingen. In reconventie vordert [bedrijf A] betaling van het laatste deel van de aanneemsom.

De rechtbank wijst de vordering tegen [bedrijf A] tot terugbetaling van de aanneemsom toe, omdat de buitengerechtelijke ontbindingen terecht zijn en standhouden. De vorderingen tegen [bedrijf A] tot betaling van schadevergoeding zijn deels toewijsbaar. De rechtbank wijst de vorderingen ten opzichte van [gedaagden] af, aangezien [gedaagden] geen ernstig persoonlijk verwijt treft. De tegenvordering van [bedrijf A] tot betaling van het resterende deel van de aanneemsom wordt afgewezen, nu de ontbinding van de overeenkomst in stand blijft.

2. De procedure

Het dossier bevat de volgende processtukken:

de dagvaarding van 12 februari 2026, met producties 1 tot en met 27;

de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, zonder producties;

de oproepingsbrief van 17 april 2026 voor de mondelinge behandeling van 14 juli 2026;

de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 28 tot en met 30;

de zittingsagenda van 12 juni 2026;

het B3-formulier van 30 juni 2026 van [bedrijf A] en [gedaagden] , met producties 1 tot en met 6;

de akte overlegging producties van 1 juli 2026 van Pro Liquid, met producties 31 tot en met 33;

het B3-formulier van 2 juli 2026 van [bedrijf A] en [gedaagden] , met productie 7;

het B3-formulier van 3 juli 2026 van [bedrijf A] en [gedaagden] , met productie 8;

het B3-formulier van 10 juli 2026 van Pro Liquid, met productie 22;

de mondelinge behandeling van 14 juli 2026 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen van Pro Liquid en [bedrijf A] .

Vervolgens is vonnis bepaald.

3. De feiten

Pro Liquid is een internationaal maritiem dienstverleningsbedrijf dat zich bezighoudt met de ondersteuning bij en afhandeling van vloeibare ladingen in de scheepvaart.

[bedrijf A] houdt zich bezig met het bouwen en verkopen van binnenvaartschepen. [gedaagden] is indirect bestuurder van [bedrijf A] .

Pro Liquid en [bedrijf A] hebben op 11 april 2023 een overeenkomst gesloten voor de bouw van een duw/werkboot met de naam “ [naam schip 1] ” (hierna: Overeenkomst). De aanneemsom bedraagt € 400.000,00 exclusief BTW (dat is € 484.000,00 inclusief BTW). De Overeenkomst vermeldt – voor zover relevant – het volgende:

“Duw/Werkboot, afmeting lengte 12.00 x breedte 3.50 mtr

Inclusief:

Boegschroef

Voortstuwing en roerinstallatie (zie bijlage)

Elektrische installatie & Nautisch packet (zie bijlage)

Isolatie & Betimmering stuurhut & WC & deuren en ramen inclusief 3 pet ramen

CVO & beperkt ADN

Ankerlier

3 lagen conserveren

Staal Grade A

Geleverd Rotterdam

Exclusief:

Hoofdmotor & koppeling en toebehoren (levert opdrachtgever)

(…)

Levertijd : 5 á 6 maanden na overeenkomst

Betaling condities : 40% bij opdracht, 40% bij start afbouw, 15% bij oplevering, 5% na levering”

Pro Liquid heeft € 474.780,61 (95% van de aanneemsom inclusief BTW) aan [bedrijf A] voldaan.

Op 19 juni 2025 heeft Pro Liquid [bedrijf A] laten weten dat zij teleurgesteld was in de voortgang van de bouw. Pro Liquid heeft bij e-mailbericht van 19 juni 2025 om 12:01 uur het volgende aan [bedrijf A] geschreven:

“Ik ben erg teleurgesteld in de voortgang van de [naam schip 1] . Je hebt ons al meerdere malen beloofd dat hij nu snel af zou zijn maar niets is minder waar.

Ik vraag je nu dan ook om een tijdschema op papier te zetten waar je je aan houdt!”

[bedrijf A] heeft Pro Liquid op 27 juni 2025 de definitieve planning gestuurd en heeft daarbij het volgende geschreven:

“Dank voor je mail en deze is absoluut duidelijk en dank voor je begrip, wij werken er echt hard aan om de [naam schip 1] zsm op te leveren. (…)

Zie bijlage de definitieve planning / oplevering.

Nogmaals dank voor begrip en dit is de definitieve opleverdatum.”

Uit de bijlage bij dit e-mailbericht volgt dat de door [bedrijf A] genoemde definitieve opleverdatum week 32 van 2025 is (dat is de week van 4 tot en met 10 augustus 2025).

Bij e-mailbericht van 22 juli 2025 om 11:54 uur heeft Pro Liquid als volgt gereageerd:

“Dank voor uw reactie en het toezenden van de definitieve planning met betrekking tot de oplevering van het vaartuig [naam schip 1] . Wij nemen nota van uw toelichting en van het feit dat u de daarin genoemde datum aanmerkt als definitieve opleverdatum.

(…)

Wij gaan derhalve uitdrukkelijk uit van de door u afgegeven planning als bindend, waarbij wij formeel aangeven dat overschrijding van de definitieve opleverdatum, zoals nu door u vastgelegd, niet langer zonder rechtsgevolgen zal blijven.

Tevens hebben wij de firma Landfall ingeschakeld om onze technische belangen te behartigen tijdens de laatste fase van de (af)bouw van de [naam schip 1] en de heer [persoon A] zal op korte termijn bij jullie langskomen om dit verder te begeleiden.”

[bedrijf A] heeft de [naam schip 1] niet opgeleverd in week 32 van 2025.

Vervolgens heeft Pro Liquid [bedrijf A] bij brief van 20 augustus 2025 verzocht om de [naam schip 1] zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vóór 1 september 2025 op te leveren.

Op 12 november 2025 heeft Pro Liquid [bedrijf A] opnieuw gesommeerd om aan haar verplichtingen uit de Overeenkomst te voldoen door de [naam schip 1] alsnog op te leveren binnen een termijn van vier weken.

Pro Liquid heeft [bedrijf A] op 11 december 2025 medegedeeld dat zij de Overeenkomst partieel ontbindt voor het nog niet uitgevoerde werk, dat zij het nog niet uitgevoerde werk door een derde laat uitvoeren en dat zij de kosten op [bedrijf A] zou verhalen. Ook heeft zij [bedrijf A] aansprakelijk gesteld voor overige (vertragings)schade.

Pro Liquid heeft de [naam schip 1] na 11 december 2025 uit de macht van [bedrijf A] gehaald en overgebracht naar de werf van De Haas Maassluis BV (hierna: De Haas) voor de afbouw van de [naam schip 1] .

Landfall Technical Management B.V. (hierna: LTM) en De Haas hebben de [naam schip 1] geïnspecteerd. Zij hebben Pro Liquid laten weten dat de [naam schip 1] dusdanige gebreken vertoont dat het zowel technisch als economisch geen zin heeft om het schip af te bouwen. Pro Liquid heeft bij brief van 29 januari 2026 aan [bedrijf A] medegedeeld dat zij de Overeenkomst, onder verwijzing naar de geconstateerde gebreken, algeheel ontbindt en dat zij terugbetaling van de betaalde aanneemsom wil.

Vervolgens heeft Pro Liquid omstreeks 31 januari 2026 ten laste van [bedrijf A] beslag gelegd onder de ING Bank N.V. en daarna op een binnenschip (duwboot) van [bedrijf A] .

4. Het geschil

in conventie

Pro Liquid vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de Overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden, althans de Overeenkomst te ontbinden en gedaagden hoofdelijk, althans [bedrijf A] , althans [gedaagden] , te veroordelen om aan Pro Liquid te betalen:

de hoofdsom van € 474.780,61 (inclusief BTW), althans € 392.380,68 (exclusief BTW), althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de hoofdsom vanaf 29 januari 2026 (de datum van algehele ontbinding);

de kosten van de ‘[naam schip 3]’ van € 29.667,35;

de kosten van De Haas van € 9.619,50;

de kosten van het conservatoir derdenbeslag;

de kosten van LTM en Verschoor & Bras van € 4.909,52;

de buitengerechtelijke kosten van € 3.736,90,

met veroordeling van [bedrijf A] en [gedaagden] in de kosten van de procedure.

Aan haar vorderingen legt Pro Liquid het volgende ten grondslag. Pro Liquid heeft de Overeenkomst op 11 december 2025 partieel ontbonden en vervolgens op 29 januari 2026 volledig ontbonden. Op grond van artikel 6:271 BW ontstaan dan ongedaanmakingsverbintenissen en dient [bedrijf A] de tot dan toe betaalde aanneemsom terug te betalen. Verder heeft Pro Liquid schade geleden als gevolg van de tekortkomingen van [bedrijf A] . [bedrijf A] dient deze schade op grond van artikel 6:74 BW jo. artikel 6:85 BW en artikel 6:96 lid 2 sub a en b BW te vergoeden. De vorderingen van Pro Liquid zijn ook gericht tot [gedaagden] . Pro Liquid stelt dat [gedaagden] als bestuurder en feitelijk leidinggevende van [bedrijf A] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de gevolgen van niet-nakoming door [bedrijf A] van haar verplichtingen uit de Overeenkomst.

[bedrijf A] en [gedaagden] voeren verweer. [bedrijf A] en [gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van Pro Liquid, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Pro Liquid in de kosten van deze procedure. [bedrijf A] betwist dat de Overeenkomst rechtsgeldig partieel en vervolgens volledig is ontbonden. [bedrijf A] betoogt namelijk dat zij niet in verzuim is geraakt, omdat sprake was van schuldeisersverzuim. [bedrijf A] meent dat Pro Liquid op grond van de Overeenkomst verplicht was om de brandstofleiding aan te sluiten op de motor, maar dat zij dit heeft nagelaten. Hierdoor heeft [bedrijf A] de [naam schip 1] niet tijdig kunnen opleveren. Verder betwist [bedrijf A] dat sprake is van gebreken aan de [naam schip 1] en betoogt zij dat, voor zover wel sprake is van gebreken, Pro Liquid haar eerst in de gelegenheid had moeten stellen om de gebreken te verhelpen voordat zij tot ontbinding over ging. Tot slot betwist [gedaagden] dat hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat hij als bestuurder aansprakelijk is voor de door Pro Liquid geleden schade.

in reconventie

[bedrijf A] en [gedaagden] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Pro Liquid te veroordelen tot betaling aan [bedrijf A] van een bedrag van € 9.219,39 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente met ingang van de datum van oplevering van de boot, althans met ingang van een in goede justitie te bepalen datum;

Pro Liquid te veroordelen de beslagen gelegd onder de ING Bank N.V. en op het binnenvaartschip (duwboot) “ [gedaagden] 1” tevens bekend als “[naam]”, met brandmerk [kenmerk 1] en [kenmerk 2] binnen 24 uur na het ten deze te wijzen vonnis op te heffen;

te bepalen dat Pro Liquid een dwangsom van € 5.000,00 per dag aan [bedrijf A] verbeurt voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat zij in gebreke blijft aan het onder 2 gevorderde te voldoen;

Pro Liquid te veroordelen in de kosten van het geding in reconventie.

Aan hun vorderingen leggen [bedrijf A] en [gedaagden] het volgende ten grondslag. Aangezien Pro Liquid onbevoegd een beroep heeft gedaan op ontbinding van de Overeenkomst, is de Overeenkomst voort blijven bestaan. Pro Liquid dient de resterende aanneemsom daarom aan [bedrijf A] te betalen en de beslagen dienen te worden opgeheven.

Pro Liquid voert verweer. Pro Liquid concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [bedrijf A] en [gedaagden] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf A] en [gedaagden] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf A] en [gedaagden] in de kosten van deze procedure. Pro Liquid betoogt dat geen oplevering of levering heeft plaatsgevonden, waardoor de vijfde betalingstermijn niet opeisbaar is. Bovendien betwist Pro Liquid dat sprake is van schuldeisersverzuim en betoogt zij dat de Overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in conventie

De rechtbank is van oordeel dat Pro Liquid de Overeenkomst terecht partieel en daarna algeheel heeft ontbonden. De vorderingen tegen [bedrijf A] worden (grotendeels) toegewezen. De vorderingen tegen [gedaagden] worden afgewezen. De rechtbank zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel komt.

Pro Liquid heeft de Overeenkomst rechtsgeldig partieel ontbonden

Op grond van artikel 6:265 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verplichtingen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer de schuldenaar in verzuim is.

Pro Liquid vindt dat zij de Overeenkomst terecht buitengerechtelijk partieel heeft ontbonden en legt daaraan ten grondslag dat [bedrijf A] is tekortgeschoten in haar verplichting om de [naam schip 1] tijdig op te leveren.

Partijen zijn het erover eens dat de [naam schip 1] in week 32 van 2025 definitief diende te worden opgeleverd (zie r.o. 3.6 en 3.7). Dat de [naam schip 1] toen niet is opgeleverd, staat vast. Naar het oordeel van de rechtbank is de definitieve opleverdatum een fatale termijn in de zin van artikel 6:83 aanhef en sub a BW. Aldus is sprake van een tekortkoming in de nakoming van de verplichting van [bedrijf A] om de [naam schip 1] op de door haar toegezegde definitieve datum op te leveren. Partijen verschillen van mening over de exacte datum van de definitieve oplevering, namelijk of het vrijdag 8 augustus 2025 of zondag 10 augustus 2025 is. Artikel 6:83 aanhef en sub a BW vereist echter niet dat een kalenderdatum wordt genoemd.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of [bedrijf A] na het verstrijken van de definitieve opleverdatum in verzuim is geraakt. [bedrijf A] betoogt dat zij de [naam schip 1] niet tijdig heeft kunnen opleveren, omdat Pro Liquid verplicht was om de brandstofleiding op de hoofdmotor aan te sluiten en dat zij dat heeft nagelaten. Volgens [bedrijf A] is daarom sprake van schuldeisersverzuim van Pro Liquid (artikel 6:58 BW) en is zij zelf niet in verzuim geraakt. Pro Liquid heeft het beroep van [bedrijf A] op schuldeisersverzuim gemotiveerd weersproken.

De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van Pro Liquid en dat dit verweer van [bedrijf A] niet slaagt. [bedrijf A] heeft haar stelling dat Pro Liquid verplicht was om de brandstofleiding aan te sluiten op de hoofdmotor onvoldoende onderbouwd in het licht van de betwisting door Pro Liquid. In de Overeenkomst staat dat de opdrachtgever (hier: Pro Liquid) de hoofdmotor, koppeling en toebehoren diende te leveren (zie r.o. 3.3). Aan die verplichting heeft Pro Liquid voldaan. Niet is komen vast te staan dat Pro Liquid op grond van de Overeenkomst ook verplicht was om de hoofdmotor aan te sluiten. Daar komt bij dat [bedrijf A] onvoldoende heeft gesteld, laat staan onderbouwd, dat zij in haar nakoming was gehinderd door het gestelde schuldeisersverzuim van Pro Liquid.

Aangezien geen sprake is van schuldeisersverzuim, kon het verzuim aan de kant van [bedrijf A] intreden op het moment dat de definitieve opleverdatum niet was gehaald (artikel 6:83 aanhef en sub a BW). Dat betekent dat [bedrijf A] in ieder geval vanaf 11 augustus 2025 in verzuim verkeerde.

Pro Liquid heeft [bedrijf A] daarna nog meerdere malen de gelegenheid gegeven om de [naam schip 1] alsnog op te leveren. [bedrijf A] heeft in het geheel niet op de laatste sommatie van Pro Liquid van 12 november 2025 gereageerd, terwijl Pro Liquid [bedrijf A] nog in de gelegenheid heeft gesteld om het aan te geven als zij meer tijd nodig had.

In het licht van dit alles was Pro Liquid naar het oordeel van de rechtbank bevoegd om de Overeenkomst partieel te ontbinden. Anders dan [bedrijf A] betoogt, rechtvaardigt de tekortkoming van [bedrijf A] de partiële ontbinding met haar gevolgen. [bedrijf A] heeft in dat kader aangevoerd dat de tekortkoming onvoldoende grond oplevert voor ontbinding, omdat [bedrijf A] haar werkzaamheden – behoudens certificering – had afgerond en de certificering nog niet kon plaatsvinden omdat Pro Liquid de brandstofleiding nog niet op de hoofdmotor had aangesloten. Zoals de rechtbank in r.o. 5.6 heeft geoordeeld, is niet gebleken dat Pro Liquid verplicht was om de brandstofleiding op de hoofdmotor aan te sluiten. Verder heeft [bedrijf A] onvoldoende gesteld, laat staan onderbouwd, dat zij haar werkzaamheden voor het overige al had voltooid en dat de tekortkoming de partiële ontbinding daarom niet rechtvaardigt. Bovendien is na de partiële ontbinding gebleken dat de [naam schip 1] nog niet af was en ernstige gebreken vertoonde, zoals de rechtbank hierna zal bespreken. Pro Liquid heeft de Overeenkomst op 11 december 2025 dan ook rechtsgeldig partieel ontbonden.

het beroep van Pro Liquid op algehele ontbinding is rechtsgeldig

Op 28 januari 2026 is er een overleg geweest tussen LTM en De Haas, waarbij zij hebben geconstateerd dat de [naam schip 1] meerdere serieuze gebreken vertoont. LTM heeft de bevindingen van dit overleg op 29 januari 2026 met Pro Liquid gedeeld. Dat was aanleiding voor de ontbindingsbrief van Pro Liquid op 29 januari 2026.

LTM en De Haas hebben Pro Liquid – voor zover relevant – de volgende bevindingen medegedeeld:

“Er ontbreekt een aanvaarschot. Dit moet alsnog worden aangebracht op 2 meter vanaf de voorzijde. Dit punt valt exact samen met de overgang van de stuurhut naar beneden, waardoor de trap, de ingang en de indeling van de stuurhut aangepast moeten worden om toegang te behouden.

(…)

Er is geen documentatie waaruit blijkt dat het gebruikte staal daadwerkelijk gecertificeerd/gekeurd staal is.

De kwaliteit van de lasnaden is onvoldoende; op meerdere plaatsen lekt water naar binnen. Er is geen lasonderzoek uitgevoerd en er zijn geen lasprocedures aangeleverd.

(…)

De gangenboorden zijn te smal en dienen te worden verbreed, wat constructief vrijwel niet uitvoerbaar lijkt.

Er zijn aanvullende constructieve verstevigingen vereist, onder andere in de duwfender. Dit zal het gewicht in de boeg verder vergroten. De huidige inschatting is dat circa 6 ton ballast achterin noodzakelijk zal zijn, wat vrijwel gelijk is aan het ledig gewicht van de [naam schip 1] . Dit roept serieuze vragen op over het vaargedrag en de stabiliteit.”

[bedrijf A] heeft betwist dat de tot dan toe gebouwde [naam schip 1] de gestelde (ernstige) gebreken vertoonde en meent dat het schip in overeenstemming met de Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (hierna: ES-TRIN) is gebouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank vertoonde de [naam schip 1] meerdere ernstige gebreken die elk een tekortkoming vormen in de nakoming van de op [bedrijf A] rustende verbintenis om een deugdelijk schip op te leveren. De rechtbank gaat hierna in op de volgende gebreken: a) het ontbreken van het aanvaarschot, b) het laswerk, c) de breedte van de gangboorden en d) de constructie en de stabiliteit.

Ad a: het ontbreken van een aanvaarschot

Het staat tussen partijen vast dat de [naam schip 1] geen aanvaarschot heeft. Partijen verschillen alleen van mening over de vraag of een aanvaarschot bij de [naam schip 1] noodzakelijk is.

Volgens Pro Liquid is het ontbreken van een aanvaarschot een gebrek.

[bedrijf A] betwist dat de [naam schip 1] een aanvaarschot dient te hebben, omdat het schip als duwboot zou worden gecertificeerd. De rechtbank overweegt dat voor zover het al juist is dat een schip dat alleen als duwboot wordt gecertificeerd geen aanvaarschot nodig heeft, niet is komen vast te staan dat partijen hebben afgesproken dat de [naam schip 1] enkel als duwboot zou worden gecertificeerd.

Pro Liquid heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat het ontbreken van een aanvaarschot bij de [naam schip 1] een gebrek in de uitvoering van het werk oplevert. Uit de Overeenkomst volgt dat partijen een overeenkomst voor de bouw van een duw/werkboot zijn aangegaan (zie r.o. 3.3). Niet is gebleken dat partijen de Overeenkomst op enig moment daarna hebben veranderd in een overeenkomst voor enkel een duwboot. Ook uit het e-mailbericht van het Nederlands Bureau Keuringen Binnenvaart (hierna: NBKB) van 25 juli 2025, dat door [bedrijf A] zelf in het geding is gebracht, volgt dat de certificering zou zien op een duw/werkboot. Het NBKB heeft in haar e-mailbericht van 25 juli 2025 om 13:05 uur namelijk geschreven:

“ik ben uitgegaan van een werkvaartuig dat ook mag duwen. Een voorpiekschot is dan wel vereist.”

Verder blijkt uit het e-mailbericht dat ook het NBKB van mening is dat de [naam schip 1] een aanvaarschot dient te hebben. Gelet op de bevindingen van LTM, De Haas en het NBKB heeft [bedrijf A] onvoldoende gemotiveerd betwist dat het ontbreken van een aanvaarschot een gebrek oplevert. De rechtbank neemt dit gebrek daarom aan als vaststaand en merkt daarbij op dat als onweersproken vast staat dat om het aanvaarschot op de juiste plek te kunnen plaatsen, de trap, de ingang en de indeling van de stuurhut aangepast moeten worden.

Ad b: het laswerk

Verder oordeelt de rechtbank dat het laswerk gebrekkig is. LTM en De Haas hebben geconstateerd dat er geen lasonderzoek is uitgevoerd en dat er geen lasprocedures zijn aangeleverd. Uit het e-mailbericht van De Haas van 2 februari 2026, wat slechts enkele dagen na de algehele ontbinding is, blijkt dat om het vaartuig gecertificeerd te krijgen, lasprocedures en -certificaten moeten worden overgelegd. Ten tijde van het beroep op algehele ontbinding ontbraken dergelijke documenten.

[bedrijf A] heeft ten behoeve van de mondelinge behandeling documenten van lasprocedures overgelegd, maar Pro Liquid heeft betwist dat deze rapporten zien op de [naam schip 1] . De rapporten verwijzen namelijk niet naar een projectnummer, scheepsnaam of bouwnummer en ook [bedrijf A] wordt nergens genoemd.

Daarbij komt nog dat LTM en De Haas hebben geconstateerd dat de lasnaden van slechte kwaliteit zijn en dat er op meerdere plaatsen water naar binnen lekt. [bedrijf A] heeft de bevindingen van LTM en De Haas met betrekking tot de kwaliteit van de lasnaden en de lekkage niet betwist. Daarmee is ook dit gebrek komen vast te staan.

Ad c: de breedte van de gangboorden

De rechtbank oordeelt dat de gangboorden naast het stuurhuis te smal zijn. Op grond van artikel 14.04 lid 3 ES-TRIN dient het gangboord minimaal 50 centimeter te zijn op plekken waar een reling is aangebracht. LTM en De Haas hebben vastgesteld dat de gangboorden naast het stuurhuis 40 centimeter breed zijn en dat deze dan ook niet voldoen aan ES-TRIN. Om dit op te lossen zal het stuurhuis volledig aangepast moeten worden, wat volgens LTM en De Haas constructief vrijwel niet uitvoerbaar lijkt. Ook uit het rapport van het NBKB van 16 juni 2026 (punt 20.36 van de non-conformiteitenlijst) volgt dat de vrije doorloop ten minste 50 centimeter dient te bedragen indien aan de buitenzijde een reling aanwezig is. Anders dan [bedrijf A] betoogt, volstaan de gangboorden van 40 centimeter breed naast het stuurhuis dus niet, ondanks dat daar een reling is geplaatst.

Ad d: de constructie en de stabiliteit

Tot slot voldoet de huidige constructie naar het oordeel van de rechtbank niet en zijn er problemen met de stabiliteit. Volgens LTM en De Haas zijn aanvullende constructieve verstevigingen vereist, onder andere achter de duwboeg. Echter, dit zal het gewicht in de boeg verder vergroten, waardoor extra ballast achterin noodzakelijk zal zijn, dat vrijwel gelijk is aan het ledig gewicht van de [naam schip 1] . Dit roept volgens LTM en De Haas serieuze vragen op over het vaargedrag en de stabiliteit. De Haas heeft dat in haar e-mail van 2 februari 2026 om 10:22 uur aan Pro Liquid nog verder toegelicht:

“Er zal een verstevigingsconstructie achter de duwboeg gemaakt moeten worden.

(…)

De stabiliteit van het vaartuig is een issue. Zoals we gemerkt hebben ligt ze erg hoog en voorover op het water en maakt ze snel slagzij. De benodigde aanpassingen zullen nog een stuk meer gewicht naar het voorschip brengen. Dit is op te lossen door het plaatsen van ballast achterin. Echter zal de hoeveelheid ballast dusdanig veel zijn dat dit grote negatieve invloed op de vaareigenschappen zal hebben. Ook valt te betwijfelen of de constructie überhaupt geschikt is voor een dergelijke extra last.”

[bedrijf A] heeft in reactie hierop enkel betoogd dat constructieve verstevigingen zijn geplaatst en dat aanvullende verstevigingen niet nodig zijn. Dat er problemen zijn met de stabiliteit van het schip heeft [bedrijf A] niet betwist. Gelet op de gemotiveerde bevindingen van LTM en De Haas heeft [bedrijf A] dit gebrek met haar enkele ontkenning zonder (nadere) onderbouwing onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarmee staat ook dit gebrek vast.

De hiervoor vastgestelde gebreken leveren aldus ernstige tekortkomingen in de nakoming op door [bedrijf A] in de verplichting om een deugdelijk schip te bouwen. De overige door Pro Liquid gestelde gebreken behoeven, gelet op de ernst van de al vastgestelde gebreken, geen behandeling.

Pro Liquid hoefde geen ingebrekestelling meer uit te brengen

Partijen verschillen nog van mening over de vraag of Pro Liquid [bedrijf A] nog in de gelegenheid had moeten stellen om de gebreken te herstellen voordat zij tot algehele ontbinding van de Overeenkomst overging.

De rechtbank overweegt als volgt. De reden van de partiële ontbinding was gelegen in het niet halen van de opleverdatum door [bedrijf A] . Pro Liquid heeft de [naam schip 1] ondergebracht bij De Haas, met de bedoeling het schip door De Haas te laten afbouwen. Zij werd daarna, door de bevindingen van De Haas en LTM, geconfronteerd met dusdanige gebreken aan het tot dan toe gebouwde schip dat afbouwen in de bewoordingen van Pro Liquid economisch onhaalbaar was. Daarna heeft Pro Liquid de ontbindingsbrief van 29 januari 2026 gestuurd.

[bedrijf A] meent dat Pro Liquid haar een redelijke kans tot herstel had moeten geven voordat zij overging tot algehele ontbinding. De rechtbank gaat daar niet in mee en oordeelt dat een ingebrekestelling op grond van de redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden achterwege kon blijven.

Artikel 6:83 BW bevat een niet-limitatieve opsomming van de gevallen waarin verzuim zonder ingebrekestelling optreedt. Het verzuim kan ook buiten die gevallen, op grond van de redelijkheid en billijkheid, intreden zonder een ingebrekestelling.

Pro Liquid behoefde, gelet op de ervaringen met [bedrijf A] sinds het aangaan van de Overeenkomst en de ernst van de vastgestelde gebreken, geen ingebrekestelling meer uit te brengen. Pro Liquid was immers al geruime tijd na het verstrijken van de in de Overeenkomst genoemde levertijd van vijf tot zes maanden (september of oktober 2023) in afwachting van de (af)bouw van de [naam schip 1] . [bedrijf A] heeft Pro Liquid geen verklaring gegeven voor waarom de [naam schip 1] nog niet af was. Uiteindelijk is [bedrijf A] met een definitieve opleverdatum gekomen (in augustus 2025), maar ook deze datum heeft [bedrijf A] niet gehaald. Pro Liquid heeft [bedrijf A] ook daarna nog meerdere kansen geboden om de [naam schip 1] op te leveren, waaraan [bedrijf A] niet heeft voldaan. Op de laatste sommatie van 12 november 2025 van Pro Liquid voorafgaand aan de partiële ontbinding heeft [bedrijf A] in het geheel niet gereageerd. Uiteindelijk heeft Pro Liquid in december 2025 de beschikking gekregen over een schip dat nog niet af was en dat ze door een derde moest laten afbouwen. Vervolgens is gebleken dat het schip serieuze gebreken vertoonde die in de basis de deugdelijkheid van het schip betroffen (zoals het laswerk, de constructie en de stabiliteit). Onder die omstandigheden kan niet van Pro Liquid worden gevergd dat zij [bedrijf A] nog gelegenheid tot herstel geeft. [bedrijf A] is daarom zonder ingebrekestelling in verzuim geraakt.

Dat betekent dat Pro Liquid op 29 januari 2026 bevoegd was om de Overeenkomst geheel te ontbinden.

De ontbinding heeft op grond van artikel 6:271 BW tot gevolg dat partijen van hun verbintenissen zijn bevrijd en dat voor zover deze al zijn nagekomen, voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de al door hen ontvangen prestatie ontstaat. Dat betekent dat [bedrijf A] het deel van de aanneemsom dat Pro Liquid al heeft betaald dient terug te betalen.

De rechtbank zal de vordering tot betaling van de hoofdsom van € 474.780,61 (inclusief BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de hoofdsom vanaf 29 januari 2026, tegenover [bedrijf A] toewijzen.

[gedaagden] treft geen persoonlijk ernstig verwijt

Pro Liquid spreekt ook [gedaagden] , als (indirect) bestuurder van [bedrijf A] , aan voor terugbetaling van de al betaalde aanneemsom en de schade die zij als gevolg van de tekortkomingen heeft geleden. Pro Liquid verwijt [gedaagden] op grond van artikel 6:162 BW dat hij heeft bewerkstelligd dat [bedrijf A] haar verplichting om binnen de overeengekomen tijd de [naam schip 1] op te leveren niet is nagekomen. [gedaagden] heeft volgens Pro Liquid onvoldoende toezicht gehouden op de bouw. Daarnaast wordt [gedaagden] verweten dat hij heeft bewerkstelligd dat [bedrijf A] een schip heeft gebouwd dat zodanige gebreken heeft dat afbouw niet rendabel was. In dat kader stelt Pro Liquid ook dat [gedaagden] zich onvoldoende heeft beziggehouden met de bouw. Verder heeft [gedaagden] geweigerd om het bouwdossier aan Pro Liquid te overhandigen. Tot slot verwijt Pro Liquid [gedaagden] dat hij weigert om ervoor te zorgen dat [bedrijf A] het al betaalde deel van de aanneemsom terugbetaalt.

[gedaagden] betwist dat hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [gedaagden] betoogt dat Pro Liquid niet heeft aangetoond dat [gedaagden] willens en wetens heeft aangestuurd op niet-nakoming. Dat de oplevering ernstig is vertraagd en dat Pro Liquid meent dat er gebreken zijn, is onvoldoende om daaruit opzet af te leiden en dus persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder aan te nemen, aldus [gedaagden] .

De rechtbank oordeelt dat [gedaagden] niet persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die Pro Liquid heeft geleden als gevolg van de tekortkomingen in de nakoming van de Overeenkomst door [bedrijf A] .

Voor bestuurdersaansprakelijkheid geldt de hoge drempel dat de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken. Als een vennootschap haar verplichtingen niet nakomt geldt als uitgangspunt dat de wederpartij alleen bij die vennootschap terecht kan. Onder bijzondere omstandigheden kan er, op grond van onrechtmatige daad, ook ruimte zijn voor aansprakelijkheid van een (indirect) bestuurder van een vennootschap die heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar contractuele verplichtingen niet nakomt en daardoor – naar de bestuurder wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen – aan de wederpartij schade berokkent. Opzet is hiervoor, anders dan [gedaagden] betoogt, niet vereist. De bestuurder kan enkel aansprakelijk worden gehouden voor schade van de schuldeiser indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

De door Pro Liquid gestelde omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen oordelen dat [gedaagden] een persoonlijk ernstig verwijt treft. Dat betekent dat de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid niet wordt gehaald. Het enkele feit dat [gedaagden] (middellijk) bestuurder en enig leidinggevende van [bedrijf A] is, maakt niet dat [gedaagden] persoonlijk aansprakelijk is. De rechtbank gaat niet mee in het verwijt van Pro Liquid dat [gedaagden] onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende toezicht te houden op de bouw. Hoewel de aanzienlijke vertraging in de bouw en de ernstige gebreken vaststaan, is niet gebleken dat [gedaagden] richting Pro Liquid was gehouden om persoonlijk en nauw bij de bouw betrokken te zijn en daarop persoonlijk toezicht te houden. Daarom heeft [gedaagden] niet zelf onzorgvuldig gehandeld tegenover Pro Liquid doordat de [naam schip 1] niet op tijd is opgeleverd en serieuze gebreken vertoont.

De gestelde weigering om het bouwdossier over te dragen, staat los van de tekortkomingen van [bedrijf A] en de schade die Pro Liquid daardoor heeft geleden. Dit handelen van [gedaagden] levert daarom ook geen persoonlijke aansprakelijkheid voor de schade van Pro Liquid op.

De weigering om het betaalde deel van de aanneemsom te restitueren is naar het oordeel van de rechtbank ook niet voldoende voor een persoonlijk ernstig verwijt, te meer omdat [bedrijf A] de partiële en algehele ontbinding heeft bestreden en in deze procedure heeft betoogd dat zij de betaalde aanneemsom niet hoeft te restitueren.

Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat [gedaagden] zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld tegenover Pro Liquid dat hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank zal de vorderingen tegen [gedaagden] daarom afwijzen.

[bedrijf A] is verplicht om de schade te vergoeden die Pro Liquid als gevolg van de tekortkomingen heeft geleden

Verder vordert Pro Liquid van [bedrijf A] vergoeding van diverse schades die zij heeft geleden als gevolg van de tekortkomingen door [bedrijf A] . Op grond van artikel 6:74 lid 1 BW is de schuldenaar verplicht om de schade te vergoeden die de schuldeiser door een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis lijdt. De rechtbank gaat hierna in op de diverse door Pro Liquid gevorderde schadeposten.

de kosten voor de “[naam schip 3]” worden grotendeels toegewezen

Pro Liquid vordert vergoeding voor de kosten van inhuur van de “[naam schip 3]” als vertragingsschade in de zin van artikel 6:85 BW. De facturen zien op werkzaamheden die in de periode van 30 juli 2025 tot en met 2 september 2025 zijn verricht. Deze werkzaamheden moesten worden uitgevoerd terwijl haar andere werkschip de [naam schip 2] voor de vijfjaarlijkse inspectie het dok in moest. Pro Liquid stelt dat zij deze werkzaamheden met de [naam schip 1] had kunnen verrichten in plaats van dat zij derden moest inhuren, als [bedrijf A] de [naam schip 1] tijdig had opgeleverd.

[bedrijf A] betoogt dat Pro Liquid niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de [naam schip 2] voor deze werkzaamheden zou vervangen door de [naam schip 1] .

De rechtbank is van oordeel dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen, voor zover het gaat om werkzaamheden die na het verstrijken van de definitieve opleverdatum zijn uitgevoerd.

Bij brief van 20 augustus 2025 heeft Pro Liquid aan [bedrijf A] gemeld:

“Vervolgens heeft u een planning overlegd op grond waarvan de oplevering in week 32 zou plaatsvinden. Op grond daarvan heeft cliënte voor haar andere schip, de "[naam schip 2]", haar vijfjaarlijkse dokbeurt ingepland. De bedoeling was uiteraard dat de " [naam schip 1] " dan beschikbaar zou zijn. Helaas is dat niet het geval. Daardoor is cliënte gedwongen een vervangend schip in te huren.”

Ter zitting heeft de heer [persoon B] namens Pro Liquid toegelicht dat de [naam schip 2] in de Rotterdamse haven vaart en ook langs de kust kan werken in langdurige projecten. Destijds is de overweging gemaakt om de [naam schip 1] aan te schaffen om het lichtere werk in de haven van de [naam schip 2] over te nemen zodat de [naam schip 2] kan worden ingezet op grotere projecten. Deze toelichting is door [bedrijf A] en [gedaagden] niet weersproken en de rechtbank oordeelt dan ook dat Pro Liquid voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de [naam schip 1] de werkzaamheden van de [naam schip 2] had overgenomen tijdens de dokbeurt van de [naam schip 2] als de [naam schip 1] tijdig was opgeleverd.

Aangezien twee van de gevorderde facturen (te weten factuur [factuurnummer 1] van € 192,11 en factuur [factuurnummer 2] van € 502,15) betrekking hebben op werkzaamheden die zijn uitgevoerd vóór het verstrijken van de definitieve opleverdatum, wordt een bedrag van € 694,26 in mindering gebracht op het door [bedrijf A] te vergoeden bedrag. De rechtbank zal de gevorderde kosten van de “[naam schip 3]” daarom voor een bedrag van € 28.973,09 toewijzen.

de kosten van De Haas worden toegewezen

Pro Liquid vordert vergoeding van de kosten van De Haas. Na de partiële ontbinding heeft Pro Liquid de [naam schip 1] overgebracht naar De Haas, zodat De Haas het schip kon afbouwen. De Haas heeft het schip op het droge gezet en vervolgens geïnspecteerd.

[bedrijf A] betwist dat zij aansprakelijk is voor deze kosten. Wat betreft de kosten voor de stalling betoogt [bedrijf A] dat Pro Liquid haar schade had moeten beperken en dat niet valt in te zien waarom de [naam schip 1] na afronding van de inspectie nog maanden op de wal moest worden gestald. De inspectiekosten komen volgens [bedrijf A] niet voor vergoeding in aanmerking, omdat zij geen gelegenheid heeft gekregen eventuele herstelbare gebreken zelf te verhelpen.

De rechtbank oordeelt dat deze kosten voor vergoeding door [bedrijf A] in aanmerking komen. Pro Liquid had deze kosten niet hoeven maken als [bedrijf A] haar verplichtingen om de [naam schip 1] tijdig en zonder gebreken op te leveren was nagekomen. De schade staat daarmee in een causaal verband tot de tekortkomingen door [bedrijf A] en kan aan [bedrijf A] worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 BW.

Het is naar het oordeel van de rechtbank redelijk, al was het maar ter beperking van schade, dat er stallingskosten zijn gemaakt. Ter zitting heeft Pro Liquid namelijk uitgelegd dat er geen anodes op de [naam schip 1] zaten en dat de [naam schip 1] zonder anodes weg zou roesten als het schip in het water zou blijven liggen.

Ten aanzien van de inspectiekosten is de rechtbank het, met Pro Liquid, eens dat deze kosten redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid zijn in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. In de gegeven omstandigheden was het redelijk om een deskundige in te schakelen om vast te stellen welke gebreken de [naam schip 1] vertoonde en of deze redelijkerwijs nog konden worden verholpen. De kosten voor het haalbaarheidsonderzoek komen de rechtbank redelijk voor. Uit de factuur van De Haas volgt dat De Haas, tezamen met het NBKB en een naval architect, een haalbaarheidsonderzoek heeft uitgevoerd en dat na de inspectie een lijst met gebreken is opgesteld. Pro Liquid heeft de Overeenkomst volledig ontbonden nadat bleek dat de gebreken dermate ernstig waren dat afbouw niet rendabel was. De betwisting van [bedrijf A] dat zij niet aansprakelijk is voor de inspectiekosten vanwege het ontbreken van een gelegenheid tot herstel, stuit reeds af op het oordeel onder r.o. 5.28-5.30.

De rechtbank zal de kosten van De Haas van € 9.619,50 toewijzen.

de kosten van LTM worden afgewezen

Verder vordert Pro Liquid vergoeding van de kosten die LTM heeft gemaakt. Pro Liquid stelt dat deze kosten zijn gemaakt om de schade c.q. vertraging te beperken, alsmede ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub a en b BW. De aanstelling van LTM diende ter bevordering van de snelheid waarmee de [naam schip 1] zou worden opgeleverd. Dat zou betekenen dat het schip eerder in de vaart zou kunnen worden genomen en daarmee eerder omzet zou kunnen genereren, aldus Pro Liquid.

[bedrijf A] betwist dat sprake is van een causaal verband tussen de gemaakte kosten en de tekortkoming, omdat LTM door Pro Liquid als haar belangenbehartiger is aangesteld om de kwaliteit in het algemeen te bewaken.

De rechtbank oordeelt dat de kosten van LTM niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt voor de kosten van de werkzaamheden die betrekking hadden op het bewaken van de kwaliteit een causaal verband en is geen sprake van kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub a BW. Deze kosten kunnen daarom niet aan [bedrijf A] worden toegerekend. LTM was in eerste instantie ingeschakeld om de technische belangen van Pro Liquid te behartigen tijdens de laatste fase van de (af)bouw door [bedrijf A] . Op dat moment hadden partijen zelf al de definitieve opleverdatum afgesproken. Niet is gebleken dat de werkzaamheden van LTM in eerste instantie waren gericht op nadere bespoediging van oplevering. Pro Liquid had de kosten voor technische behartiging van haar belangen ook gemaakt als [bedrijf A] de [naam schip 1] op de definitieve opleverdatum had opgeleverd. Bovendien heeft Pro Liquid [bedrijf A] ook na het verstrijken van de definitieve opleverdatum nog meerdere keren in de gelegenheid gesteld om de [naam schip 1] op te leveren voordat zij tot partiële ontbinding van de Overeenkomst over ging.

Hoewel LTM in eerste instantie was ingeschakeld voor de begeleiding van de afbouw, heeft zij zich na enige tijd op verzoek van Pro Liquid beziggehouden met het vaststellen van gebreken. Die werkzaamheden van LTM vallen onder het bereik van artikel 6:96 lid 2 sub b BW en komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Uit de facturen van LTM die Pro Liquid heeft overgelegd volgt echter niet welk deel van de werkzaamheden ziet op vaststelling van schade en aansprakelijkheid, nu een specificatie ontbreekt. Vast staat dat Pro Liquid de Overeenkomst op 11 december 2025 partieel heeft ontbonden, waarna het schip is overgebracht naar De Haas, de gebreken zijn vastgesteld en met Pro Liquid zijn gedeeld. De facturen van LTM zien echter op werkzaamheden verricht in de maanden september tot en met november 2025. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat deze werkzaamheden niet hebben gezien op het vaststellen van gebreken, maar veeleer op de begeleiding van de afbouw. De rechtbank oordeelt dan ook dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen en wijst deze vordering af.

de kosten van Verschoor & Bras worden afgewezen

Pro Liquid vordert ook nog vergoeding van de kosten van Verschoor & Bras bv (hierna: Verschoor & Bras) als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. De rechtbank oordeelt dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

De rechtbank overweegt dat het rapport van Verschoor & Bras met name is gericht op het vaststellen van de feitelijke staat van de [naam schip 1] en de waarde van het werk dat tot dan toe door [bedrijf A] was uitgevoerd. Het rapport stelt vast wat de staat van bijvoorbeeld het stalen casco is en welke onderdelen ontbreken. Echter, anders dan de bevindingen van LTM en De Haas, geeft het rapport geen nadere toelichting op waarom deze vaststellingen een gebrek vormen en of deze gebreken redelijkerwijs kunnen worden verholpen.

Bovendien heeft Pro Liquid de algehele ontbinding met name gebaseerd op de bevindingen van LTM en De Haas. Deze bevindingen heeft zij immers opgenomen in de ontbindingsbrief van 29 januari 2026. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat deze kosten geen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW zijn. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.

de gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen

Pro Liquid vordert ook een verklaring voor recht dat de Overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht afwijzen vanwege een gebrek aan voldoende belang (artikel 3:303 BW). Het ligt op de weg van Pro Liquid om toe te lichten welk belang zij heeft bij toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht naast toewijzing van de gevorderde terugbetaling van de aanneemsom. Echter, een dergelijke toelichting ontbreekt.

de buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen

Verder vordert Pro Liquid vergoeding van de buitengerechtelijke kosten conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 3.736,90.

[bedrijf A] betwist dat zij buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, omdat Pro Liquid geen opeisbare vordering heeft, [bedrijf A] niet in verzuim verkeert en er geen daadwerkelijke buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht.

De rechtbank oordeelt dat Pro Liquid op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW aanspraak heeft op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Zoals uit het voorgaande volgt, was [bedrijf A] in verzuim en heeft Pro Liquid de Overeenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden. Daarnaast heeft Pro Liquid in de brief van 29 januari 2026, waarin zij de Overeenkomst algeheel heeft ontbonden, ook [bedrijf A] gesommeerd om het bedrag van € 474.780,61 per omgaande aan Pro Liquid terug te betalen. In dat licht heeft [bedrijf A] onvoldoende betwist dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De rechtbank zal de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 3.736,90 toewijzen.

de kosten voor het beslag worden toegewezen

Tot slot zijn de kosten van het beslag gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. Uit het bovenstaande volgt dat het beslag niet onrechtmatig was. Het verweer van [bedrijf A] dat zij deze kosten niet hoeft te vergoeden omdat de vorderingen van Pro Liquid dienen te worden afgewezen, slaagt dan ook niet.

Ook is niet gebleken dat het beslag nietig of onnodig was. [bedrijf A] betoogt nog dat het beslagrekest van 29 januari 2026 ten onrechte vermeldt dat geen verweer bekend is. [bedrijf A] heeft namelijk bij e-mail van 17 december 2025 aan Pro Liquid bericht dat zij meende dat de [naam schip 1] geen gebreken vertoonde en dat Pro Liquid de oplevering verhinderde door na te laten om de hoofdmotor aan te sluiten. Volgens [bedrijf A] was het verlof mogelijk niet verleend als dat verweer wel in het beslagrekest was opgenomen.

De rechtbank volgt [bedrijf A] hierin niet. Pro Liquid heeft op 24 februari 2026 nog verzocht om verlof tot het leggen van conservatoir beslag op het binnenschip (duwboot) “ [gedaagden] I”. Bij het beslagrekest heeft Pro Liquid de brief gevoegd van de gemachtigde van [bedrijf A] van 10 februari 2026, waarin het verweer tegen de vorderingen uiteen is gezet. Toch heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verlof verleend. [bedrijf A] heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat het verlof voor het conservatoir derdenbeslag niet was verleend als het verweer in het beslagrekest van 29 januari 2026 was opgenomen.

De rechtbank zal de beslagkosten toewijzen. De kosten voor het beslag worden begroot op:

- kosten voor de deurwaarder conservatoir derdenbeslag

€

320,47

- kosten voor de deurwaarder conservatoir beslag op schip

709,50

(kosten beslaglegging € 600,47 + kosten betekening € 109,03)

- griffierecht

€

735,00

- salaris advocaat

€

7.446,00

(2 punten × € 3.723,00, tarief VII)

Totaal

€

9.210,97

[bedrijf A] moet de proceskosten betalen

Hoewel de vorderingen tegen [gedaagden] geheel worden afgewezen, is [bedrijf A] grotendeels in het ongelijk gesteld. Daarom moet zij de proceskosten (inclusief nakosten) van Pro Liquid betalen. De proceskosten van Pro Liquid worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

129,54

- griffierecht

€

6.327,00

- salaris advocaat

€

7.446,00

(2 punten × € 3.723,00, tarief VII)

Totaal

€

13.902,54

in reconventie

de vorderingen worden afgewezen

De rechtbank begrijpt dat de vorderingen in reconventie zijn ingesteld door [bedrijf A] en zal daar ook van uitgaan bij de beoordeling.

De vorderingen van [bedrijf A] zijn gebaseerd op betaling van de resterende aanneemsom die Pro Liquid op grond van de Overeenkomst zou moeten betalen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente.

Uit het voorgaande volgt dat Pro Liquid de Overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Op grond van artikel 6:271 BW bevrijdt een ontbinding partijen van hun verbintenissen. Dat betekent dat – voor zover de resterende aanneemsom van 5% te betalen na oplevering opeisbaar is geworden, hetgeen in het midden kan worden gelaten – Pro Liquid van haar betalingsverplichting is bevrijd. [bedrijf A] heeft daarom geen recht op betaling van de resterende aanneemsom van € 9.219,39.

Daarnaast vordert [bedrijf A] opheffing van de gelegde beslagen. Aangezien de rechtbank de vorderingen van Pro Liquid in conventie grotendeels zal toewijzen, heeft Pro Liquid op goede gronden beslag gelegd. Niet is gebleken dat de beslagen onnodig zijn gelegd. Er is dan ook geen aanleiding om de beslagen op te heffen en een dwangsom vast te stellen.

De rechtbank zal de vorderingen in reconventie daarom afwijzen.

[bedrijf A] moet de proceskosten betalen

[bedrijf A] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank begroot de proceskosten van Pro Liquid op € 653,00 aan salaris voor advocaat (2 punten x factor 0,5 x € 653,00, tarief II).

in conventie en in reconventie

nakosten

[bedrijf A] dient ook aan Pro Liquid de nakosten in conventie en in reconventie te betalen. Dat komt neer op een bedrag van € 296,00 samen (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).

uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, omdat Pro Liquid dat eist en [bedrijf A] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv).

6. De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt [bedrijf A] om aan Pro Liquid te betalen een bedrag van € 474.780,61, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 januari 2026, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [bedrijf A] om aan Pro Liquid te betalen een bedrag van € 38.592,59 als vergoeding voor de schade die Pro Liquid heeft geleden,

veroordeelt [bedrijf A] om aan Pro Liquid te betalen een bedrag van € 9.210,97 voor de kosten van het beslag,

veroordeelt [bedrijf A] om aan Pro Liquid te betalen een bedrag van € 3.736,90 aan buitengerechtelijke incassokosten,

veroordeelt [bedrijf A] in de proceskosten van Pro Liquid van € 13.902,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen van [bedrijf A] af,

veroordeelt [bedrijf A] in de proceskosten van Pro Liquid van € 653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en in reconventie

veroordeelt [bedrijf A] in de nakosten van Pro Liquid van € 296,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [bedrijf A] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [bedrijf A] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,

verklaart dit vonnis, wat de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

4084/3266/2459

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand