ECLI:NL:RBROT:2026:13925

ECLI:NL:RBROT:2026:13925

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer ROT 25/2402
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het dagloon van eiser in het kader van zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) juist heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/2402

(gemachtigde: mr. S. Igdeli),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: mr. T. Rook).

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het dagloon van eiser in het kader van zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) juist heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eiser heeft op 16 juni 2021 een WIA-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 28 september 2023 heeft het UWV eisers aanvraag afgewezen. Met het besluit van 18 oktober 2023 (het primaire besluit) is het UWV teruggekomen op het besluit van 28 september 2023 en heeft het UWV bepaald dat eiser vanaf 17 juli 2023 een WIA-uitkering krijgt van € 1.551,21 bruto per maand, exclusief vakantiegeld.

Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit heeft het UWV op 17 januari 2025 een voornemen tot wijziging van het primaire besluit naar eiser gestuurd. Hierin heeft het UWV medegedeeld voornemens te zijn het primaire besluit te wijzigen in die zin dat eiser vanaf 17 december 2020 een WIA-loonaanvullingsuitkering krijgt van € 1.312,61 bruto per maand, exclusief vakantiegeld.

Met het bestreden besluit van 14 februari 2025 heeft het UWV het bezwaar van eiser gegrond verklaard en bepaald dat eiser vanaf 17 december 2020 recht heeft op een WIA-uitkering van € 1.312,61 bruto per maand, exclusief vakantiegeld.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Standpunt van eiser

2. Eiser voert in beroep aan dat het UWV zijn dagloon onjuist heeft vastgesteld. Eiser heeft bij zijn bezwaarschrift een drietal jaaropgaven over de jaren 2016 en 2017 en een vaststellingsovereenkomst van 22 februari 2018 overgelegd. Volgens eiser heeft het UWV deze stukken ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken. De periode waarop de vaststellingsovereenkomst ziet valt volgens eiser in de referteperiode, zodat het UWV de uitbetaling van € 5.000,- bij de berekening van het dagloon had moeten betrekken. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat het UWV ten onrechte geen invulling heeft gegeven aan artikel 3 van de Beleidsregels UWV gebruik polisgegevens 2018. Hij heeft namelijk aangetoond dat het loon zoals opgenomen in de polisadministratie onjuist is, waardoor het UWV dit nader had moeten onderzoeken. Verder stelt eiser dat het UWV de uitgebrachte zienswijze op het voornemen tot wijziging beslissing niet bij de beoordeling heeft betrokken en dat hiervoor ten onrechte geen proceskostenvergoeding is toegekend.

Wettelijk kader

3.

Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA wordt voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden.

In het derde lid staat dat bij algemene maatregel van bestuur nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld voor de vaststelling van het dagloon. De bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit).

In artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit is voor de bepaling van de referteperiode een gelijkluidende regeling opgenomen als in artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA.

In artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit is bepaald dat voor de toepassing van dit hoofdstuk de werknemer wordt geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt onder loon als bedoeld in artikel 14 mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden.

Op grond van artikel 16 van het Dagloonbesluit is het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en WAO de uitkomst van de volgende berekening:

(A – B + C) / D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;

C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en

D staat voor 261.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank stelt voorop dat de hoogte van het dagloon wordt bepaald aan de hand van het loon dat in de referteperiode is ontvangen. Niet in geschil is dat de referteperiode voor de berekening van het dagloon loopt van 1 november 2016 tot en met 31 oktober 2017.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) mag het UWV bij de vaststelling van het dagloon uitgaan van de gegevens in de polisadministratie, tenzij eiser aantoont dat deze gegevens onjuist zijn.

Uit de door eiser aangeleverde informatie blijkt niet dat het UWV is uitgegaan van een onjuist sociaal verzekeringsloon bij de dagloonberekening. De jaaropgaven van 2016 en 2017 zijn hiervoor onvoldoende. Deze jaaropgaven hebben namelijk betrekking op het gehele jaar 2016 en het gehele jaar 2017, terwijl de referteperiode loopt van 1 november 2016 tot en met 31 oktober 2017. Uit de door eiser overgelegde jaaropgaven valt niet af te leiden welk deel van het jaarinkomen tijdens de referteperiode betaald is. Met het enkel overleggen van jaaropgaven, zonder enige toelichting of berekening, is onvoldoende aangetoond dat het dagloon onjuist is vastgesteld, dan wel onjuist is opgenomen in de polisadministratie.

Ook de vaststellingsovereenkomst tussen eiser en zijn werkgever is onvoldoende voor het oordeel dat het UWV het dagloon onjuist zou hebben berekend. Eiser en zijn werkgever zijn in de vaststellingsovereenkomst, opgemaakt op 22 februari 2018, met elkaar overeengekomen dat de achterstallige reiskosten, partieel achterstallig loon tijdens ziekte, aanzegvergoeding, eindejaarsuitkering en transitievergoeding worden vastgesteld op een bedrag van € 5.000,- netto onder de titel ‘vergoeding van achterstallige reiskosten’. Eiser en zijn werkgever zijn overeengekomen dat de werkgever dit bedrag uiterlijk voor 1 maart 2018 aan eiser zal voldoen. Daarmee ligt het – tussen de werknemer en werkgever overeengekomen – moment van betaling van de genoemde posten buiten de referteperiode. De omstandigheid dat eiser van 1 oktober 2015 tot 2 januari 2018 in dienst is geweest bij zijn werkgever, maakt niet dat de uitbetaling van € 5.000,- daarmee in de referteperiode valt. Het is niet gebleken dat de achterstallige reiskosten, het achterstallig loon tijdens ziekte, de aanzegvergoeding, de eindejaarsuitkering en de transitievergoeding in die referteperiode vorderbaar, maar niet-inbaar waren. Het UWV heeft deze posten dus terecht niet meegenomen in de vaststelling van de hoogte van het dagloon.

6. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het UWV de uitgebrachte zienswijze niet bij de beoordeling heeft betrokken, overweegt de rechtbank het volgende. Het UWV heeft eiser met de brief van 17 januari 2025 medegedeeld dat het voornemens is het primaire besluit te wijzigen. In deze brief staat ook vermeld dat eiser binnen twee weken na dagtekening van de brief bezwaar kan indienen tegen de voorgenomen wijziging. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat eiser daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om op de voorgenomen wijziging te reageren. Eiser heeft ook niet gereageerd op het standpunt van het UWV dat geen zienswijze werd ingediend. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een door hem opgestelde zienswijze, bijvoorbeeld door overlegging hiervan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV daarom bij de beoordeling kunnen volstaan met het betrekken van de door eiser ingediende bezwaren tegen het primaire besluit. Omdat niet is gebleken van een ingediende zienswijze heeft het UWV daarvoor in het bestreden besluit ook geen proceskostenvergoeding hoeven toekennen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand