RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2852
(gemachtigde: mr. E.W.J.M. Janssens),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. M. Reitsma).
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de herhaalde aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wet Wajong) heeft afgewezen. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Met het primaire besluit van 10 juli 2024 heeft het UWV de aanvraag van eiser om een Wajong-uitkering afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser op 7 augustus 2024 bezwaar gemaakt.
Op 31 maart 2025 heeft eiser beroep ingesteld omdat het UWV nog niet (en daarmee niet tijdig) een beslissing op bezwaar heeft genomen.
Op 27 mei 2025 heeft het UWV een beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit) en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn moeder en zijn begeleider [persoon A] en de gemachtigden van partijen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser, geboren op [geboortedatum], heeft op 14 februari 2017 een Wajong-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 7 april 2017 heeft het UWV de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser volgens de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige arbeidsvermogen had. Op 2 mei 2023 heeft eiser opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 29 november 2023 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen, omdat er onvoldoende objectieve medische informatie was waaruit een toename van beperkingen bleek in de periode van 2017 tot 26 juni 2019 (de vijf jaar na de achttiende verjaardag).
3. Op 4 juli 2024 heeft eiser opnieuw een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen op het besluit op de aanvraag van 2023. Het UWV heeft het herzieningsverzoek vervolgens afgewezen met het primaire besluit, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn ten opzichte van de eerdere aanvraag in 2023. Na het primaire besluit heeft alsnog een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. In het rapport van 12 maart 2025 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven om de voorgaande beoordeling in het kader van de wet Wajong te herzien. Er is volgens de verzekeringsarts ook geen sprake van een deugdelijke en toereikende onderbouwing op basis waarvan het eerdere besluit inhoudelijk opnieuw bekeken moet worden (duuraanspraak).
4. Met het bestreden besluit heeft het UWV het primaire besluit gehandhaafd. Aan het bestreden besluit heeft het UWV een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 mei 2025 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is het eens met het standpunt van de eerdere verzekeringsarts dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven om terug te komen op het besluit van 2023 en dat ook geen sprake is van duuraanspraak.
Standpunt eiser
5. Eiser voert in beroep aan dat sprake is van ziekte of gebrek binnen zes maanden na het einde van de studie als gevolg van een nieuwe ziekteoorzaak die leidt tot nieuwe beperkingen. Volgens eiser moet daarom een nieuwe eerste arbeidsongeschiktheidsdag worden vastgesteld, waarna een nieuwe vijfjaarstermijn begint te lopen tot 31 juli 2021. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat het hem vanwege zijn ASS- en LVB-klachten al sinds zijn achttiende ontbrak aan basale werknemersvaardigheden en dat dit eerder niet goed is beoordeeld door het UWV. Daarom moet teruggekomen worden op het afwijzingsbesluit van 2017 of in ieder geval alsnog een Wajong-uitkering worden toegekend vanaf de datum van indiening van de laatste aanvraag. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser in beroep een rapport overgelegd van verzekeringsarts [naam arts] ([naam arts]) van [zorg instelling 1] van 5 januari 2026, die aanvullend heeft gerapporteerd op 21 januari 2026 en 30 april 2026. Eiser heeft de rechtbank onder meer verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over de achterstallige betalingen en vergoeding van de kosten voor het laten opmaken van de rapportages van de deskundige. Ook wil eiser een schadevergoeding voor zijn immateriële schade als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn.
Beoordeling door de rechtbank
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het beroep niet-tijdig beslissen
7. Eiser heeft op 28 maart 2025 beroep ingesteld vanwege het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar. Op 31 maart 2025 heeft het UWV een dwangsombesluit genomen en bepaald dat het UWV aan eiser de volledige bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- verschuldigd is. Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 heeft het UWV alsnog op het bezwaar van eiser beslist. Gelet op deze besluiten heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het beroep niet-tijdig beslissen. Dat beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Er bestaat wel aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Hier zal de rechtbank later in de uitspraak op terugkomen.
Het beroep tegen het betreden besluit
8. De aanvraag van eiser is een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. In verschillende uitspraken heeft de Centrale Raad van Beroep (de Raad) uitgemaakt hoe het bestuursorgaan specifiek in arbeidsongeschiktheidszaken een herhaalde aanvraag moet beoordelen en hoe de rechtbank vervolgens een besluit over een herhaalde aanvraag behoort te toetsen.
Als iemand na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing opnieuw een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering doet, moet het bestuursorgaan beoordelen welke bedoeling de aanvrager heeft met de aanvraag. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Awb, herziening voor het verleden), dat een zogeheten “Amber”-beoordeling wordt verricht of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak). Het onderscheid in wat de aanvrager heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het bestuursorgaan en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.
Bij een aanvraag die ziet op een herziening voor het verleden kan het UWV beoordelen of er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven om terug te komen van dat eerdere besluit. Het UWV kan op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ervoor kiezen om het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, als die nieuwe feiten of veranderde omstandigheden er volgens hem niet zijn. Het UWV mag de aanvraag ook inhoudelijk behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen, ook als de aanvrager daaraan geen nieuw gebleken of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd.
De bestuursrechter dient aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd, op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd nog wel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de rechtbank niettemin aan de hand van de aangevoerde gronden tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
9. Het UWV heeft er in dit geval voor gekozen het verzoek van eiser om herziening af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluiten, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gebleken en omdat er geen deugdelijke en toereikende onderbouwing is op basis waarvan het eerdere besluit inhoudelijk opnieuw bekeken moet worden (duuraanspraak).
10. Eiser heeft in beroep een rapport van [naam arts] met latere aanvullingen overgelegd. In beginsel geldt dat met gegevens die pas in de fase van beroep naar voren worden gebracht geen rekening kan worden gehouden bij de rechterlijke toetsing van met toepassing van artikel 4:6 Awb genomen besluiten. In dit geval betrekt de rechtbank het rapport met de latere aanvullingen van [naam arts] wel bij haar beoordeling, omdat dit aanhaakt op wat eerder in bezwaar namens eiser is aangevoerd.
11. Zo komt [naam arts] tot de conclusie dat het eiser op de achttiende verjaardag al ontbrak aan basale werknemersvaardigheden en dat dit bij de aanvraag in 2017 dus onvoldoende beoordeeld is. De rechtbank constateert dat het besluit van 7 april 2017, waarin is beslist dat eiser beschikt over basale werknemersvaardigheden, in rechte vast staat. Het had voor de hand gelegen dat eiser hiertegen bezwaar had gemaakt als hij het niet eens was met deze beoordeling. Daar komt bij dat eiser geen informatie naar voren heeft gebracht die niet ook al bij de beoordeling in 2017 en 2023 werd betrokken.
12. Eiser heeft erop gewezen dat [naam arts] concludeert dat hij op 31 juli 2016 zijn mbo-opleiding heeft moeten staken wegens psychische klachten die later hebben geleid tot de diagnose schizofrenie. Volgens [naam arts] is hierdoor een nieuw recht op Wajong ontstaan en ook een nieuwe vijfjaarstermijn is begonnen. Binnen vijf jaar na het staken van de mbo-opleiding is volgens [naam arts] sprake van toegenomen beperkingen als gevolg van diezelfde ziekteoorzaak.
In artikel 1a:1 van de Wajong zijn er twee doelgroepen voor jonggehandicapten. De eerste doelgroep (onder a) ziet op jongeren die op de dag waarop zij achttien jaar worden als gevolg van ziekte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. De tweede doelgroep (onder b) ziet op jongeren die (kortgezegd) tijdens of binnen zes maanden na afronden van hun studie als gevolg van ziekte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.
Voor beide groepen geldt op grond van het tweede lid een zogeheten Ambertermijn van vijf jaar. Iemand kan alsnog jonggehandicapte worden als hij of zij binnen vijf jaar alsnog duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft op grond van dezelfde oorzaak als die op grond waarvan eerder beperkingen werden ondervonden.
Voor de vraag tot welke doelgroep iemand behoort is bepalend de dag waarop voor het eerst beperkingen als gevolg van ziekte worden ondervonden, de zogeheten ‘eerste arbeidsongeschiktheidsdag’. Als er op de achttiende verjaardag beperkingen als gevolg van ziekte worden ondervonden, is artikel 1a:1, eerste lid, onder a, van de Wajong van toepassing. Als die beperkingen voor het eerst tijdens (of binnen zes maanden na) studie worden ondervonden, is artikel 1a:1, eerste lid, onder b, van de Wajong van toepassing.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan slechts sprake zijn van één eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Dat is de dag waarop voor het eerst sprake is van beperkingen ten gevolge van ziekte. Een uitzondering daarop is alleen mogelijk als zich na het achttiende jaar een andere ziekte openbaart, die voor het eerst tijdens (of binnen zes maanden na afronden van de) studie tot beperkingen leidt. Dan is er dus sprake van een andere ziekteoorzaak.
Het is niet in geschil dat eiser studeerde van 1 augustus 2013 tot en met 31 juli 2016. Om te kunnen spreken van een tweede eerste arbeidsongeschiktheidsdag, moet vast komen te staan dat bij eiser sprake was van een nieuwe ziekteoorzaak, die binnen zes maanden na 31 juli 2016 tot beperkingen heeft geleid. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat in de periode van augustus 2016 tot en met januari 2017 sprake was van een nieuwe ziekteoorzaak. De stelling van [naam arts] dat eiser zijn studie in 2016 heeft gestaakt vanwege psychische klachten die later hebben geleid tot de diagnose schizofrenie is niet met medische stukken onderbouwd. Uit de door eiser overgelegde stukken van [zorg instelling 2] van 4 juni 2024 en 13 september 2024 blijkt enkel dat eiser in december 2020 erg achterdochtig was, waardoor hij in 2021 door zijn huisarts is doorverwezen naar [zorg instelling 2] met de vraagstelling of sprake is van een psychose. Uit de stukken blijkt verder dat eiser vervolgens is gediagnostiseerd met een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 23 maart 2026 terecht stelt is weliswaar sprake van een nieuwe ziekteoorzaak, maar speelt dit zich af buiten de voor eiser Wajong-relevante periode. De rechtbank volgt het UWV ook in het standpunt dat de door eiser aangeleverde stukken geen nieuwe medische feiten bevatten ten opzichte van wat al bekend was ten tijde van de aanvraag in 2023.
Op grond van het voorgaande heeft het UWV terecht geen reden gezien het eerdere besluit van 29 november 2023 te herzien, ook niet voor de toekomst. Het bestreden besluit, waarbij is geweigerd om het besluit van 29 november 2023 te herzien, is naar het oordeel van de rechtbank ook niet evident onredelijk. Omdat de daarvoor benodigde twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, bestaat geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek van eiser om een deskundige te benoemen.
Overschrijding redelijke termijn
13. Ten aanzien van het schadeverzoek voor het overschrijden van de redelijke termijn overweegt de rechtbank dat het vaste rechtspraak is dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de redelijke termijn is overschreden wanneer de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500,- per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
Dit betekent in deze procedure dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het UWV op 7 augustus 2024 van eiser tegen het primaire besluit van 10 juli 2024 tot de datum van deze uitspraak (naar boven afgerond) 26 maanden zijn verstreken. De zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, en de opstelling van eiser geven geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met 2 maanden overschreden.
De redelijke termijn van een half jaar voor de behandeling in bezwaar was ten tijde van het bestreden besluit van 27 mei 2025 met afgerond 4 maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom geheel aan de bezwaarfase toe te rekenen. Het UWV dient daarom € 500,- aan schadevergoeding aan eiser te betalen.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
15. Omdat het bestreden besluit is genomen nadat eiser beroep heeft ingesteld vanwege het niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar, bestaat wel aanleiding het UWV te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt voor het instellen van het beroep niet-tijdig beslissen. Het UWV moet ook het betaalde griffierecht vergoeden.
16. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van het beroep niet-tijdig beslissen stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat de proceskostenvergoeding enkel wordt toegekend voor het beroep niet-tijdig beslissen, waarin het ten tijde van de indiening ervan alleen ging over de vraag of de beslistermijn was overschreden.
17. Eiser heeft daarnaast recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze vergoeding vast op een bedrag van € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Er is geen reden voor verdere schadevergoeding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:6
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Artikel 1a:1, eerste lid
Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Artikel 1a:1, tweede lidDe ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.