ECLI:NL:RBROT:2026:13938

ECLI:NL:RBROT:2026:13938

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer ROT 24/10508
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toekenning van een IVA[1]-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV bij de vaststelling van de hoogte van eisers IVA-uitkering terecht is uitgegaan van 3 oktober 2020 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/10508

(gemachtigde: mr. M. Tracey),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toekenning van een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV bij de vaststelling van de hoogte van eisers IVA-uitkering terecht is uitgegaan van 3 oktober 2020 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Met het primaire besluit van 16 september 2024 heeft het UWV aan eiser een IVA-uitkering toegekend vanaf 30 september 2024. Met het bestreden besluit van 11 oktober 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Eiser heeft nadere (medische) stukken ingediend. Het UWV heeft hierop gereageerd met een aanvullend verweerschrift met als bijlage een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 november 2025.

De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn echtgenote, en zijn gemachtigde. De gemachtigde van het UWV heeft zich vlak voor de zitting afgemeld.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser was tot 1 juni 2020 werkzaam bij [naam werkgever 1] . Vervolgens heeft eiser tot 1 september 2021 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Op 1 september 2021 is eiser in dienst getreden bij [naam werkgever 2] als monteur. Op 3 oktober 2022 heeft eiser zich ziekgemeld voor dit werk wegens belemmerende gezondheidsklachten. In verband met deze ziekmelding heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Met het primaire besluit is aan eiser vanaf 30 september 2024 een IVA-uitkering toegekend van € 2.460,17 bruto per maand, exclusief vakantiegeld.

3. Met het bestreden besluit heeft het UWV zijn standpunt over de hoogte van de IVA-uitkering gehandhaafd. Eiser heeft zich op 3 oktober 2022 ziek gemeld. Het UWV is daarom voor de berekening van de hoogte van eisers IVA-uitkering uitgegaan van de referteperiode van 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2022.

Standpunt eiser

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de datum waarop hij bij [naam werkgever 1] uit dienst is getreden, 1 juni 2020, als zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden aangemerkt. Volgens eiser heeft hij bij [naam werkgever 1] het loonniveau bereikt van een gezonde werknemer. Daarna is eiser op aandringen van zijn behandelaar minder gaan werken, omdat hij last had van vermoeidheid en pijn. Eiser wijst erop dat de omstandigheid dat dit nu niet meer te onderbouwen valt met enig stuk geheel in zijn nadeel wordt uitgelegd. Eiser voelt zich door de beslissing van het UWV gestraft voor een ziekte waar hij zelf niet om heeft gevraagd. Eiser stelt verder dat hij een medische afzakker is.

Beoordeling door de rechtbank

5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

6. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft geoordeeld dat eiser geen recht heeft op een hogere IVA-uitkering. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

7. De beroepsgrond dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden vastgesteld op 1 juni 2020, de datum waarop eiser uit dienst ging bij [naam werkgever 1] , slaagt niet. Het dossier bevat geen medische gegevens waaruit blijkt dat sprake zou zijn van een eerste arbeidsongeschiktheidsdag vóór 3 oktober 2022. Ook de door eiser in beroep overgelegde medische stukken zijn hiervoor onvoldoende. Uit deze stukken blijkt dat bij eiser in 2019 systemische mastocytose is vastgesteld en dat eiser voorafgaand aan deze diagnose al jarenlang bekend was met verschillende klachten die samenhingen met de mastocytose. Voor het aannemen van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag is echter niet bepalend wanneer, achteraf gezien, de met de ziekte samenhangende klachten zich voor het eerst openbaarden en/of verergerden, maar het moment vanaf wanneer eiser ten gevolge van deze klachten niet meer in staat was tot het verrichten van zijn werkzaamheden in de voor hem normale omvang of functie. Eiser heeft zich op 3 oktober 2022 ziekgemeld. Objectieve aanwijzingen dat eiser zijn werk in de voor hem normale omvang vóór 3 oktober 2022 niet meer kon verrichten ontbreken.

8. Eiser voert verder aan dat zijn IVA-uitkering niet moet worden gebaseerd op het loon dat hij in de referteperiode verdiende bij [naam werkgever 2] ., maar op het loon dat hij tot juni 2020 verdiende bij [naam werkgever 1] . Voor zover eiser daarmee betoogt dat het dagloon moet worden verhoogd omdat sprake is van een medische afzakker, slaagt die beroepsgrond niet. In de Wet WIA en het Dagloonbesluit is bepaald dat de hoogte van de WIA-uitkering dient te worden gebaseerd op het loon dat iemand verdiende in het jaar voordat diegene ziek werd. Dit betekent dat enkel het sociale verzekeringsloon dat is genoten in het refertejaar meetelt bij de berekening van het dagloon. Andere dienstverbanden die buiten deze periode vallen, blijven buiten beschouwing.

Hoewel artikel 7a, derde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten de bevoegdheid geeft om de referteperiode voor de bepaling van het maatmanloon in afwijking van de hoofdregel vast te stellen, ontbreekt deze mogelijkheid in de Wet WIA en het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) als het gaat om de vaststelling van het dagloon. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt dat de artikelen 13 en 23 van de Wet WIA zich ertegen verzetten dat de referteperiode voor de dagloonbepaling wordt losgekoppeld van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Het Dagloonbesluit biedt hiervoor ook geen grondslag.

In het geval van eiser loopt de referteperiode dan ook van l oktober 2021 tot en met 30 september 2022. Deze referteperiode voor de dagloonbepaling kan niet worden losgekoppeld van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, te weten 3 oktober 2022. Zoals hiervoor is overwogen biedt zowel de wet als vaste rechtspraak geen ruimte om het dagloon voor de WIA-uitkering te baseren op eerdere dienstverbanden die buiten deze referteperiode vallen. Uit het voorgaande volgt dat het UWV bij de vaststelling van de hoogte van eisers IVA-uitkering terecht is uitgegaan van 3 oktober 2022 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag.

De rechtbank constateert daarbij nog dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de aanvullende medische rapportage van 17 november 2025 afdoende heeft gemotiveerd dat uit de aanwezige medische informatie niet blijkt dat er op enig moment sprake is van een medisch objectiveerbare reden om aan te nemen dat er sprake is van een medische afzakker. Wat eiser hiertegen heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

9. De rechtbank acht het begrijpelijk en prijzenswaardig dat eiser indertijd de keuze heeft gemaakt om gezien zijn omstandigheden minder te gaan werken, juist omdat hij zo graag aan het werk wilde blijven. Toch brengt de aanvaarding van lager betaalde werkzaamheden of werkzaamheden in een lagere urenomvang het risico met zich mee dat een later toegekende uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid dan ook lager kan worden vastgesteld. Het is een bewuste keuze van de wetgever geweest om de berekening van het dagloon van de WIA-uitkering te baseren op het loon dat iemand verdiende in het jaar voordat diegene ziek werd.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Omdat geen sprake is van een na te betalen uitkering krijgt eiser hier ook geen wettelijke rente over.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

Artikel 13, eerste lidVoor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

Artikel 23, eerste lid

Voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet geldt voor hem een wachttijd van 104 weken.

Artikel 23, tweede lid

Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag al dan niet in een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld en kunnen dagen waarop niet zou worden gewerkt als werkdag worden aangemerkt.

Dagloonbesluit werknemersverzekeringen

Artikel 13, eerste lid

Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.

Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten

Artikel 7a, eerste lid

Het maatmaninkomen, bedoeld in artikel 6, eerste en derde lid, artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW en artikel 1 van de Wet WIA, wordt vastgesteld door het loon, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen a en b, dat de verzekerde of de jonggehandicapte met de maatgevende arbeid in het refertejaar heeft verdiend te delen door het aantal uren van die maatgevende arbeid in het refertejaar, waarbij het loon geacht wordt te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.

Artikel 7a, derde lid

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt een andere periode van maximaal één jaar vast waarover het inkomen en het aantal uren van de maatgevende arbeid in aanmerking worden genomen, indien in het refertejaar geen sprake is van maatgevende arbeid of van arbeid van een urenomvang die maatgevend is.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand