RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11889502 CV EXPL 25-20071
datum uitspraak: 2 oktober 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats 1],
eiser,
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats 2],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van de kantonrechter van 5 juni 2026 en de daarin genoemde stukken;
de brief van kant van [eiser] van 20 augustus 2026, met bijlagen.
Op 4 september 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
[eiser] met zijn partner en dochter als toehoorders, bijgestaan door de gemachtigde;
[gedaagde] met zijn zoon als toehoorder.
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[eiser] eist in deze zaak betaling van € 12.400,-. Daarvoor heeft hij het volgende aangevoerd.
De partijen zijn bekenden van elkaar. In april 2024 heeft [eiser] een lening aan [gedaagde] verstrekt. [gedaagde] zou financiële problemen hebben en zou op korte termijn geld krijgen van zijn oud-werkgever. [eiser] heeft toen aangegeven dat hij het geld binnen drie maanden terug wilde krijgen vanwege de bruiloft van zijn zoon. In de periode daarna vroeg [gedaagde] meermaals om meer geld, wat [eiser] vervolgens aan hem heeft geleend. Ook heeft [eiser] de factuur van een groothandel voor [gedaagde] voorgeschoten. Ondanks toezeggingen heeft [gedaagde] de geleende bedragen nog niet terugbetaald. [eiser] wil zijn geld terug en is daarom deze procedure gestart.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Hij geeft aan dat hij door [eiser] is bedreigd en dat [eiser] valse meldingen heeft gedaan en valse getuigen heeft opgegeven. Ook heeft [gedaagde] al bedragen aan [eiser] betaald, waardoor er nog een bedrag van maximaal € 2.500,- open staat. De mensen van de groothandel heeft hij nooit ontmoet. [gedaagde] wil graag met [eiser] in gesprek gaan om tot een oplossing van het geschil te komen.
Uitkomst
De eis van [eiser] wordt toegewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.
[gedaagde] moet € 12.400,- aan [eiser] terugbetalen
Het staat vast dat [gedaagde] (minstens) € 12.400,- van [eiser] heeft geleend. Dit volgt uit de erkenning van [gedaagde] dat hij ongeveer € 9.000,- van [eiser] heeft geleend in combinatie met de (vertalingen van) transcripties van gesprekken tussen de partijen die door [eiser] in het geding zijn gebracht. [eiser] heeft [gedaagde] er tijdens deze gesprekken meermaals gewezen dat [gedaagde] nog € 13.000,- aan hem moest betalen. [gedaagde] weerspreekt dit geen enkele keer en geeft slechts aan dat hij zich onder druk gezet voelt om te betalen en dat het geld er op korte termijn aankomt. [gedaagde] heeft niet aangegeven dat de gespreksverslagen onjuist zijn. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat het gegaan is zoals in de transcripties naar voren komt.
Het staat niet vast dat [gedaagde] door [eiser] bedreigd is en dat sprake is van valse meldingen en/of getuigen. [eiser] zegt namelijk dat dat niet zo is, en [gedaagde] heeft zijn stelling onvoldoende (met stukken) onderbouwd.
[gedaagde] heeft ook niet weersproken dat de termijn van terugbetaling is verstreken. Het verweer van [gedaagde] dat hij de lening al gedeeltelijk heeft terugbetaald, slaagt niet. [eiser] heeft dat namelijk betwist en [gedaagde] heeft geen betaalbewijzen in het geding gebracht ter onderbouwing van zijn stelling.
Gelet op het voorgaande wordt de eis van [eiser] in zijn geheel toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 144,47 aan dagvaardingskosten, € 257,- aan griffierecht, € 864,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 432,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.409,47. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 12.400,-;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.409,47;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
43416