ECLI:NL:RBROT:2026:14040

ECLI:NL:RBROT:2026:14040

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 24-09-2026
Datum publicatie 15-10-2026
Zaaknummer 10-334318-25 en 10-207308-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding met dwang van acht vrouwen. Gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummers: 10-334318-25 en 10-207308-26

Datum uitspraak: 24 september 2026

Datum zitting: 10 september 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [plaatsnaam] ,

gedetineerd in [naam PI] .

Advocaat van de verdachte: mr. N. Claassen

Officier van justitie: mr. X.C. van Balen

Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3]

Advocaat van de [benadeelde partij 2] : mr. W.N. van der Voet

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – acht vrouwen tegen hun wil onverhoeds heeft aangeraakt aan hun borst of bil.

Voor de leesbaarheid zijn de feiten van de twee tenlasteleggingen in dit vonnis doorgenummerd.

De volledige tenlasteleggingen (hierna: de beschuldigingen) houden in dat:

1.

hij op of omstreeks 29 november 2025 te Rotterdam,

met een persoon, te weten [slachtoffer 1] ,

een of meer seksuele handelingen heeft verricht,

te weten het (onverhoeds) betasten en/of aanraken en/of slaan van/op haar billen,

terwijl hij, verdachte, wist, dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak,

en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door en/of vergezeld van dwang, door

- vlak achter en/of naast die [slachtoffer 1] te gaan fietsen en/of

- onverhoeds zijn hand op haar bil te leggen en/of haar bil aan te raken;

2.

hij op of omstreeks 4 december 2025 te Rotterdam,

met een persoon, te weten [slachtoffer 2] ,

een of meer seksuele handelingen heeft verricht,

te weten het (onverhoeds) betasten en/of aanraken en/of slaan van/op haar billen,

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak,

en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door en/of vergezeld van dwang, door

- vlak achter en/of naast die [slachtoffer 2] te gaan fietsen en/of

- onverhoeds tegen haar bil te slaan en/of haar bil aan te raken;

3.

hij op of omstreeks 6 december 2025 te Rotterdam,

met een persoon, te weten [slachtoffer 3] ,

een of meer seksuele handelingen heeft verricht,

te weten het (onverhoeds) betasten en/of aanraken en/of slaan van/op haar billen,

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 3] daartoe de wil ontbrak,

en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door en/of vergezeld van dwang, door

- vlak achter die [slachtoffer 3] te gaan fietsen en/of

- onverhoeds een harde klap op haar bil te geven en/of haar bil aan te raken;

4.

hij op of omstreeks 28 februari 2026 te Rotterdam,

met een persoon, te weten [slachtoffer 4] ,

een of meer seksuele handelingen heeft verricht,

te weten het (onverhoeds) betasten en/of aanraken en/of strelen van haar borst,

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 4] daartoe de wil ontbrak,

en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door en/of vergezeld van dwang, door

- naar die [slachtoffer 4] toe te fietsen en vlak achter en/of naast die [slachtoffer 4] bij het verkeerslicht te gaan staan en/of

- onverhoeds over haar borst te wrijven en/of haar borst te betasten en/of aan te raken;

5.

hij op of omstreeks 7 maart 2026 te Rotterdam,

met een persoon, te weten [slachtoffer 5] ,

een of meer seksuele handelingen heeft verricht,

te weten het (onverhoeds) betasten en/of aanraken en/of strelen van haar borst,

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 5] daartoe de wil ontbrak,

en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door en/of vergezeld van dwang, door

- vlakbij die [slachtoffer 5] te gaan fietsen en/of

- onverhoeds haar borst te betasten en/of aan te raken;

6.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2025 tot en met 18 maart 2026 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

met een persoon, te weten [slachtoffer 6] en/of een of meer andere (onbekend gebleven) personen,

een of meer seksuele handelingen heeft verricht,

te weten (telkens) het (onverhoeds) betasten en/of aanraken en/of strelen van haar/hun

borsten

terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat bij die [slachtoffer 6] en/of een of meer andere (onbekend gebleven) personen daartoe de wil ontbrak,

en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/ of gevolgd

door dwang, geweld en/ of bedreiging, door

- achter/naast/naar haar/hen (toe) te fietsen en /of naast haar/hen te gaan zitten en/of

- haar/hen aan te spreken en/of

- ( vervolgens) onverhoeds haar/hun borsten te betasten en/of aan te raken en/of te strelen;

7.

hij op of omstreeks 6 maart 2026 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

een ander, te weten [slachtoffer 7] ,

door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige

andere feitelijkheid gericht tegen die ander, te weten [slachtoffer 7] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/ of te dulden,

te weten dat hij, verdachte, zich in haar nabijheid bevond en/of haar volgde door (telkens) (op korte afstand) achter haar aan en/of om haar heen en/of naast haar te fietsen en/of haar aan te spreken.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 t/m 6 (opzetaanranding met dwang) en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 7.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 7 en heeft zich ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 dient de verdachte partieel te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde dwang.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 7

De beschuldiging is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

Bewezenverklaring feiten 1 t/m 6

Bewezen is dat:

1.

hij op 29 november 2025 te Rotterdam,

met een persoon, te weten [slachtoffer 1] ,

een seksuele handeling heeft verricht,

te weten het onverhoeds betasten van haar bil,

terwijl hij, verdachte, wist, dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak;

en welke opzetaanranding werd vergezeld van dwang, door

- vlak achter die [slachtoffer 1] te gaan fietsen en

- onverhoeds zijn hand op haar bil te leggen;

2.

hij op 4 december 2025 te Rotterdam,

met een persoon, te weten [slachtoffer 2] ,

een seksuele handeling heeft verricht,

te weten het onverhoeds slaan op haar bil,

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak;

en welke opzetaanranding werd vergezeld van dwang, door

- vlak achter die [slachtoffer 2] te gaan fietsen en

- onverhoeds tegen haar bil te slaan;

3.

hij op 6 december 2025 te Rotterdam,

met een persoon, te weten [slachtoffer 3] ,

een seksuele handeling heeft verricht,

te weten het onverhoeds slaan op haar bil,

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 3] daartoe de wil ontbrak;

en welke opzetaanranding werd vergezeld van dwang, door

- vlak achter die [slachtoffer 3] te gaan fietsen en

- onverhoeds een harde klap op haar bil te geven;

4.

hij op 28 februari 2026 te Rotterdam,

met een persoon, te weten [slachtoffer 4] ,

een seksuele handeling heeft verricht,

te weten het onverhoeds betasten van haar borst,

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 4] daartoe de wil ontbrak;

en welke opzetaanranding werd vergezeld van dwang, door

- naar die [slachtoffer 4] toe te fietsen en vlak naast die [slachtoffer 4] bij het verkeerslicht te gaan staan en

- onverhoeds over haar borst te wrijven;

5.

hij op 7 maart 2026 te Rotterdam,

met een persoon, te weten [slachtoffer 5] ,

een seksuele handeling heeft verricht,

te weten het onverhoeds betasten van haar borst,

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 5] daartoe de wil ontbrak;

en welke opzetaanranding werd vergezeld van dwang, door

- vlakbij die [slachtoffer 5] te gaan fietsen en

- onverhoeds haar borst te betasten;

6.

hij omstreeks de periode van 1 december 2025 tot en met 18 maart 2026 te Rotterdam,

met een persoon, te weten [slachtoffer 6] en andere onbekend gebleven personen,

een seksuele handeling heeft verricht,

te weten telkens het onverhoeds betasten van hun borst

terwijl hij, verdachte, telkens wist dat bij die [slachtoffer 6] en andere onbekend gebleven personen daartoe de wil ontbrak.

en welke opzetaanranding werd vergezeld van dwang door

- naar haar/hen toe te fietsen en/of naast haar/hen te gaan zitten en

- hen aan te spreken en

- vervolgens onverhoeds hun borst te betasten.

Bewijsmiddelen

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten 1 t/m 6 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd, maar niet uitgeschreven.

1. De bekennende verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangeefster 1]

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangeefster 2]

4. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangeefster 3]

5. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangeefster 4]

6. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangeefster 5]

7. Proces-verbaal van de politie, aangetroffen video’s op telefoon verdachte

Bewijsmotivering

De verdachte heeft acht vrouwen op straat betast door ze kortstondig aan te raken op hun bil of borst. Die aanrakingen waren steeds onverhoeds. In een aantal gevallen is de verdachte namelijk de hardlopende aangeefsters van achteren op zijn fiets genaderd, waarna hij in het voorbijgaan, of staand bij het stoplicht, een bil of borst heeft aangeraakt. In andere gevallen heeft de verdachte de vrouwen op straat aangesproken of is naast hen gaan zitten op een bankje, waarna hij ineens hun borst heeft aangeraakt.

Door de vrouwen op deze wijze te betasten heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding van hen. De verdachte was zich bewust van de aantasting van hun seksuele integriteit en heeft hen niet de ruimte gegeven om daarover hun wil te uiten.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, brengt het onverhoedse karakter van de handelingen in dit geval naar het oordeel van de rechtbank ook met zich mee dat er sprake was van dwang. De verdachte heeft de aangeefsters immers steeds overrompeld, waardoor zij feitelijk gedwongen werden om de seksuele handelingen te dulden (zie ook ECLI:NL:HR:2026:1235).

Het verweer wordt verworpen.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

1.

opzetaanranding vergezeld van dwang;

2.

opzetaanranding vergezeld van dwang;

3.

opzetaanranding vergezeld van dwang;

4.

opzetaanranding vergezeld van dwang;

5.

opzetaanranding vergezeld van dwang;

6.

opzetaanranding vergezeld van dwang, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan. Daarnaast moet de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Wetboek van Strafrecht (Sr) aan de verdachte worden opgelegd. Indien de rechtbank deze maatregel niet oplegt, moet de proeftijd bij een voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf 3 jaar bedragen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de voorlopige hechtenis. De gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z Sr, dient achterwege te worden gelaten.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding met dwang van acht vrouwen. Telkens fietste de verdachte naar, of van achteren langs, het nietsvermoedende slachtoffer en raakte hij opeens hun borst of bil aan. Eén keer ging de verdachte naast een slachtoffer op een bankje zitten waarna hij uit het niets haar borst betastte. De verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hen laten schrikken. Hij heeft zich niet bekommerd om de negatieve gevoelens die dit bij hen veroorzaakte maar zich alleen laten leiden door zijn seksuele drang.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 5 augustus 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Rapport deskundige

In het rapport van psycholoog [naam] van 14 juli 2026 staat het volgende.

Tijdens van het plegen van de strafbare feiten was er bij de verdachte sprake van een licht verstandelijke beperking, een autismespectrumstoornis en een seksuele preoccupatie/hyperseksualiteit. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en werkten daarin door. Deze problematiek zorgt ervoor dat de verdachte weinig inzicht kan geven in zijn denken, voelen en handelen voorafgaande, tijdens en (direct) na het ten laste gelegde. Er lijkt al geruime tijd, ook al vóór de ten laste gelegde periode, sprake te zijn geweest van een patroon waarbij de verdachte (waarschijnlijk) plezier dan wel 'plezierige seksuele spanning' ontleende aan het bezig zijn met seks. Hierdoor heeft zich geleidelijk een seksuele preoccupatie kunnen ontwikkelen tot een patroon van hyperseksueel denken en gedrag. De licht verstandelijke beperking en autismespectrumstoornis hebben geleid tot beperkingen in verdachtes inzicht en tekorten in het sturen van zijn gedrag, zonder dat kan worden gesproken van een allesbepalende invloed. Daarom wordt geadviseerd om hem de feiten, indien bewezen, in een verminderde mate toe te rekenen.

Het risico op recidive wordt zonder behandeling als matig tot hoog geschat. Gelet op de licht verstandelijke beperking en autismespectrumstoornis, wordt verwacht dat er sprake is van beperkte leermogelijkheden bij de verdachte. Het inzetten van extern risicomanagement zal daarom aanvankelijk het grootste deel van een behandeltraject moeten uitmaken, totdat duidelijk wordt dat de verdachte meer vaardigheden kan bijleren om risicofactoren te doen verminderen. Geadviseerd wordt om de verdachte op te nemen in een SGLVG-kliniek, die beveiliging en intensieve zorg biedt aan personen met een verstandelijke beperking en ernstige gedragsproblemen zoals seksueel grensoverschrijdend gedrag.

De rechtbank stelt op basis van de bevindingen van de psycholoog vast dat bij de verdachte psychische stoornissen en een verstandelijke beperking bestonden en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit beïnvloedde. Het feit wordt daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.

Rapport reclassering

In het reclasseringsadvies van Fivoor van 26 augustus 2026 staat het volgende.

Het risico op recidive wordt hoog geschat. De verdachte ervaart seksuele dranggedachten en geeft aan geen zelfcontrole te hebben als deze drang opspeelt. Risicoverhogend is dat de verdachte niet stilstaat bij de grenzen van vrouwen; hij is enkel gericht op zijn eigen behoeftebevrediging. Het ontbreekt bij de verdachte aan structuur, een regelmatige dagbesteding en een steunnetwerk. De verdachte geeft aan last te ervaren van zijn seksuele gedachten en staat open voor behandeling, ook in een klinische setting.

De reclassering adviseert een langdurige behandeling in een kliniek gespecialiseerd in behandeling van personen met een licht verstandelijke beperking. Daarnaast worden de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd: beschermd wonen (mits dit wordt geïndiceerd tijdens de klinische opname), meldplicht, ambulante behandeling, ambulante begeleiding en een inspanningsverplichting ten aanzien van dagbesteding.

Oplegging straf

Straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.

De rechtbank komt weliswaar tot dezelfde bewezenverklaring als de officier van justitie, maar zij komt tot een lagere straf. De verdachte heeft de vrouwen aangerand door het telkens kort betasten van een borst of bil. Het op deze manier onverhoeds aanraken van de vrouwen levert opzetaanrandingen op, maar tegelijkertijd ligt de dwang in diezelfde handeling besloten. Omdat er geen sprake is van bijkomende omstandigheden vindt de rechtbank een zwaardere straf vanwege de bewezenverklaarde dwang in dit geval niet passend. Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank een proeftijd van drie jaren en de door de reclassering geadviseerde voorwaarden – met uitzondering van de voorwaarde begeleid wonen – verbinden, om te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en hem ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr. De voorwaarde van begeleid wonen wordt niet opgelegd omdat de verdachte bij zijn ouders wil blijven wonen totdat hij een levenspartner heeft gevonden en de reclassering gelet hierop en gelet op de problematiek van de verdachte betwijfelt of hij baat zal hebben bij een beschermde woonvorm.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Gelet op de psychische problematiek van de verdachte en zijn verklaring dat er stappen zijn gezet, maar dat er ook nog veel moet gebeuren om herhaling te voorkomen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

5. In beslag genomen voorwerpen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de telefoon en de camerabril verbeurd worden verklaard, de pepperspray wordt onttrokken aan het verkeer en de computer wordt teruggegeven aan de verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Onttrekking aan het verkeer pepperspray

De rechtbank beslist dat de in beslag genomen pepperspray wordt onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.

Teruggave

De rechtbank beslist tot de teruggave van de in beslag genomen camerabril, telefoon en computer. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de strafbare feiten niet met behulp van de camerabril en de computer zijn gepleegd.

6. Vordering van de benadeelde partijen

Vordering [benadeelde partij 1]

heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vordering [benadeelde partij 2]

heeft als benadeelde partij voor feit 4 € 1000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vordering [benadeelde partij 3]

heeft als benadeelde partij voor feit 7 € 458,42 als vergoeding voor materiële schade en € 1000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen voor een bedrag van € 1000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast kan aan [slachtoffer 2] eveneens een bedrag van € 1000,- worden toegewezen. Zij heeft weliswaar het verzoek tot schadevergoeding niet ingevuld, maar het is duidelijk dat zij wel een vordering heeft willen indienen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de [benadeelde partij 3] niet ontvankelijk te verklaring gelet op de bepleite vrijspraak. Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 2] verzoekt de verdediging om niet een hoger bedrag toe te wijzen dan is gevorderd. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1] en stelt zich tot slot op het standpunt dat [slachtoffer 2] geen vordering heeft ingediend.

Oordeel van de rechtbank

Vordering [benadeelde partij 1]

Vastgesteld wordt dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het feit. Door de gedragingen van de verdachte is de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij geschonden. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. De aard en de ernst van het door de verdachte gepleegde feit brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat kan worden aangenomen dat de benadeelde partij in de persoon is aangetast, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.

De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade van € 500,- volledig toewijzen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 29 november 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Vordering [benadeelde partij 2]

Vastgesteld wordt dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het feit. Door de gedragingen van de verdachte is de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij geschonden. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. De aard en de ernst van het door de verdachte gepleegde feit brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat kan worden aangenomen dat de benadeelde partij in de persoon is aangetast, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.

De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 500,- toewijzen.

Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 28 februari 2026.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Vordering [benadeelde partij 3]

De vordering wordt afgewezen, nu de verdachte voor het feit waarop de vordering betrekking heeft wordt vrijgesproken.

[slachtoffer 2] De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 2] geen vordering heeft ingediend. Het formulier “verzoek tot schadevergoeding” is weliswaar ondertekend maar hierin is geen bedrag of onderbouwing ingevuld. Nu geen vordering is ingediend, hoeft de rechtbank hierop ook niet te beslissen.

7. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 57 en 241 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 7 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 2 maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte (een van) de onderstaande voorwaarde(n) niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Fivoor Reclassering, Westerstraat 5-9 te Rotterdam;

2. de verdachte zich gedurende de proeftijd voor 12 maanden of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een SGLVG-kliniek of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag

en het inperken van zijn seksuele preoccupatie/hyperseksualiteit. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren.;

3. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Humanitas Homerun DMH of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en de afname van diagnostiek;

4. de verdachte zich gedurende de proeftijd voor praktische ondersteuning laat begeleiden door Humanitas Homerun DMH of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding start zo spoedig mogelijk. De begeleiding duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;

5. de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

In beslag genomen voorwerpen

- verklaart onttrokken aan het verkeer: pepperspray (891719);

- beveelt de teruggave van de videobril (G7119816), telefoon (G7119807) en computer (891718) aan de verdachte;

Vordering [benadeelde partij 1]

veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van € 500,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 29 november 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1, parketnummer 10-334318-25 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 1] aan de staat € 500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 29 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

Vordering [benadeelde partij 2]

veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij 2] te betalen een bedrag van € 500,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 28 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 4, parketnummer 10-334318-25 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 2] aan de staat € 500,-- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 28 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

Vordering [benadeelde partij 3]

wijst af de vordering van de [benadeelde partij 3] .

9. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. IJspeerd, voorzitter,

en mrs. M. Timmerman en M. van Andel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 september 2026.

De griffier is buiten staat het vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E. IJspeerd

Griffier

  • mr. E.D. Bijl

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand