Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10-177622-21, 10-058145-22 (gev. ttz) en 10-001242-25 (gev. ttz)
Datum uitspraak: 22 september 2026
Datum zitting: 8 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1991 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres:
[adres 1] ( [postcode 1] ) te [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. N. Claassen
Officier van justitie: mr. L.H. de Jong
Benadeelde partijen:
10-177622-21:- [benadeelde partij 1]- [benadeelde partij 2]
- advocaat van de benadeelde partijen: mr. P.R. Hogerbrugge
10-058145-22:
- [benadeelde partij 3]
- advocaat van de benadeelde partij: mr. F.J.M. Hamers
10-001242-25:
- [benadeelde partij 4]
- gemachtigde van de benadeelde partij: [gemachtigde]
Kern van het vonnis
De verdachte heeft meermalen een kind mishandeld dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin. De verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van dit kind. Ook heeft de verdachte afbeeldingen en een video van seksuele aard van de moeder van het kind openbaar gemaakt. Daarnaast heeft de verdachte gepoogd om twee andere voormalige partners zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde poging tot doodslag van één van deze ex-partners.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 200 dagen, waarvan 83 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met bijzondere voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar zijn. Daarnaast wordt de ongemaximeerde TBS-maatregel met voorwaarden opgelegd. Deze voorwaarden zijn gelijk aan de voorwaarden die ten aanzien van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf zijn gesteld en tevens dadelijk uitvoerbaar. Tot slot wordt de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte - samengevat - van het volgende. De verdachte heeft een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, meermalen mishandeld en gepoogd haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ook heeft de verdachte foto’s en een video van seksuele aard van zijn ex-partner [slachtoffer 2] openbaar gemaakt. Daarnaast heeft de verdachte gepoogd zijn ex-partner [slachtoffer 3] te doden, dan wel haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Dit is subsidiair ten laste gelegd als mishandeling. Tot slot heeft de verdachte gepoogd zijn ex-partner [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Dit is subsidiair ten laste gelegd als mishandeling.
De volledige tenlastelegging is van een doorlopende nummering voorzien en houdt in dat:
1. (parketnummer 10-177622-21)
hij op een of meerdere tijdtip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2020 tot en met 16 april 2021 te [plaats] , [gemeente] , in elk geval in Nederland,(meermalen) (telkens) een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, [slachtoffer 1] ,heeft mishandeld door- die [slachtoffer 1] (meermalen) tegen het lichaam en/of het hoofd en/of in het gezicht te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen en/of te bijten en/of te knijpen en/of- (meermalen) aan het oor van die [slachtoffer 1] te trekken;
2. primairhij in of omstreeks de periode van 1 februari 2021 tot en met 15 februari 2021 te [plaats] , [gemeente]ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer 1] , een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin,opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengendie [slachtoffer 1] bij haar been heeft gepakt en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] ondersteboven heeft gehouden en/of heen en weer heeft geschud/bewogen (waardoor zij met haar hoofd en/of gezicht tegen een tafel, althans een voorwerp, was gekomen),terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2021 tot en met 15 februari 2021 te [plaats] , [gemeente]een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, [slachtoffer 1] ,heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] bij haar been te pakken en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] ondersteboven te houden en/of heen en weer te schudden/bewegen (waardoor zij met haar hoofd en/of gezicht tegen een tafel, althans een voorwerp, was gekomen);
3. hij op of omstreeks 8 juni 2021 te [plaats] , [gemeente] , in elk geval in Nederland,van een persoon, [slachtoffer 2] ,een afbeelding van seksuele aard, te weten(een) foto('s) en/of video('s)/film(s) waarop te zien is dat hij, verdachte (een) seksuele handeling(en) verricht met genoemde [slachtoffer 2] ,openbaar heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat die openbaarmaking voor die persoon nadelig kon zijn;
4. (parketnummer 10-058145-22)
primair hij op of omstreeks 6 maart 2022 te [plaats] , [gemeente]ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omzijn levensgezel [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,(meermalen) (met kracht)- Die [slachtoffer 3] tegen een trap heeft geduwd en/of- tegen/op de hals van die [slachtoffer 3] heeft geduwd,o waardoor zij geen adem kon halen en/of achterover viel en/ofo terwijl zij tegen de trap en/of op de grond lag en/ofo waardoor zij van de trap afviel en/ofo terwijl hij boven haar heen hing en/of- de hals/keel van die [slachtoffer 3] heeft dichtgeknepen en/of dicht (geknepen) gehouden, waardoor die [slachtoffer 3] geen adem kon halen en/of- die [slachtoffer 3] tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor zij viel en/of- tegen het hoofd en/of in het gezicht van die [slachtoffer 3] heeft gestompt en/of geslagen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair hij op of omstreeks 6 maart 2022 te [plaats] , [gemeente]zijn levensgezel, [slachtoffer 3] ,heeft mishandeld door (meermalen) (met kracht)- haar tegen een trap te duwen en/of- tegen/op haar hals te duwen,o waardoor zij geen adem kon halen en/of achterover viel en/ofo terwijl zij tegen de trap en/of op de grond lag en/ofo waardoor zij van de trap afviel en/ofo terwijl hij boven haar heen hing en/of- in haar hals/keel te knijpen en/of dicht(geknepen) te houden, waardoor zij geen adem kon halen en/of- tegen haar lichaam te duwen, waardoor zij viel en/of- tegen haar hoofd en/of in haar gezicht te stompen en/of te slaan;
5. (parketnummer 10-001242-25)
primair hij op of omstreeks 25 december 2024 te [plaats] , [gemeente]ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer 4]opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen- in haar gezicht heeft gebeten en/of- in haar gezicht heeft gestopt en/of geslagen (nadat ze op de grond terecht was gekomen),terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair hij op of omstreeks 25 december 2024 te [plaats] , [gemeente]zijn levensgezel, [slachtoffer 4] ,heeft mishandeld door- haar in haar gezicht te bijten en/of- haar in haar gezicht te stompen en/of te slaan (nadat ze op de grond terecht was gekomen).
2. Bewijs en vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor alle ten laste gelegde feiten, te weten feiten 1, 2 primair, 3, 4 primair en 5 primair. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 2, 4 primair en impliciet subsidiair en 5 primair. Ook heeft de verdediging partiële vrijspraak bepleit voor feit 1. De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 3, 4 expliciet subsidiair en 5 subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen feiten 1, 3, 4 en 5
Bewezen is dat de verdachte de feiten 1, 3, 4 primair impliciet subsidiair en 5 primair heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 3 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
Feit 3 (sexting)
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster
3. Proces-verbaal van de politie
De bewezenverklaring van de feiten 1, 4 en 5 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
Feit 1 (mishandeling [slachtoffer 1] )
4. Verklaring van de verdachte
Ik heb [slachtoffer 1] wel eens geslagen met mijn vlakke hand op haar hand. Ik heb dat gedaan nadat zij mijn kat had mishandeld. Als ik bij de politie heb verklaard dat ik dat ook heb gedaan nadat zij op mijn mat had geplast, dan zal dat het geval zijn.
5. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de verdachte
V: Heb jij [slachtoffer 1] wel eens geslagen?
A: Dat heb ik twee keer gedaan en dat was een corrigerende tik op haar hand. De eerste keer was omdat ze echt niet luisterde. Ze had mijn kat een beetje mishandeld, die miste een paar tandjes. Een kitten. De tweede keer was omdat ze op mijn mat had geplast.
6. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de verdachteIn het onderzoek is de telefoon van [slachtoffer 2] onderzocht. Jij staat met je naam in haar contacten opgeslagen dus met [verdachte] . We hebben enkele opvallende WhatsApp gesprekken eruit gehaald om met je te bespreken.
15-01-2021 19:59 - [slachtoffer 2] : Weer ruzie
15-01-2021 20:00 - [slachtoffer 2] : Hij weet zeker die plek op haar wang is een bijtplek, ik zeg nee hoor ze was alleen in de slaapkamer, ik was in de keuken, niemand heeft gebeten. Lieg niet zegt hij dit is een bijtplek
15-01-2021 21:09 - [verdachte] : Fuck hem joh babe
15-01-2021 21:10 - [slachtoffer 2] : Jaah en die ma
15-01-2021 21:10 - [slachtoffer 2] : Allebei
Kun je je dit gesprek nog herinneren?
-Ja, een beetje wel. Ik weet wel van dat gesprek dat ze ruzie had met die vader van [slachtoffer 1] en die oma.
Ik weet niet meer zeker waarom ik [slachtoffer 1] 15 januari op de kamer had gezet. Ik was samen met [slachtoffer 2] op de gang. We waren aan het roken en we hoorden [slachtoffer 1] toen ineens huilen. Ik had haar netjes op bed gezet en was de kamer uitgelopen. [slachtoffer 2] was op de gang. Toen kwam ze naar buiten en zagen we die rare plek. Die kachelknop zat naast het bed van [slachtoffer 2] en kennelijk was ze daar tegenaan gekomen.
20-04-2021 09:52 – [verdachte] : ik heb je kind zo geslagen omdat ze echt vervelend was.
Hier geef je aan [slachtoffer 1] geslagen te hebben. Leg dit eens uit.
- Ja, dat was de eerste klap die ik wel had gegeven. Dat was letterlijk op de hand en [slachtoffer 2] stond er zelf ook bij. Toen heb ik gezegd dat ze haar spullen moest pakken en dat ze weg moesten gaan.
Waarom zeg je: “ik heb je kind zo geslagen”?
- Deze keer gaf ik haar een goeie klap op haar hand en heb ik al hun spulletjes ingepakt en heb ik gezegd: “ik ben er klaar mee”.
7. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de aangeefster [aangeefster 1] namens [slachtoffer 1]
Ik doe aangifte van mishandeling van mijn drie jarige dochter, welke gepleegd is op 16 april 2021 door mijn ex-vriend, genaamd [verdachte] , in diens woning in [plaats] .
Zij heeft door deze mishandeling letsel opgelopen aan meerdere plekken op haar lichaam, waaronder de achterzijde van haar beide oren, haar voorhoofd, haar arm, onderzijde rug, rechterwang en op de bovenzijde van haar hand.
Ondanks dat we ieder een eigen woonadres hadden, verbleven wij merendeels samen op zijn woonadres in [plaats] .
Op 16 april 2021 bevonden [slachtoffer 1] , [verdachte] en ik ons in de woonkamer. Ik pakte [slachtoffer 1] bij haar rechterarm om haar de kamer uit te begeleiden, waarop ik zag dat [verdachte] haar bij de linkerarm beetpakte en terugtrok om alsnog twee tikken op haar hand te kunnen geven. Ik zag dat [verdachte] met zijn vlakke hand opzettelijk hardhandig op haar rug sloeg, waardoor [slachtoffer 1] nog harder ging huilen. Toen [slachtoffer 1] op de grond in de gang lag hield ik mijn armen om haar heen om haar te beschermen. Dit lukte haast niet, waardoor [verdachte] haar toch kon blijven slaan.
8. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de aangeefster [aangeefster 1]
Er zijn nog meer situaties geweest. Dit was ongeveer afgelopen januari van dit jaar.
[verdachte] had een kitten op dat moment. [verdachte] zei dat de kitten [slachtoffer 1] in de nacht had aangevallen. Later, toen ik haar vroeg of [verdachte] haar en de kat pijn had gedaan, zei [slachtoffer 1] : “Ja”.
V: Zijn er nog meer gevallen waarbij je bedenkingen hebt?
A: [slachtoffer 1] heeft al eens een afdruk op haar linkerwang gehad. [verdachte] had gezegd dat dat kwam, omdat [slachtoffer 1] tegen de kachelknop was gevallen. Daar heeft oma een foto van gemaakt op 15 januari 2021.
9. Proces-verbaal van de politie, verklaring van [aangeefster 1]
V: Hoe komt ze aan het letsel aan haar wang op 15 januari 2021?
A: [verdachte] was in mijn oude huis. We waren bij de wc en hij wilde haar op time-out zetten. Hij had haar bij haar arm gepakt en toen liep hij met haar die kamer in en kreeg ik de deur in mijn gezicht. Toen hoorde ik haar huilen en kwam ze de kamer uit met een
bijtplek op haar wang. Hij liep erachteraan en zei tegen haar: Wat heb je nou weer gedaan? Wat is dat nu weer voor plek? Tegen mij zei hij dat hij niet wist wat mijn kind nou weer had gedaan. Ik zag die plek en dacht dat het een bijtplek was. Toen vroeg [verdachte] aan [slachtoffer 1] wat er gebeurd was. Hij zei: “het was de kachelknop toch?”. En toen zei [slachtoffer 1] : “ja”.
10. Proces-verbaal van de politie, aanvullende verklaring van [aangeefster 1]
In jouw verklaring vertelde je over een incident dat rond 15 januari 2021 had plaatsgevonden. Je vertelde dat [slachtoffer 1] een afdruk op haar linkerwang had gehad en dat [verdachte] daarover had gezegd dat [slachtoffer 1] tegen de kachelknop was gevallen. Oma zou hier een foto van hebben gemaakt op 15 januari 2021. Tijdens het verhoor heeft [verdachte] hierover het volgende verklaard:
“Dat was bij haar zelf thuis. Toen gingen we die kamer veranderen. Dat was [slachtoffer 2] haar huidige slaapkamer en dat gingen we veranderen. Toen is ze tegen de verwarming aangevallen. Er zat geen draaiknop op de verwarming. Die moest nog gemaakt worden.”
Verder heeft [verdachte] verklaard dat jij erbij bent geweest toen dit gebeurde. Wat kun jij hierover verklaren?
- [slachtoffer 1] heeft dat zelf ook gezegd dat ze was gevallen. Ik kan zijn verklaring tegenspreken en dat bewijzen. Ik woonde toen in de woning aan [adres 2] en dat was een woning van [stichting] . Wij mochten niets verbouwen aan die woning en er zaten knoppen op die verwarming, al vanaf het begin. In mijn google foto's kun je zien hoe die woning was toen ik het kreeg en hoe ik het had ingericht.
Hij was wel bij mij thuis aan het slapen en in de ochtend hadden we [slachtoffer 1] op de wc gezet om te plassen. Hij pakte haar aan haar arm, nam haar mee de slaapkamer in, hij gooide de deur dicht en ik hoorde haar krijsen. Hij wilde haar zogenaamd op time-out zetten. Hij gooide meteen de deur weer open en zei: "Ik weet niet wat ze heeft gedaan maar ze heeft een plek op haar wang”.
Achteraf denk ik dat het gewoon een dikke vette bijtplek was.
11. Proces-verbaal van de politieEen uitdraai van het volledige WhatsApp gesprek tussen aangeefster en het contact genaamd “ [verdachte] ” van de datum 11 februari 2021 wordt als bijlage bij dit proces-verbaal toegevoegd.
Bijlage
12. Proces-verbaal van de politieDe voor het onderzoek relevante passages uit de WhatsAppcommunicatie tussen aangeefster en de verdachte worden als bijlage bij dit proces-verbaal toegevoegd.
Bijlage:
10-12-2020 15:26 - [verdachte] : Heb liever dat jullie bij me komen
10-12-2020 15:26 - [verdachte] : Ja na gister wil ik dat jullie hier zijn
10-12-2020 16:10 - [verdachte] : Ik moet wel eerlijk zijn ik heb niet veel spullen in me huis en ik lig tijdelijk op me matras
10-12-2020 16:11- [verdachte] : Hoop dat je het niet erg vindt
10-12-2020 17:10 - [slachtoffer 2] : Heb je wel iets waar zij mee kan spelen?
10-12-2020 17:10- [slachtoffer 2] : Anders neem k wel iets mee ook haha
10-12-202017:16- [verdachte] : Nee schat
10-12-2020 18:08 - [verdachte] : [adres 3] [postcode 2] [plaats] Nederland
10-12-2020 18:17 - [slachtoffer 2] : Haha hopelijk is t makkelijk te vinden vanaf [plaats] centrum
13. Proces-verbaal van de politieMet de getuige [getuige 1] was tijdens het verhoor afgesproken dat hij een WhatsAppgesprek dat hij had gehad met de verdachte, mij zou doen toekomen middels een bericht via e-mail.
Bijlage:
14. Proces-verbaal van de politieOp 2 september 2021 werd de medische informatie ontvangen van forensisch arts [arts 1] betreffende een consult van [slachtoffer 1] Verdoorn bij de huisarts op 19 april 2021. De medische informatie / letselbeschrijving is als bijlage bij dit proces-verbaal toegevoegd.
Bijlage:
Medische informatie/letselbeschrijving betreffende [slachtoffer 1] .
Vermelde gegevens: informatie ontvangen van de huisarts betreffende consult aldaar op 19 april 2021.
Objectieve bevindingen: muntgrote bloeduitstorting op voorhoofd. Klein schaafwondje rechter oor. Minimale afdruk hand op rug.
Geschatte genezingsduur: bij ongecompliceerd beloop +/- 2 weken.
15. Deskundigenverslag
Beoordeling foto’s van telefoon moeder door ondergetekende
Afbeelding 7, op basis van proces verbaal [proces-verbaalnummer 1] genomen op 15 januari 2021: Op de linker wang is een ronde rood/blauwe huidverkleuring zichtbaar die de wang bijna in zijn geheel bedekt. Aan de rand van deze huidafwijking zijn enkele donkere rood/paarse verkleuringen zichtbaar lopend in een halve maanvorm en met onderbrekingen in deze boog. Het geheel wordt getypeerd als een onderhuidse bloeduitstorting mogelijk met een patroon.
5. In de verklaringen werden de volgende toedrachten als (mogelijke) oorzaak van enkele vastgelegde bevindingen genoemd: Wat is de waarschijnlijkheid van deze bevindingen bij weging van de volgende hypothesen?
c) Huidverkleuringen linkerwang, vastgelegd door moeder op 15 januari 2021 volgens proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1]
H1: Val tegen "kachelknop"H2: Toegebracht (bijtwond)
Op 15 januari 2021 is door moeder een foto gemaakt van de linker wang van [slachtoffer 1] (afbeelding 7). Hierop is een onderhuidse bloeduitstorting te zien die de wang voor een groot deel bedekt. Aan de rand van de bloeduitstorting is mogelijk een patroon tezien, wat suggestief is voor een bijtverwonding. Een bijtverwonding is per definitie toegebracht. De onderhuidse bloeduitstorting op de linker wang is het gevolg van een directe krachtsinwerking. Dit kan in een accidenteel kader door een val tegen een object, zoals een kachelknop.De likelihood ratio voor een onderhuidse bloeduitstorting op de wang is 3,6 en wordt dus 3,6 keer vaker gezien bij kinderen met toegebracht letsel dan bij kinderen met accidenteel letsel en is daarmee iets waarschijnlijker onder de hypothese toegebracht (H2, al dan niet door bijten) dan onder de hypothese val tegen kachelknop (H1).
Feit 4 (poging zware mishandeling [slachtoffer 3] )
16. Verklaring van de verdachte
Ik heb [slachtoffer 3] bij haar kraag vastgepakt en haar met kracht een klap gegeven terwijl ik op haar lag. Ik heb mijn spullen gepakt, want ik wilde naar mijn eigen woning. Voor mij was de relatie voorbij.
17. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de verdachte
Ik heb [slachtoffer 3] wel drie keer met mijn vlakke hand op haar gezicht geslagen.
18. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de aangeefster [aangeefster 2]
Plaats delict: [plaats] binnen de [gemeente]
Pleegdatum: 6 maart 2022
Ik heb door de mishandeling pijn ervaren en ik heb door de mishandeling letsel opgelopen.
[verdachte] en ik hebben ongeveer een jaar een relatie. [verdachte] woont al sinds september 2021 bij mij. Wij waren van plan om zijn woning op te zeggen en hadden zelfs al plannen om binnenkort te gaan trouwen samen.
Ik stond op 6 maart 2022 samen met [verdachte] in de gang van mijn huis. Ik voelde dat hij mij met twee handen bij mijn kraag vastpakte. Ik voelde dat hij mij met twee handen aan mijn kraag van de grond optilde. Ik kwam los van de grond. Ik voelde dat hij mij met een forse duw tegen de trap aan duwde terwijl hij mij nog steeds bij mijn kraag vasthield. Toen ik tegen de trap geduwd werd, voelde ik een pijn in mijn rug en mijn hoofd. [verdachte] had mij nog steeds vast bij mijn kraag en duwde mij hard tegen mijn hals, hierdoor kreeg ik geen lucht. Ik zag dat [verdachte] boven mij stond en ik voelde dat hij met twee handen met forse kracht op mijn hals duwde, ik kreeg nauwelijks lucht. Ik kreeg nog wel genoeg lucht om te smeken of hij wilde stoppen. Ik denk dat het zeker wel vijf minuten duurde dat hij mijn hals dichtkneep en mij op de trap vasthield.
Op een gegeven moment stopte hij en liet hij mij los. Ik zag dat hij naar mij toe liep en met twee handen richting mijn hals greep. Ik voelde dat hij mij met twee handen tegen mijn hals richting de gang duwde. Doordat hij met twee handen tegen mijn hals duwde viel ik achterover en viel ik met mijn achterhoofd op de trap. Ik stuiterde vervolgens van de trap af en viel met mijn hele lichaam op de grond. Ik lag op mijn rug en voelde direct dat [verdachte] met twee handen mijn keel dicht kneep. Ik voelde dat hij met zijn hele gewicht boven mij hing. Ik zag dat hij met twee knieën op de grond zat en met zijn twee handen met volle kracht mijn keel dicht kneep. Het ging allemaal zo snel dat ik de pijn van de val niet eens voelde omdat ik gelijk voelde dat ik stikte. Ik denk dat hij ongeveer één à twee minuten mijn keel dicht kneep.
Na ongeveer twee minuten ging [verdachte] van mij af en moest ik flink naar adem happen. Ik probeerde de deur te openen en op dat moment voelde ik dat [verdachte] mij van achteren met twee handen vastpakte. Ik voelde dat hij mij optilde en de woonkamer ingooide. Doordat hij mij de woonkamer in gooide viel ik wederom op mijn achterhoofd en rug. Ik voelde meteen dat hij weer op de zelfde manier boven op mij zat. Ik voelde dat hij mij wederom met twee handen bij mijn keel vastpakte en mijn keel dicht kneep. Ik denk dat dit wederom één à twee minuten geduurd heeft. Ik kreeg op dat moment weer geen lucht en kon niet los komen. Ik kon geen ademhalen en dacht echt dat ik dood ging. Doordat [verdachte] mijn keel nog steeds dicht kneep, voelde ik mij enorm duizelig. Ik had het gevoel dat ik ieder moment flauw zou vallen. Op een gegeven moment voelde ik dat hij mij losliet. Op dat moment moest ik weer naar adem happen. Ik had tijdens het moment dat hij mijn keel dicht kneep mijn ogen dicht gehad. Op het moment dat ik voelde dat ik weer wat lucht binnen kreeg, deed ik mijn ogen open en zag ik dat [verdachte] met een rechtervuist mij op mijn linker kant van mijn gezicht sloeg. Ik voelde een enorme pijn en ik was door de klap enorm duizelig. Ik voelde vervolgens een tweede klap op mijn rechterkant van mijn gezicht. Ik voelde wederom een harde pijn en voelde mij weer duizelig. Ik voelde kort daarna een derde klap. Ik voelde dat [verdachte] met een vuist mij op mijn linkerkant van mijn gezicht sloeg. Ik voelde weer een enorme pijn en was door de klappen weer duizelig.
Ik rende tot ik niet meer kon, ik begon te hyperventileren en heb al rennend 112 gebeld. Toen ik op de grond zat, voelde de pijn in mijn gezicht op komen. Ik voelde dat ik een dik oog had en alsof het klopte. Ik voelde dat mijn linkerwang dik was en ik voelde dat het bonsde. De pijn in mijn keel overheerste de rest van de pijn. Ik had het gevoel dat er nog steeds handen omheen zaten, ik kon niet slikken en ik voelde dat dit enorm pijn deed. Ik voelde dat mijn hoofd bonsde en pijn deed.
Fotobijlage
Foto 1: letsel op het gezicht.
Foto 2: letsel linkerzijde gezicht: rode opgezette wang en dik rood linker ooglid.
Foto 3: letsel linker zijde hals.
19. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de getuige [getuige 2]
V: U zou het volgende hebben verklaard:
“Ik ben naar [straat] gereden. Ik bonkte en belde aan bij de woning van [slachtoffer 3] . Ik zag dat [slachtoffer 3] helemaal overstuur was. Ze riep dat we alsjeblieft weg moesten gaan. We zijn gaan rennen, niet wetende waar naartoe. [slachtoffer 3] was heel erg aan het huilen. Ik heb haar nog nooit zo gezien. Ze hapte steeds naar adem en moest hoesten/kuchen. Ze wilde maar door blijven rennen terwijl ze geen adem had.”
A: Ja, dat klopt. Nu, naderhand wordt het letsel ook veel groter, ze heeft bloeduitstortingen in haar nek staan.
V: Heeft u letsel gezien bij [slachtoffer 3] ?
A: Toen ik daar was, zag ik dit niet. Vooral omdat wij aan het rennen waren. Op het bureau zag ik het letsel wat haar was aangedaan. Haar wang was heel dik, haar
oog was blauw, bloeduitstortingen in haar nek, er stonden echt vingers in haar nek.
En de mentale schade natuurlijk, de angst.
20. Proces-verbaal van de politie
Wij hoorden op 6 maart 2022 dat collega's naar het Duinrietgras te [plaats] werden gestuurd. Wij hoorden dat de meldster door haar vriend zou zijn gewurgd. Hierop zijn wij ter plaatse gegaan.
Wij zagen dat [slachtoffer 3] diverse striemen in haar nek had. Wij zagen dat de/het linker
wang/jukbeen dik en rood was.
21. Proces-verbaal van de politie
Op 7 maart 2022 heeft aangeefster [aangeefster 2] zich door haar huisarts laten nakijken. De uitslag van het onderzoek is bij dit proces-verbaal van bevindingen bijgevoegd.
Bijlage:
[arts 2] , huisarts
7-3-2022
Patiënt gegevens: [aangeefster 2]
Waarneming: Collapsgevoel- benauwd-, blauw en gezwollen oog, slaap en wang gezwollen. Meeste pijn bij de slaap, daar zwaar gevoel in het hoofd. Misselijk vannacht, nu afgezakt.
Hematomen in hals. Hoofdpijn.
Feit 5 (poging zware mishandeling [slachtoffer 4] )
22. Verklaring van de verdachte
Wij hadden op 25 december 2024 bijna drie jaar een relatie. Ik heb een vuistslag gegeven terwijl ik haar vasthield. Het klopt dat de aangeefster is gevallen.
23. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de aangeefster [aangeefster 3]
Plaats delict: [plaats] , binnen de [gemeente] .
Pleegdatum: 25 december 2024.
Ik doe aangifte van mishandeling gepleegd door mijn vriend, genaamd [verdachte] . Ik heb bijna 3 jaar een relatie met [verdachte] .
Op 25 december 2024 omstreeks 09.00 uur stond ik met mijn twee kinderen in de gang van de woning van [verdachte] . Ik zag en voelde dat [verdachte] mij bij mijn jas stevig vasthield.
Ik zag en voelde dat [verdachte] mijn hoofd vasthield en naar achteren duwde. Ik zag en voelde dat [verdachte] met zijn andere hand mijn jas nog vasthield. Ik zag dat [verdachte] zijn mond opendeed en dat ik door [verdachte] werd gebeten in mijn linkerwang. Ik ben ten val gekomen. Ik zag en voelde dat ik met grof geweld een harde vuistslag op mijn rechter junkbeen kreeg. Ik lag toen nog op de grond. Ik voelde gelijk een hevige pijn in mijn gezicht. Ik voelde bloed stromen over mijn gezicht en ik had een bloedneus.
Door de mishandeling heb ik letsel op mijn linkerwang en letsel aan mijn rechter jukbeen. Ik heb blauwe plekken in mijn gezicht. Ik heb last van een tranend oog en ik zie wazig.
24. Proces-verbaal van de politie
Op 25 december 2024, omstreeks 12:40 uur, spraken wij met [aangeefster 3] . Wij zagen dat [aangeefster 3] op haar linkerwang een grote rode plek had en kleine bloedende wondjes had. Wij zagen dat het rechter oog van [aangeefster 3] paars en opgezwollen was en onder dit oog een bloedende snee zat.
25. Schriftelijk stuk
Bijlage 3:
Huisartsenposten [locatie]
25-12-2024
Patiënt: [aangeefster 3]
S) is vanochtend mishandeld door partner.
O) Rond rechter oog hematoom, gezwollen. Bijtwond linker wang, gesloten.
Bijlage 4:
[arts 2] , arts.
[aangeefster 3] .
27-12-2024:
S li schouderpijn na mishandeling, zij is op de li schouder gevallen
O pijnlijk li schouder, pijnlijk en beperkt abductie
20-1-2025:
S na mishandeling eerste kerstdag, nog blauwig en harde plek onder oog, thv rechter sinus maxilaris, verder heeft zij last van gevoelige neus, bij aanraak en smeren doet het pijn
O gering zwelling thv rechter sinus maxillaris en bij de orbita rand, neus gevoelig
Bijlage 5:
Medische gegevens [aangeefster 3] .
Datum: 22-1-2025
Correspondent: [persoon A] .
Bovengenoemde patiënte had op 22 januari 2025 een afsprak op de polikliniek KNO. Conclusie: contusie orbita rechts.
Dossiersamenvatting:
Anamnese: vuistslag van partner onder het oog. Gelijk een bloedneus en blauw oog, verkleuring zit er na 5 weken nog steeds. Nu vooral nog pijnklachten.
Lichamelijk onderzoek: onder rechter oog licht blauwige verkleuring van de huid. Pijnlijke verdikking t.p.v. orbitarand.
Bewijsmotivering en vrijspraak feit 2
Feiten 1 en 2 – (poging tot zware) mishandeling [slachtoffer 1]
Standpunt officier van justitie
De onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten kunnen wettig en overtuigend worden bewezen. Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling geldt dat een bewezenverklaring kan worden gebaseerd op het geconstateerde letsel bij [slachtoffer 1] , de aangifte waaruit blijkt dat [slachtoffer 1] tegen haar moeder heeft verteld dat de verdachte haar aan haar been vasthield en met haar been heen en weer zwaaide waardoor zij met haar hoofd tegen de tafel aan kwam. [slachtoffer 1] heeft dit ook met een knuffel voorgedaan aan de getuige [getuige 3] .
Standpunt verdediging
De verdachte dient ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde dient de verdachte partieel te worden vrijgesproken.
De verdachte erkent eind april 2021 klappen te hebben uitgedeeld en twee corrigerende klappen op de hand van [slachtoffer 1] te hebben gegeven. De verdachte kan echter niet aangemerkt worden als de pleger van ander geweld tegen haar. Onduidelijk is wanneer en hoe de letsels zijn ontstaan. Daarnaast heeft de verdachte een evident alternatief scenario geschetst. Nu er te veel onduidelijkheid bestaat, dient de verdachte te worden vrijgesproken.
Beoordeling rechtbank
Aan de hand van de diverse bij [slachtoffer 1] vastgestelde letsels kan de volgende tijdlijn worden gedestilleerd over de ten laste gelegde feiten 1 en 2.
Op 27 december 2020: onderhuidse bloeduitstortingen met oppervlakkige schaafwond rond linker oog en op de linker wang.
Op 11 januari 2021: bloeduitstorting linker oorschelp met oppervlakkige huidbeschadiging.
Op 15 januari 2021: onderhuidse bloeduitstorting met mogelijk patroon linker wang.
Op 11 februari 2021: breuk in linker dijbeen, wat bloed aan de binnenzijde van de lip en bloedend tandvlees, een schaafwond en een bult op het voorhoofd rechts en een schaafwond op de kin.
Op 2 april 2021: onderhuidse bloeduitstorting met patroon en twee oppervlakkige huidbeschadigingen rechter wang.
Op 16 april 2021:
- onderhuidse bloeduitstorting met mogelijk patroon op de onderrug;
- onderhuidse bloeduitstorting bij rechter oor;
- onderhuidse bloeduitstorting met oppervlakkige huidbeschadiging bij rechter slaap;
- onderhuidse bloeduitstorting rechter wang.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer 1] , die hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, gedurende de ten laste gelegde periode in de wang heeft gebeten en meerdere keren met de platte hand heeft geslagen.
De verdachte en [slachtoffer 1] leefden weliswaar niet permanent samen maar uit de diverse WhatsAppgesprekken die zich in het dossier bevinden blijkt dat hij wel degelijk een grote rol in haar leven vervulde. Zo kookte hij eten en kocht hij kleding voor [slachtoffer 1] . Ook noemde hij zichzelf een “papa” voor [slachtoffer 1] en gaf hij aan de biologische vader van [slachtoffer 1] te kennen dat hij meer voor [slachtoffer 1] zorgde dan haar eigen vader, haar zindelijk maakte, en medicijnen voor haar kocht. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de verdachte [slachtoffer 1] verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het op 15 januari 2021 toegepaste geweld als volgt. De aangeefster heeft over dit incident verklaard dat de verdachte [slachtoffer 1] meenam naar de slaapkamer en de deur dichtgooide, en dat de aangeefster [slachtoffer 1] hoorde krijsen. Daarna gooide de verdachte de deur weer open en zei dat hij niet wist wat [slachtoffer 1] had gedaan maar een plek op haar wang had.
De verdachte heeft over dit incident wisselend en inconsequent verklaard. In zijn verhoor op 7 juli 2021 verklaarde hij dat [slachtoffer 1] tegen de knop van de verwarming aan was gevallen. De aangeefster was hier volgens de verdachte bij aanwezig.
In zijn verhoor op 13 oktober 2021 heeft de verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 1] op bed in de kamer had gezet omdat zij stout was, en dat hij samen met de aangeefster op de gang aan het roken was en dat zij toen ineens [slachtoffer 1] hoorden huilen.
Mede gezien de tegenstrijdige verklaringen van de verdachte gaat de rechtbank uit van de lezing van de aangeefster, namelijk dat het letsel aan de wang van [slachtoffer 1] is ontstaan zonder dat haar moeder daarbij aanwezig was. In combinatie met de aard van het letsel acht de rechtbank bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1] op 15 januari 2021 in haar wang heeft gebeten.
Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor andere geweldshandelingen van de verdachte jegens [slachtoffer 1] . De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Op 27 december 2020 is [slachtoffer 1] volgens de lezing van de verdachte van de bank gevallen. Er wordt letsel bij haar oog geconstateerd waarvan zich foto’s in het dossier bevinden. De deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) concludeert dat de letsels - onderhuidse bloeduitstortingen met oppervlakkige schaafwond rond het linker oog en op de linker wang - iets waarschijnlijker zijn onder de hypothese toegebracht dan onder de hypothese val van de bank.
Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende duidelijk omtrent de toedracht van het letsel om buiten gerede twijfel vast te stellen dat de verdachte het geconstateerde letsel aan [slachtoffer 1] heeft toegebracht. De verdachte wordt van deze geweldshandeling vrijgesproken.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het op 11 januari 2021 geconstateerde letsel als volgt. De aangeefster heeft verklaard dat zij wakker werd en dat [slachtoffer 1] naast haar lag met bloed aan haar oor en haren. De aangeefster heeft de betreffende nacht niets gehoord. In de woonkamer lag een tandje en nageltje van de kitten van de verdachte. Volgens de verdachte had [slachtoffer 1] de kitten in de nacht aangevallen. Later vertelde [slachtoffer 1] desgevraagd dat de verdachte haar en de kat pijn had gedaan, aldus de aangeefster. [slachtoffer 1] heeft volgens aangeefster verteld dat de verdachte in haar oor had gebeten. De deskundige van het NFI typeert het op de foto zichtbare letsel onder meer als een uitgebreide onderhuidse bloeduitstorting van de oorschelp en concludeert dat het othematoom van het linkeroor iets waarschijnlijker is onder de hypothese toegebracht door een ander (bijvoorbeeld door bijten) dan onder de hypothese accidentele krachtsinwerking. De hypothese dat het gehele letsel (othematoom en oppervlakkige huisbeschadigingen) is toegebracht door de kitten is volgens de deskundige zeer onaannemelijk.
De rechtbank is van oordeel dat het weliswaar hoogst onaannemelijk is dat het bij [slachtoffer 1] geconstateerde letsel is ontstaan door een nachtelijke vechtpartij met een kitten, maar dat op basis van voornoemde feiten en omstandigheden ook niet zonder twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte dit letsel heeft toegebracht. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van deze geweldshandeling. De verdachte heeft wel verklaard dat hij [slachtoffer 1] naar aanleiding van dit incident een klap op haar hand heeft gegeven. Daarom is wel bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1] tegen het lichaam heeft geslagen.
Op 11 februari 2021 is [slachtoffer 1] volgens de lezing van de verdachte buiten op het ijs gevallen ten gevolge waarvan zij een breuk in haar linkerdijbeen heeft opgelopen. Ook heeft zij haar teen gestoten tegen de drempel in de woonkamer, aldus de verdachte. Bij [slachtoffer 1] is naast de beenbreuk tevens wat bloed aan de binnenzijde van de lip en bloedend tandvlees, een schaafwond, een bult op het voorhoofd en een schaafwond op de kin geconstateerd. [slachtoffer 1] heeft volgens haar moeder en de getuige [getuige 3] zelf verklaard en met een knuffel voorgedaan, dat de verdachte haar in haar teen heeft gebeten (ten laste gelegd onder feit 1) en dat de verdachte haar bij haar been heeft vastgepakt en heen en weer heeft gezwaaid ten gevolge waarvan zij met haar hoofd tegen de tafel aan is gekomen (ten laste gelegd onder feit 2).
Volgens de aangeefster was de verdachte - anders dan de verdachte heeft verklaard - ten tijde van het ontstaan van de botbreuk alleen met [slachtoffer 1] . De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door Whatsappberichten en door zendmastgegevens waaruit blijkt dat de aangeefster zich gedurende de betreffende middag elders bevond. Van het opgelopen letsel aan de teen bevinden zich geen foto’s in het dossier.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van voornoemde feiten en omstandigheden enkel kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] in de aanwezigheid van de verdachte een botbreuk heeft opgelopen. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de onder 2 ten laste gelegde handelingen - te weten het been van [slachtoffer 1] vast pakken, haar ondersteboven houden en heen en weer schudden waardoor zij met haar hoofd tegen een tafel aan is gekomen - heeft verricht. Bij gebrek aan bewijs wordt de verdachte daarom vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer 1] in haar teen heeft gebeten. De de-auditu-verklaringen van [slachtoffer 1] aan haar moeder en aan de getuige [getuige 3] zijn zonder steunbewijs onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. De verdachte wordt ook van deze geweldshandeling, ten laste gelegd onder feit 1, vrijgesproken.
In het dossier bevindt zich een foto van 2 april 2021 waarop plekjes in het gezicht van [slachtoffer 1] zijn te zien. Volgens de aangeefster leken deze plekjes op bijtplekjes en heeft de biologische vader van [slachtoffer 1] bij het zien van deze plekjes gevraagd wie zijn kind had gebeten. Het NFI beschrijft deze plekjes als onderhuidse bloeduitstortingen met patroon op de rechter wang en concludeert dat dit patroon zou kunnen passen bij een bijtverwonding. De aangeefster en de verdachte hebben geen verklaring afgelegd over de toedracht van dit letsel.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het voorgaande niet zonder meer kan worden vastgesteld dat het letsel een bijtverwonding betreft en dat de verdachte dit heeft toegebracht. In tegenstelling tot de officier van justitie, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om schakelbewijs toe te passen. De verdachte wordt van deze geweldshandeling vrijgesproken.
Feit 4 - poging zware mishandeling [slachtoffer 3]
Standpunt verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdachte ontkent stellig dat hij de aangeefster heeft gewurgd en haar van de trap heeft geduwd. De aangeefster heeft verklaard dat er tegen haar hals is geduwd, hetgeen niet hetzelfde is als het dichtknijpen van de keel. Voorts heeft zij verklaard dat zij in staat was om de verdachte te smeken om te stoppen. Indien de verdachte twee minuten lang met volle kracht de keel van de aangeefster had dichtgeknepen, zoals de aangeefster heeft verklaard over het tweede fase van het geweldincident, dan was dat niet mogelijk geweest en was het waargenomen letsel ernstiger geweest. Ook voor de val van de trap op het achterhoofd is geen (passend) letsel waarneembaar. Een FARR-rapport ter onderbouwing ontbreekt. Daarnaast was de aangeefster onder invloed, hetgeen afbreuk kan doen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster. De getuige [getuige 2] heeft het incident niet zelf waargenomen. Haar verklaring levert daarom geen rechtstreeks bewijs op voor hetgeen zich tijdens het incident heeft afgespeeld. De verdachte heeft een alternatieve verklaring gegeven voor een aantal van de letsels.
Oordeel rechtbank
Op basis van de inhoud van de voornoemde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de verdachte onder meer tot drie keer toe met twee handen de hals van de aangeefster enige tijd met kracht heeft dichtgeknepen waardoor zij tijdelijk nauwelijks tot geen adem kon halen. De verklaring van de aangeefster vindt steun in de geconstateerde letsels en de verklaring van getuige [getuige 2] dat aangeefster steeds naar adem hapte en moest hoesten en kuchen.
Omdat enige objectieve informatie over de exacte duur en intensiteit van het dichtknijpen en de ernst van het toegebrachte letsel ontbreekt, kan - in tegenstelling tot hetgeen waartoe de officier van justitie heeft gerekwireerd - niet worden vastgesteld dat als gevolg van dit handelen mogelijk de dood zou intreden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte zich door aldus te handelen wel schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [aangeefster 2] . Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de hals en de zich daarbinnen bevindende luchtweg en slagaders een kwetsbaar onderdeel van het lichaam zijn en het dichtknijpen van de keel makkelijk zuurstofgebrek en een hersenbeschadiging tot gevolg kan hebben. De verdachte heeft hiermee de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij bij [aangeefster 2] dergelijk zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken. De primair impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling is wettig en overtuigend bewezen.
Feit 5 - poging zware mishandeling [slachtoffer 4]
Standpunt verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De vereiste opzet op zwaar lichamelijk letsel – al dan niet in voorwaardelijke zin – ontbreekt. De medische bevindingen kunnen de kwalificatie van poging tot zware mishandeling niet dragen.
Oordeel rechtbank
Op basis van de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de verdachte [aangeefster 3] in het gezicht heeft gebeten en haar heeft gestompt. De verklaring van de aangeefster vindt steun in de geconstateerde letsels.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte zich door aldus te handelen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [aangeefster 3] . Het bijten in het gezicht is naar uiterlijke verschijningsvorm in zodanige mate gericht op en geschikt voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat sprake is van een poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het is algemeen bekend dat menselijke bijtwonden een groot risico op infectiegevaar met zich meebrengen. De verdachte heeft met zijn handelen de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij bij [aangeefster 3] littekens en daarmee blijvende ontsiering in het gezicht zou veroorzaken. De primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling is wettig en overtuigend bewezen.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
parketnummer 10-177622-21
1. hij op meerdere tijdtippen in de periode van 1 december 2020 tot enmet 16 april 2021 in Nederland,meermalen een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin [slachtoffer 1] ,heeft mishandeld door- die [slachtoffer 1] tegen het lichaam en/of het hoofd en/of in het gezicht te slaan en te bijten;3.hij op 8 juni 2021 te [plaats] , [gemeente] , van een persoon, [slachtoffer 2] ,een afbeelding van seksuele aard, te wetenfoto's en een video waarop te zien is dat hij, verdachte seksuele handelingen verricht met genoemde Verdoorn,openbaar heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat die openbaarmaking voor die persoon nadelig kon zijn;
parketnummer 10-058145-22
4.
primair hij op 6 maart 2022 te [plaats] , [gemeente]ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omzijn levensgezel [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,(meermalen) (met kracht)- die [slachtoffer 3] tegen een trap heeft geduwd en - tegen/op de hals van die [slachtoffer 3] heeft geduwd,o waardoor zij geen adem kon halen en/of achterover viel en o terwijl zij tegen de trap en/of op de grond lag en o terwijl hij boven haar hing - de hals/keel van die [slachtoffer 3] heeft dichtgeknepen en dicht (geknepen) gehouden, waardoor die [slachtoffer 3] geen adem kon halen en - die [slachtoffer 3] tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor zij viel en - in het gezicht van die [slachtoffer 3] heeft gestompt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
parketnummer 10-001242-25
5.
primair hij op 25 december 2024 te [plaats] , [gemeente]ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer 4]opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen- in haar gezicht heeft gebeten en - in haar gezicht heeft gestompt (nadat ze op de grond terecht was gekomen),terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1: mishandeling, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd,
feit 3: openbaar maken van een afbeelding van seksuele aard van een persoon, terwijl hij weet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn,
feit 4: poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel,
feit 5 poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf en maatregelen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet primair worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 113 dagen, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis. Daarnaast moet aan de verdachte de ongemaximeerde TBS-maatregel worden opgelegd met voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd, met als aanvulling een contactverbod met de biologische vader van [slachtoffer 1] , te weten [getuige 1] . De maatregel moet dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Subsidiair vordert de officier van justitie een gevangenisstraf van 14 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met voornoemde bijzondere voorwaarden en dadelijk uitvoerbaar.
In beide gevallen moet de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd voor de duur van 5 jaar, inhoudende een contactverbod met de aangeefsters [aangeefster 2] en [aangeefster 3] en een locatieverbod ten aanzien van de locaties die de aangeefster [aangeefster 3] heeft opgegeven bij haar vordering als benadeelde partij, met per overtreding een hechtenis van twee weken en een maximum van zes maanden. Ook deze maatregel moet dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Tot slot moet in beide gevallen de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat volstaan dient te worden met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur gelijk aan het reeds ondergane voorarrest, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden zoals de officier van justitie heeft gevorderd, met uitzondering van de bijzondere voorwaarde die ziet op begeleid wonen of maatschappelijke opvang.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan de mishandeling van de destijds net driejarige [slachtoffer 1] , de dochter van zijn vriendin, die hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin. De verdachte heeft tegen haar lichaam en hoofd geslagen en haar gebeten.
Kindermishandeling is een bijzonder ernstig en volstrekt verwerpelijk vergrijp. De verdachte heeft door zijn handelen een zware inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van het kind. Kinderen behoren door hun (mede)opvoeders beschermd te worden en in een veilige omgeving op te groeien. Zij zijn afhankelijk van hun (mede)opvoeders en hebben niet de feitelijke mogelijkheid zich aan mishandelingen te onttrekken. Aan het slachtoffer is door het handelen van de verdachte haar gevoel van veiligheid ontnomen, onder meer in haar eigen woning en binnen haar gezinssituatie. Niet is uit te sluiten dat het slachtoffer zowel op korte als op lange termijn nadelige gevolgen van het handelen van de verdachte in haar persoonlijke leven zal ondervinden. Uit de namens de moeder van het slachtoffer voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring blijkt ook dat het slachtoffer door het handelen van de verdachte kampt met veel woede, angst en verdriet.
Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het verspreiden van wraakporno door seksuele afbeeldingen en een filmpje van zijn ex-vriendin te versturen naar de ex-vriend van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat het delen van gegevens in een online omgeving het risico met zich meebrengt dat informatie een lange tijd, of zelfs altijd, beschikbaar blijft. De verdachte heeft bovendien de goede naam van het slachtoffer aangetast. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat het handelen van de verdachte een grote impact heeft op het leven en het welzijn van het slachtoffer.
Daarnaast heeft de verdachte gepoogd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen bij twee voormalige liefdespartners.
Hij heeft het slachtoffer [slachtoffer 3] in haar eigen woning meerdere malen geduwd, haar hals dichtgeknepen waardoor zij geen adem kon halen en in het gezicht gestompt. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel opgelopen en is - begrijpelijkerwijs - zeer angstig geworden, zoals duidelijk blijkt uit haar schriftelijke slachtofferverklaring.
De verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer 4] in haar gezicht gebeten en tegen het hoofd gestompt. Dit geweld vond plaats in de woning van de verdachte waar het slachtoffer op dat moment met haar twee kinderen verbleef. Ook het slachtoffer [slachtoffer 4] heeft letsel opgelopen als gevolg van het handelen van de verdachte en is zeer angstig geworden, zoals duidelijk blijkt uit haar schriftelijke slachtofferverklaring.
Door aldus te handelen heeft de verdachte een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Een woning - en zeker een eigen woning - hoort een veilige, vertrouwde omgeving te zijn waar geen plaats is voor geweld. De verdachte heeft daarmee diepe inbreuken gemaakt op de veiligheidsgevoelens van zijn slachtoffers. De rechtbank rekent de verdachte dit alles zwaar aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 28 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet recentelijk onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapporten van deskundigen en de reclassering en de verklaring van de
reclasseringsmedewerker op de zitting
In het rapport van de psychiater [psychiater] van 12 november 2025 staat onder meer het volgende.
Bij de verdachte is sprake van een licht verstandelijke beperking en een matige stoornis in het gebruik van cannabis in remissie. Dat was ook zo ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. In ieder geval beïnvloedde de licht verstandelijke beperking de gedragskeuzes c.q. gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. De verdachte is door zijn licht verstandelijke beperking niet goed in staat is om naar zichzelf te kijken en zijn eigen aandeel in het ontstaan van relationele conflicten te zien omdat hij snel externaliseert en hij een beperkte controle over zijn gedrag heeft. Er kan vanwege zijn ontkenning en het ontbreken van een duidelijk delictscenario geen uitspraak worden gedaan over een eventuele vermindering van toerekening van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Geadviseerd wordt om de andere ten laste gelegde feiten in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen vanwege de doorwerking van zijn licht verstandelijke beperking.
Uit het gestructureerde risico prognose instrument HKT-R en de klinische beoordeling blijkt dat de verdachte een laag risico heeft op recidive van geweld in algemene zin, maar een matig tot hoog risico op recidive van relationeel geweld.
Geadviseerd wordt om de verdachte een ambulante behandeling op te leggen in het kader van een TBS met voorwaarden bij een forensische instelling met expertise op het gebied van een licht verstandelijke beperking. Deze therapie moet zich richten op relationele vaardigheden bijvoorbeeld door middel van Psycho Motore Therapie, het verminderen van zijn achterdocht en agressie regulatie therapie.
De psychiater heeft verschillende malen overlegd met de mederapporteur in deze zaak, psycholoog [psycholoog] . De mederapporteur heeft naast een licht verstandelijke beperking een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline kenmerken vastgesteld. De psychiater komt niet tot het vaststellen van een persoonlijkheidsstoornis omdat de verdachte op andere gebieden dan relaties redelijk goed functioneert (zeker gelet op zijn licht verstandelijke beperking). Wel ziet de psychiater dat er antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken zijn bij de verdachte. Er is wel overeenstemming over het advies voor een ambulante behandeling in het kader van een TBS met voorwaarden.
In het aanvullende rapport van Reclassering Nederland van 3 september 2026 staat onder meer het volgende.
De intrinsieke motivatie tot behandeling is bij de verdachte nog altijd beperkt, maar met zijn verbeterde houding is de reclassering gematigd positief over de haalbaarheid van het verminderen van het recidiverisico binnen een voorwaardelijk kader. Met de verdachte is uitdrukkelijk besproken dat TBS met voorwaarden een stevig kader is waarbij het grote gevolgen voor hem kan hebben mocht hij zich niet, of onvoldoende, inzetten binnen eventueel opgelegde voorwaarden en dat het enkele aanwezig zijn bij behandelafspraken (wat hem in het verleden is verweten) onvoldoende is om te profiteren van behandeling. De verdachte zegt dit te beseffen en herhaalt meerdere malen mee te zullen werken aan bijzondere voorwaarden als die hem zullen worden opgelegd.
De reclassering adviseert oplegging van de volgende voorwaarden: het ondergaan van een ambulante behandeling, indien nodig opname in een forensische kliniek, het meewerken aan een time-out in een forensische kliniek, een contactverbod met de drie aangeefsters en de minderjarige [slachtoffer 1] , een locatieverbod met betrekking tot drie adressen ten aanzien van aangeefster [aangeefster 3] en een gebiedsverbod voor de Rotterdamse wijk Spangen, het verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang en het hebben van een dagbesteding. Ook adviseert de reclassering om de TBS-maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De reclassering schat het recidiverisico, risico op letsel en het risico op onttrekken aan voorwaarden in als gemiddeld.
De deskundige [reclasseringsmedewerker] , reclasseringsmedewerker, is ter terechtzitting gehoord. Hij heeft onder meer het volgende verklaard. De verdachte heeft zich de afgelopen jaren gehouden aan de schorsingsvoorwaarden. Niet is gebleken dat hij contact heeft gezocht met de slachtoffers in de onderhavige strafzaken.
Op basis van de rapporten van de psychiater en psycholoog stelt de rechtbank vast dat verdachte in ieder geval een verstandelijke handicap heeft die het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedde. De feiten 3, 4 en 5 worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend, conform het advies van de psychiater.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in de strafzaak met parketnummer 10-177622-21 gestart op 6 juli 2021, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim vijf jaar en twee maanden verstreken. De redelijke termijn is in de strafzaak met 10-058145-22 gestart op 6 maart 2022. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim vier jaar en zes maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaken twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Dit heeft een matigende werking op de op te leggen straf.
Oplegging straf en maatregel
Straf
Gelet op de ernst en hoeveelheid van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Mede gelet op de verminderde toerekening aan de verdachte en het overschrijden van de redelijke termijn, wordt een gevangenisstraf van 200 dagen opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 83 dagen voorwaardelijk opgelegd, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de verdachte 117 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht voor de drie onderhavige parketnummers, en er dus geen onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf meer openstaat. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen meerwaarde in het mede opleggen van een forse taakstraf. Verder komt de rechtbank uit op een lager onvoorwaardelijk strafdeel dan is geëist, omdat de rechtbank de verdachte van een aantal feiten vrijspreekt.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf dezelfde bijzondere voorwaarden die worden verbonden aan de hierna te noemen TBS met voorwaarden. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van strafbare feiten te verkleinen.
Gelet op de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat hij opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.
Terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden
De rechtbank oordeelt dat de verdachte ter beschikking moet worden gesteld. Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een licht verstandelijke beperking en een matige stoornis in het gebruik van cannabis in remissie. Daarnaast zijn de feiten 1, 4 en 5 misdrijven waarop in de wet een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.
Gelet op de aard en ernst van de feiten en het gevaar voor herhaling eist de veiligheid van anderen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Ter bescherming van die veiligheid moet de verdachte zich houden aan voorwaarden, namelijk geen strafbare feiten plegen, meewerken aan reclasseringstoezicht, niet naar het buitenland vertrekken, meewerken aan een ambulante behandeling en indien nodig een opname in een forensische kliniek, meewerken aan een time-out in een forensische kliniek, een contactverbod met de slachtoffers, een locatieverbod ten aanzien van drie adressen die het slachtoffer [slachtoffer 4] heeft opgegeven, een gebiedsverbod ten aanzien van de Rotterdamse wijk Spangen, verblijf in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang en het realiseren en behouden van een dagbesteding. De verdachte heeft verklaard dat hij bereid is deze voorwaarden na te leven.
Vanwege het herhalingsgevaar is het noodzakelijk dat de voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. Daarom bepaalt de rechtbank dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
De rechtbank legt de terbeschikkingstelling op omdat de verdachte misdrijven heeft gepleegd die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De eventuele terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom langer duren dan vier jaar.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38z Wetboek van Strafrecht)
Om de veiligheid van anderen te beschermen, legt de rechtbank een maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking op. Het is noodzakelijk dat de verdachte langdurig onder toezicht kan worden gesteld, omdat de verdachte kampt met persoonlijkheidsproblematiek die van invloed is op het recidiverisico en behandeling de belangrijkste component is om de kans op recidive te verkleinen. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de Pro Justitiarapportages van 6 november 2025 en 12 november 2025.
Ook aan de overige wettelijke vereisten is voldaan. De verdachte wordt namelijk
ter beschikking gesteld en ook veroordeeld tot een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Ook is op het plegen van dit misdrijf een gevangenisstraf van vier jaar of meer gesteld.
Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, ziet de rechtbank geen meerwaarde in oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr naast voornoemde op te leggen straf- en maatregelmodaliteiten.
5. Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft in de strafzaak met parketnummer 10-177622-21 de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 20 oktober 2021 geschorst tot aan de einduitspraak in eerste aanleg.
De officier van justitie heeft gevorderd om vanuit praktisch oogpunt de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte te continueren onder dezelfde voorwaarden als de voorwaarden die worden verbonden aan de TBS-maatregel met voorwaarden. De reden daarvan is erin gelegen dat de TBS-maatregel met voorwaarden niet kan worden omgezet in een TBS-maatregel met dwangverpleging in het geval er hoger beroep is ingesteld, ondanks dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard. De rechtbank wijst de vordering af, omdat de rechtbank hetzelfde doel bewerkstelligt door middel van oplegging van de deels voorwaardelijke gevangenisstraf met de bedoelde voorwaarden en de dadelijke uitvoerbaarheid van die voorwaarden. De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis, die bij eerdere uitspraak is geschorst tot aan de einduitspraak in eerste aanleg, opheffen.
6. Vordering van de benadeelde partijen
Vorderingen
In de strafzaak met parketnummer 10-177622-21 hebben [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert voor de feiten 1 en 2 € 217,- als vergoeding voor materiële schade en € 15.000,- als vergoeding voor immateriële schade.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert voor feit 3 € 5.000,- als vergoeding voor immateriële schade.
In de strafzaak met parketnummer 10-058145-22 heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Zij vordert € 9.798,04 als vergoeding voor materiële schade en € 16.000,- als vergoeding voor immateriële schade.
In de strafzaak met parketnummer 10-001242-25 heeft [benadeelde partij 4] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Zij vordert € 587,05 als vergoeding voor materiële schade en € 1.320,- als vergoeding voor immateriële schade.
Alle benadeelde partijen hebben gevorderd de gevorderde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De vorderingen van de benadeelde partijen zijn ten aanzien van de gevorderde materiële schade voldoende onderbouwd. De officier van justitie refereert zich ten aanzien van de immateriële schade aan het oordeel van de rechtbank. De toegewezen bedragen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
Het te vergoeden schadebedrag van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] dient te worden gematigd tot een bedrag van € 1.000,-.
De post ten aanzien van de fractuur dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak met betrekking tot deze gedraging. Subsidiair dient het te vergoeden bedragen te worden gematigd tot een bedrag van € 2.500,-.
Daarnaast dient de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat vaststelling welk deel van het gestelde letsel en van de psychische schade aan het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is toe te schrijven, en welk
deel aan andere factoren, waaronder het evidente gedrag van de moeder zelf, een
uitgebreider onderzoek vergt dan dit strafgeding toelaat.
Subsidiair dient het toe te wijzen bedrag als vergoeding van immateriële schade te worden gematigd naar de mate waarin de gestelde schade daadwerkelijk aan het bewezenverklaarde handelen van de verdachte kan worden toegeschreven, en niet aan de eigen, separaat gedocumenteerde bijdrage van de moeder aan het letsel van het kind.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft te gelden dat de hoogte van het te vergoeden bedrag afhankelijk is van welke gedragingen de rechtbank bewezen verklaart.
Daarnaast is de vraag in hoeverre de geclaimde immateriële schade, gebaseerd op de psychische klachten, aan de verdachte kan worden toegerekend, nu de benadeelde partij voorafgaand aan de relatie met de verdachte een gewelddadige relatie heeft gehad met een andere man. Welke schade aan wie toegerekend kan worden vereist een afweging die niet op basis van het dossier gemaakt kan worden. Deze discussie gaat het strafproces te buiten en de benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] kan gedeeltelijk worden toegewezen. De post ten aanzien van de aanschafkosten van de Eufy deurbel dient te worden afgewezen. De verdediging refereert zich ten aanzien van de overige gevorderde vergoeding aan materiele schade. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding aan immateriële schade heeft ook te gelden dat de hoogte van het te vergoeden bedrag afhankelijk is van welke gedragingen de rechtbank bewezen verklaart. Indien de rechtbank de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling bewezen verklaart, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vordering [benadeelde partij 1]
Materiële schade
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ten aanzien van de post daggeldvergoeding ziekenhuis omdat de verdachte niet wordt veroordeeld voor een feit dat heeft geleid tot de ziekenhuisopname van [benadeelde partij 1] .
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in haar persoon aangetast.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting over het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 2.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
BEM-clausule
De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op ten behoeve van de minderjarige benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordigers kunnen slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken. De rechtbank bepaalt tevens dat de gemachtigde van de benadeelde partij binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis het Openbaar Ministerie op de hoogte moeten stellen welke rekening ten behoeve van de benadeelde partij is geopend.
Vordering [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij heeft als gevolg van het onder 3 gepleegde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in haar persoon aangetast.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Vordering [benadeelde partij 3]
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 4 gepleegde strafbare feit. De vordering wordt ten aanzien van de post eigen risico toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de posten reiskosten, verhuiskosten en gemist woongenoot, heeft de verdediging betwist. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het onder 4 gepleegde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in haar persoon aangetast.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 7.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 7.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Vordering [benadeelde partij 4]
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 5 gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het onder 5 gepleegde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in haar persoon aangetast.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.320,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
Wettelijke rente
Over de toe te wijzen bedragen aan immateriële schadevergoeding is de wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop dit vonnis is gewezen. Bij het bepalen naar billijkheid van de omvang van de immateriële schade in dit vonnis heeft de rechtbank immers de volledige tot op heden vast te stellen schade verdisconteerd en rekening gehouden met het tijdsverloop vanaf de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenissen tot nu.
Over de verscheidene materiële schadeposten is de wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat zij zijn ontstaan. Dat is bij het eigen risico het moment waarop de behandeling heeft plaatsgevonden, dan wel de laatste dag van een behandelperiode. Dit betekent ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] het volgende:
Gevorderde bedrag
Wettelijke rente verschuldigd vanaf:
€ 22,55
15 november 2022
€ 2,04
24 januari 2023
€ 287,56
24 mei 2023
€ 375,-
15 februari 2024
Dit betekent ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 4] dat de wettelijke rente ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 271,- is verschuldigd vanaf 2 januari 2025 (aankoopdatum camera’s) en ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 316,05 (eigen risico) vanaf 21 april 2025.
Proceskosten
Ten aanzien van de benadeelde partijen wier vordering slechts voor een beperkt gedeelte wordt toegewezen ( [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] ), geldt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt ten aanzien van alle toegewezen vorderingen de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] betreft dit gijzeling voor de duur van maximaal 25 dagen, ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] maximaal 10 dagen, ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] maximaal 65 dagen en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] maximaal 19 dagen.
De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 45, 57, 139h, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 3, 4 en 5 zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregelen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 200 (tweehonderd) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 83 (drieëntachtig) dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden:
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
TBS-maatregel
beveelt dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:
geeft aan de reclassering opdracht de verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden onmiddellijk uitvoerbaar is;
Gedragsbeïnvloedende maatregel (art. 38z Sr)
legt de verdachte voor de feiten 1, 4 en 5 op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst tot aan de einduitspraak in eerste aanleg;
Vorderingen benadeelde partijen
[benadeelde partij 1]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij (feit 1), te betalen een bedrag van € 2.500,- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro), bestaande uit vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 22 september 2026 tot de dag van volledige betaling;
bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de minderjarige benadeelde partij [benadeelde partij 1] te openen rekening met een BEM-clausule;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feiten 1 en 2); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] aan de staat € 2.500,- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) te betalen, en de wettelijke rente vanaf 22 september 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;
[benadeelde partij 2]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij (feit 3), te betalen een bedrag van € 1.000,- (zegge: één duizend euro), bestaande uit vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 22 september 2026 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 3); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;
legt aan de verdachte voor feit 3 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] aan de staat € 1.000,- (zegge: één duizend euro) te betalen, en de wettelijke rente vanaf 22 september 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal
10 dagenDe toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;
[benadeelde partij 3]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij (feit 4), te betalen een bedrag van € 8.187,15 (zegge: achtduizend honderdzevenentachtig euro en vijftien cent), bestaande uit € 687,15 (zegge: zeshonderdzevenentachtig euro en vijftien cent) als vergoeding van materiële schade en € 7.500,- (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover met dien verstande:
tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 4); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;
legt aan de verdachte voor feit 4 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] aan de staat € 8.187,15 (zegge: achtduizend honderdzevenentachtig euro en vijftien cent) te betalen, en de wettelijke rente hierover met dien verstande:
tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 65 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;
[benadeelde partij 4]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij (feit 5), te betalen een bedrag van € 1.907,05 (zegge: één duizend negenhonderdenzeven euro en vijf cent), bestaande uit € 587,05 (zegge: vijfhonderdzevenentachtig euro en vijf cent) als vergoeding van materiële schade en € 1.320,- (zegge: duizend driehonderdentwintig euro) als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover met dien verstande:
tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 5 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] aan de staat € 1.907,05 (zegge: één duizend negenhonderdenzeven euro en vijf cent), te betalen, en de wettelijke rente met dien verstande:
tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 19 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M. van der Leeden, voorzitter,
en mrs. D.M. Douwes en M. van der Veer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. Tanzarella, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 22 september 2026.
Mr. Douwes is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.