ECLI:NL:RBROT:2026:14173

ECLI:NL:RBROT:2026:14173

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 11-09-2026
Datum publicatie 16-10-2026
Zaaknummer 12355112VVEXPL26507
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Vordering tot ontruiming vanwege een aanhoudende reeks ernstige incidenten. Het gehuurde maakt onderdeel uit van een winkelcentrum. In de periode juli 2025 tot en met augustus 2026 hebben er meerdere ernstige incidenten plaatsgevonden; ruitvernieling, explosies en bekladding. Burgemeester heeft het gehuurde gesloten wegens verstoring openbare orde. Belangenafweging valt in het voordeel van de verhuurder.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12355112 VV EXPL 26-507

datum uitspraak: 11 september 2026

Vonnis in kort geding van de kantonrechter

in de zaak van

MV Prime IV B.V.,

vestigingsplaats: Zwijndrecht,

eiseres,

gemachtigden: mr. Th. C. Visser & mr. Q. de Heus,

tegen

1. [gedaagde 1] ,die handelt onder de naam [naam eenmanszak] ,

woonplaats: [woonplaats 1] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. I. Correljé,

2. [gedaagde 2] ,

woonplaats: [woonplaats 2] ,

gedaagde, toenmalig stille vennoot van [naam bedrijf] ,

die zelf procedeert.

De partijen worden hierna ‘Prime IV’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.

1. De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

de dagvaarding van 19 augustus 2026, met bijlagen;

het antwoord van [gedaagde 1] ;

bijlagen 8 en 9 van Prime IV;

de spreekaantekeningen van de gemachtigde van Prime IV.

Op 28 augustus 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig namens Prime IV, [naam] (vastgoedmanager) met mr. Visser en mr. De Heus. [gedaagde 1] is verschenen, bijgestaan door mr. Correljé. Ook [gedaagde 2] is verschenen.

2. De beoordeling

Wat is de kern?

Sinds 16 april 2025 verhuurt Prime IV aan [naam bedrijf] , die wordt vertegenwoordigd door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , de bedrijfsruimte aan de [adres 1] . Vanaf juni 2025 is het gehuurde onderwerp van een aanhoudende reeks ernstige incidenten. Prime IV vordert daarom dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het gehuurde ontruimen en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot aan de ontruiming de huurprijs blijven betalen. De kantonrechter wijst de vorderingen toe. Hierna wordt toegelicht waarom.

Wat is er gebeurd?

[naam bedrijf] , met als vertegenwoordigers [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , huurt van Prime IV de bedrijfsruimte aan de [adres 1] . De VOF is op 9 januari 2026 uitgeschreven. [gedaagde 1] gebruikt het gehuurde momenteel nog steeds voor zijn eenmanszaak: [naam eenmanszak] .

Het gehuurde maakt onderdeel uit van het winkelcentrum Liesveld. Vanaf juni 2025 hebben de volgende ernstige incidenten plaatsgevonden bij het gehuurde:

6 juni en 8 juli 2025: ruitvernieling door stenen;

13 en 17 december 2025: bekladding van ruiten met witte verf;

20 maart 2026: explosie met vermoedelijk een cobra 6. Zwartgeblakerde en versplinterde ruit en er zijn bloedsporen aangetroffen;

5 mei 2026: eerste zware explosie met grote schade aan de voorgevel

6 augustus 2026: tweede zware explosie met een flinke ravage binnenin het pand en aanzienlijke schade aan de overkapping in het winkelcentrum.

Na de explosie van 5 mei 2026 heeft de burgemeester van Vlaardingen de kapsalon met onmiddellijke ingang voor twee weken gesloten op grond van artikel 2.54 van de APV Vlaardingen, artikel 174 lid 2 Gemeentewet en artikel 5:31 AWB. Na de tweede explosie op 6 augustus 2026 heeft de burgemeester de kapsalon, op dezelfde gronden, opnieuw voor twee weken gesloten. [gedaagde 1] heeft tegen beide besluiten bezwaar aangetekend.

Bij brief van 11 en 12 augustus 2026 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft Prime IV de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en verzocht om de kapsalon te ontruimen. [gedaagde 1] heeft de buitengerechtelijke ontbinding betwist.

De eis

Prime IV eist in deze procedure dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het gehuurde binnen vijf dagen na dit vonnis ontruimen en verlaten en dat zij de maandelijkse huurverplichting van € 2.977,19 tot aan de ontruiming betalen, met proceskosten.

Spoedeisend belang

Het spoedeisend belang in deze zaak vloeit voort uit de aard van de vordering. Prime IV heeft de huurovereenkomst op grond van artikel 7:213 lid 2 BW buitengerechtelijk ontbonden en heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verzocht om de kapsalon te ontruimen. Doordat zij niet tot vrijwillige ontruiming over zullen gaan, is het spoedeisend belang gegeven.

Toetsingskader

De gevorderde ontruiming is gebaseerd op de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst. In dit kort geding staat de vraag centraal of en in hoeverre voldoende aannemelijk is dat de buitengerechtelijke ontbinding in een eventuele bodemprocedure stand zal houden.

Vast staat dat de burgemeester van Vlaardingen heeft besloten om de kapsalon te sluiten vanwege verstoring van de openbare orde op grond van artikel 174 Gemeentewet.

Prime IV mocht daarom op grond van artikel 7:231 lid 2 BW de huurovereenkomst ontbinden. Prime IV hoeft hiervoor niet aan te tonen dat sprake is van een tekortkoming of een verwijt aan het adres van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Het is immers niet noodzakelijk dat de huurder zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen in of in de onmiddellijke nabijheid van het gehuurde op grond waarvan tot sluiting is bevolen. Evenmin is vereist dat het bevel tot sluiting onherroepelijk is, zodat de omstandigheid dat de bezwaarprocedure nog loopt aan de rechtsgeldigheid van de ontbinding op zichzelf niet in de weg staat.

Dat Prime IV in beginsel terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid de huurovereenkomst met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] buitengerechtelijk te ontbinden, neemt niet weg dat de kantonrechter dient te beoordelen of het beroep van Prime IV op artikel 7:231 lid 2 BW in een bodemprocedure stand houdt. Bij deze toetsing dienen alle relevante omstandigheden in aanmerking te worden genomen en een belangenafweging te maken. In dat kader wordt als volgt overwogen.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de kapsalon ontruimen

Prime IV heeft belang bij ontruiming van het gehuurde. Het gehuurde is haar eigendom en is beschadigd door vernielingen en explosies. Er is door de explosies ook schade ontstaan aan de ruiten bij de H&M en de goudhandel en aan de glazen luifel van het winkelcentrum. Prime IV voelt een grote verantwoordelijkheid voor de situatie en voelt zich geroepen daartegen op te treden. Ook heerst er onrust bij de winkeliers. Zowel Prime IV als de winkeliers vrezen voor verdere escalatie en dalende omzet als de kapsalon weer open gaat. Een veilige en prettige omgeving is van groot belang voor Prime IV, voor de winkeliers, omwonenden en winkelend publiek en draagt bij aan de goede verhuurbaarheid van de panden.

Hiertegenover staan de zwaarwegende belangen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [gedaagde 1] exploiteert sinds een paar jaar een kapsalon. Eerst aan de [adres 2] en nu aan [adres 1] . Met een ontruiming verliest [gedaagde 1] zijn onderneming en inkomstenbron.

Geoordeeld wordt dat het belang van Prime IV bij een spoedige ontruiming in dit geval zwaarder weegt dan de belangen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij het behouden van de kapsalon. De kantonrechter onderkent dat de incidenten ingrijpend zijn voor [gedaagde 2] en met name voor [gedaagde 1] , die zelf werkzaam is in de kapsalon. De kantonrechter begrijpt dat de gedwongen sluiting en daarop gebaseerde ontbinding onterecht kan aanvoelen voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , omdat dit het einde van de onderneming op deze locatie betekent, met verlies van inkomen, terwijl in deze zaak niet aannemelijk is geworden dat [gedaagde 1] of [gedaagde 2] een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt van de situatie. Prime IV dient echter als verhuurder van bedrijfspanden naast haar eigen belang, ook op te komen voor de belangen van de overige huurders en winkeliers. Uit de verklaring van de voorzitter van de ondernemingsvereniging van het winkelcentrum volgt dat de explosies en vernielingen tot onrust en een onveilig gevoel hebben geleid bij de winkeliers en het winkelend publiek. Dat is begrijpelijk. Het is terecht dat Prime IV zich zorgen maakt dat meer panden beschadigd zullen raken en om de veiligheid van de huurders en winkelend publiek. De schade door de vernielingen en explosies had ook nog groter kunnen zijn. Er hadden ook slachtoffers kunnen vallen. Of het risico op nog meer explosies of ander geweld zich daadwerkelijk realiseert is niet doorslaggevend.

Het is in de belangenafweging niet in het voordeel van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat uit het besluit van de burgemeester en de politierapportage volgt dat er vanaf mei 2025 in een aaneengesloten periode tot en met augustus 2026 incidenten hebben plaatsgevonden bij bedrijfsruimtes die door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn gehuurd. Zo hebben er in de in de kapsalon, die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan de [adres 2] hebben geëxploiteerd in de periode van mei 2025 tot en met juli 2025 meerdere vernielingen van ruiten plaatsgevonden. Daarna hebben aan het gehuurde vanaf juni 2025 meerdere vernielingen en uiteindelijk ook twee explosies plaatsgevonden. Verder speelt in de belangenafweging mee dat de burgemeester op 20 augustus 2026 heeft besloten de sluiting van de kapsalon met vier weken te verlengen. De burgemeester heeft daarbij vermeld dat de verstoring van de openbare orde en veiligheid nog steeds voortduurt en dat het dreigingsniveau, volgens de politie, nog niet is afgenomen. Hieruit kan worden afgeleid dat de vrees voor nieuwe verstoringen van de openbare orde en veiligheid en de veiligheidsrisico’s voor de omgeving nog actueel zijn.

Conclusie

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is het aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geconcludeerd dat de gebruikmaking door Prime IV van haar bevoegdheid om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Het is daardoor gerechtvaardigd, om daarop vooruitlopend, de vordering van Prime IV tot ontruiming toe te wijzen. Dat betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de bedrijfsruimte met hun spullen moeten verlaten.

De ontruimingstermijn wordt gesteld op 10 dagen

De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op tien dagen na betekening van dit vonnis. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten namelijk voldoende tijd hebben om alle spullen uit de kapsalon te halen en hier een geschikte opslagplaats voor te vinden.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de gebruiksvergoeding betalen

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten een gebruiksvergoeding van € 2.977,19 per maand betalen tot en met de dag dat zij het gehuurde met al hun spullen hebben verlaten (artikel 7:225 BW). De gevorderde handelsrente over de huur/gebruiksvergoeding wordt niet toegewezen. Prime IV heeft niet gesteld dat sprake is van een huurachterstand en de betalingstermijn van de gebruiksvergoeding is op dit moment nog niet verstreken waardoor er nog geen rente verschuldigd is.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de proceskosten betalen

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan Prime IV moeten betalen op € 306,04 aan dagvaardingskosten (2 keer € 153,02), € 139,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.166,04. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Prime IV dat eist en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen tien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend het gehuurde aan de [adres 1] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Prime IV te stellen;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om aan Prime IV te betalen € 2.977,19 per maand vanaf augustus 2026 tot en met de dag dat de ontruiming plaatsvindt;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten, die aan de kant van Prime IV worden begroot op € 1.166,04 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.J. Willemsen en in het openbaar uitgesproken.

35789

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand