ECLI:NL:RBROT:2026:14299

ECLI:NL:RBROT:2026:14299

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 28-09-2026
Datum publicatie 19-10-2026
Zaaknummer 10-343933-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Veroordeling voor het meermalen aanranden van vijf minderjarige meisjes gedurende een periode van bijna anderhalf jaar, door onder meer met zijn hand in hun onderbroek te gaan en bij een aantal meisjes hun vagina te betasten. De verdachte was groepsleider bij de scoutingvereniging van de meisjes. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 221 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren. Toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-343933-25

Datum uitspraak: 28 september 2026

Datum zitting: 14 september 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1970 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. I.M. d' Hont

Officier van justitie: mr. N. Aandewiel

Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5]

Advocaat van de benadeelde partijen: mr. I.K. Oosterveen

Kern van het vonnis

De verdachte heeft in een periode van bijna anderhalf jaar vijf minderjarige meisjes meermalen aangerand, door onder meer met zijn hand in hun onderbroek te gaan en bij een aantal meisjes hun vagina te betasten. De verdachte was als vrijwilliger groepsleider bij de scoutingvereniging van de meisjes en hij heeft in die hoedanigheid misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zij in hem stelden. De rechtbank legt de verdachte een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf en de maximale taakstraf op. Hierbij worden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een behandelverplichting en een contact- en gebiedsverbod. De vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - vier meisjes jonger dan 12 jaar en één meisje in de leeftijdscategorie van 12 tot 16 jaar meermalen heeft aangerand.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 1 december 2025 te Rotterdam en/of te Baarn en/of Soest, althans in Nederland, en/of in België, met een of meer kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, door

- met zijn hand in/onder de onderbroek van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] te gaan, en/of

- de vagina en/of schaamstreek en/of venusheuvel van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] te betasten, en/of

- over het bovenbeen van die [slachtoffer 1] te wrijven, en/of

- over de borsten van die [slachtoffer 3] te wrijven en/of haar borsten te betasten, en/of

- in de bovenbenen van die [slachtoffer 4] te knijpen en/of die [slachtoffer 4] bij haar liezen en/of bovenbenen te kietelen;

2

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2025 tot en met 1 december 2025 te Rotterdam en/of te Baarn en/of Soest, althans in Nederland, en/of in België, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 5] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, door

- over haar borsten te wrijven en/of haar borsten te betasten, en/of

- met zijn hand in/onder haar onderbroek te gaan, en/of

- over haar vagina en/of schaamstreek en/of venusheuvel te wrijven en/of te betasten.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat:

Feit 1

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2024 tot en met 1 december 2025 in Nederland en/of in België, met kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , seksuele handelingen heeft verricht, door

- met zijn hand in/onder de onderbroek van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] te gaan, en/of

- de vagina en/of schaamstreek en/of venusheuvel van die, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te betasten, en/of

- over het bovenbeen van die [slachtoffer 1] te wrijven, en/of

- over de borsten van die [slachtoffer 3] te wrijven en/of haar borsten te betasten, en/of

- in de bovenbenen van die [slachtoffer 4] te knijpen en/of die [slachtoffer 4] bij haar liezen en bovenbenen te kietelen;

Feit 2

hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2025 tot en met 1 december 2025 in Nederland en/of in België, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 5] , seksuele handelingen heeft verricht, door

- over haar borsten te wrijven en/of haar borsten te betasten, en/of

- met zijn hand in/onder haar onderbroek te gaan, en/of

- over haar vagina en/of schaamstreek en/of venusheuvel te wrijven en/of te betasten.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie, aangifte namens [slachtoffer 1]

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 1]

4. Proces-verbaal van de politie, aangifte namens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

5. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2]

6. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 3]

7. Proces-verbaal van de politie, aangifte namens [slachtoffer 4]

8. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 4]

9. Proces-verbaal van de politie, aangifte namens [slachtoffer 5]

10. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 5]

Nadere bewijsmotivering

Het handelen van de verdachte heeft niet alleen bestaan uit het aanraken van seksuele lichaamsdelen, te weten de vagina/schaamstreek/venusheuvel en de borsten, maar uit ook het aanraken van niet direct seksuele lichaamsdelen, zoals de bovenbenen en de liezen. Gelet op de context waarin deze handelingen hebben plaatsgevonden, stelt de rechtbank vast dat dit handelingen betreffen die bestaan uit op een seksuele beleving gerichte aanrakingen van die niet direct seksuele lichaamsdelen en daardoor seksuele handelingen zijn geweest. Ook het met de hand in de onderbroek gaan, is (steeds) een op seksuele beleving gerichte aanraking geweest.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, meermalen gepleegd;

Feit 2

aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straffen

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaar. Hieraan dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering, met toevoeging van een gebiedsverbod voor de wijk [wijk] in [plaats] .

Standpunt van de verdediging

Bij de strafoplegging dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de positieve bevindingen van het NIFP en de reclassering. De door de officier van justitie geëiste straf dient aanzienlijk te worden gematigd. De verdediging verzoekt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, de maximale taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf onder de geadviseerde bijzondere voorwaarden, met een proeftijd van 2 jaar.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

In een periode van bijna anderhalf jaar heeft de verdachte vijf minderjarige meisjes aangerand, door op meerdere momenten met zijn hand in hun onderbroek te gaan en bij een aantal van hen de vagina te betasten en borsten, bovenbenen of liezen aan te raken. De verdachte was groepsleider bij de scoutingvereniging van de meisjes. Hij was iemand bij wie de kinderen zich veilig hadden moeten kunnen voelen en veilig hadden moeten zijn. De aanrandingen vonden veelal plaats op momenten dat de meisjes uit zichzelf of op verzoek van de verdachte bij hem (op schoot) kwamen zitten. De verdachte heeft misbruik gemaakt van de situatie. Hij heeft het vertrouwen dat de meisjes en hun ouders in hem als scoutingleider hadden, ernstig geschonden. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van de meisjes. Dit soort feiten kan langdurige negatieve gevolgen hebben voor de psychische, emotionele en seksuele ontwikkeling van de jonge slachtoffers. Uit de indringende verklaringen die namens de slachtoffers en hun ouders ter zitting zijn voorgedragen blijkt dat de feiten al de nodige nadelige gevolgen voor hen hebben. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij zich hier niet om heeft bekommerd.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 28 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapport van de deskundige

In het rapport van psycholoog [psycholoog] van 23 maart 2026 staat onder meer het volgende.

De verdachte lijdt niet aan enige stoornis conform de DSM-5 criteria. Er worden wel kenmerken van een autismespectrumstoornis gezien die met de feiten verband kunnen houden. Zo is er sprake van alexithymie, ofwel een al vanaf de jeugdperiode beperkt inzicht in de innerlijke gevoelswereld. Daarnaast is de verdachte niet in staat geweest om te mentaliseren (het inschatten van de impact van zijn gedrag op de kinderen). Er kan geen verband tussen een stoornis (op seksueel gebied) en de feiten worden aangetoond. Uit het onderzoek komen geen evident seksueel deviante voorkeuren naar voren. Door de neiging van de verdachte tot onderrapportage, wat betekent dat hij zich mogelijk in een goed daglicht probeert te stellen, kan dit ook niet geheel worden uitgesloten.

Ondanks dat in het onderzoek geen psychische stoornis naar voren komt, is wel sprake van een zorgnoodzaak. Daarom is (poliklinische) behandeling door middel van Cognitieve Gedragstherapie (CGT) geïndiceerd. Om het recidiverisico te verlagen, dient deze behandeling zich onder meer te richten op de geconstateerde alexithymie. Hiermee kan de verdachte meer inzicht in zijn gevoelens krijgen en hoe deze gevoelens zijn gedrag sturen. De verdachte heeft weinig inzicht verschaft in zijn motieven voor zijn gedrag en stelt hier zelf ook geen inzicht in c.q. zicht op te hebben. Wellicht zou hij in een vertrouwelijke behandelrelatie hiertoe meer bereid kunnen zijn. Het besteden van extra aandacht aan het delictscenario zou meer inzicht kunnen geven in de factoren die hem ertoe hebben bewogen om tot de feiten te komen. Hiernaast zou het vergroten van het vermogen om te mentaliseren het recidiverisico eveneens kunnen verlagen.

Rapport van de reclassering

In het rapport van Reclassering Nederland van 22 juni 2026 staat onder meer het volgende.

De leefgebieden gezin, wonen en werken zijn stabiel. Er is geen sprake van middelengebruik en de verdachte is niet bekend met de geestelijke gezondheidszorg. Er is beperkt zicht op de seksuele ontwikkeling van de verdachte. Om daar meer zicht op te krijgen en te bezien of er mogelijk sprake is van seksuele deviante denkconcepten of deze al dan niet uit te sluiten, is ambulante behandeling, gericht op diagnostiek en behandeling, wenselijk. De algemene risico’s op recidive en letsel en het risico op onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als laag. Het risico op recidive van een seksueel delict is op dit moment onvoldoende in te schatten. De verdachte bekent de feiten grotendeels, maar kan niet goed verklaren waarom hij hiertoe is gekomen.

De reclassering adviseert aan de verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen.

Oplegging straffen

Gevangenisstraf

Gelet op de ernst van de feiten is oplegging van een gevangenisstraf op zijn plaats.

In de situatie van de verdachte wordt aanleiding gezien om een deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Het is nodig dat de verdachte (ambulante) behandeling ondergaat, omdat daardoor het recidiverisico voor seksuele delicten kan worden ingeschat en beperkt.

Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zullen naast de voorwaarde van ambulante behandeling ook de andere voorwaarden worden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd: meldplicht bij de reclassering, contactverbod met de minderjarigen en hun ouders, gebiedsverbod voor de wijk [wijk] in [plaats] en het vermijden van contact met minderjarigen. De voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van strafbare feiten te verkleinen.

Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt een proeftijd van 5 jaar verbonden. Dat is langer dan gebruikelijk, maar wel noodzakelijk. Weliswaar achten de psycholoog en de reclassering het algemene recidiverisico laag, maar het risico op seksuele delicten kan niet worden ingeschat en ook wordt door hen benoemd dat de verdachte weinig inzicht verschaft/heeft in zijn motieven en de neiging heeft om de zaken mooier voor te doen. Daar komt bij dat de door de psycholoog genoemde beschermende omstandigheden ook aanwezig waren ten tijde van het plegen van de strafbare feiten. Die omstandigheden hebben de verdachte er niet van weerhouden om steeds opnieuw de fout in te gaan. Kennelijk bestond er bij hem weinig besef over het kwalijke van zijn handelen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een lange proeftijd van 5 jaar nodig is voor toezicht op en begeleiding van de verdachte en dat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Dit oordeel brengt voorts mee dat dat de rechtbank aanleiding ziet om te bepalen dat de op te leggen voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart deze voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.

De rechtbank houdt er rekening mee dat de verdachte op andere wijze dan door het opleggen van een straf met de gevolgen van zijn handelen is geconfronteerd. Tijdens het voorarrest is hij mishandeld door een medegedetineerde en hij is ontslagen door zijn werkgever.

Ten slotte houdt de rechtbank bij het opleggen van de straf rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en dat zijn in de regel (grotendeels) voorwaardelijke gevangenisstraffen in combinatie met een taakstraf.

Aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 221 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk.

Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.

Taakstraf

Hoewel bij de strafoplegging veel gewicht toekomt aan behandeling van de verdachte en daarmee aan het voorkomen van herhaling, kan gelet op de bewezenverklaarde feiten niet worden volstaan met een straf die voornamelijk daarop is gericht. Aan de verdachte wordt daarom de maximale taakstraf van 240 uren opgelegd. In die taakstraf brengt de rechtbank in het bijzonder de ernst van de feiten en het vergeldende karakter van de straf tot uitdrukking.

5. Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 21 januari 2026 geschorst.

Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf, wordt het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven met ingang van vandaag.

6. Vorderingen van de benadeelde partijen

[benadeelde partij 1] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 2.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde partij 2] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 2.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde partij 3] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 2.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde partij 4] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 2.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde partij 5] heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 2.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vorderingen van de benadeelde partijen kunnen integraal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partijen hebben als gevolg van de strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partijen zijn namelijk op andere wijze in hun persoon aangetast.

Die schade wordt voor elke benadeelde partij naar billijkheid begroot op € 2.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de leeftijd van de benadeelde partijen. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vorderingen worden elk tot het bedrag van € 2.500,- toegewezen. Dit betekent dat de verdachte aan elk van de benadeelde partijen een bedrag van € 2.500,- als vergoeding van immateriële schade moet betalen.

De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 1 december 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoedingen aan de staat moet betalen en de staat de bedragen uitkeert aan de benadeelde partijen.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen per toegewezen schadevergoeding. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Tenslotte overweegt de rechtbank dat voor het opleggen aan de verdachte van een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een gebiedsverbod voor de wijk [wijk] in [plaats] , zoals namens de slachtoffers ter zitting is verzocht, geen noodzaak aanwezig is omdat het gebiedsverbod al aan de verdachte wordt opgelegd als een van de voorwaarden die worden verbonden aan de voorwaardelijke straf.

7. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 247 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 221 dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 180 dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 5 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. de verdachte zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen twee dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2, 3029 AK te Rotterdam ;

2. de verdachte zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek en behandeling;

3. de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de slachtoffers:

4. de verdachte op geen enkele wijze contact zoekt met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt de verdachte dat volwassen verzorgers/ouders hierbij aanwezig zijn. Dit geldt niet voor de eigen kinderen van de verdachte;

5. de verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de wijk [wijk] een en ander zoals aangeduid op de plattegrond die als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht);

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 tot en met 5 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

beveelt dat de onder nummers 1 tot en met 5 genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;

Vorderingen benadeelde partijen

[benadeelde partij 1]

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (feit 1), te betalen een bedrag van € 2.500,- , als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 december 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] aan de staat € 2.500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] of aan de staat heeft vergoed;

[benadeelde partij 2]

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] (feit 1), te betalen een bedrag van € 2.500,- , als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 december 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] aan de staat € 2.500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] of aan de staat heeft vergoed;

[benadeelde partij 3]

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] (feit 1), te betalen een bedrag van € 2.500,- , als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 december 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] aan de staat € 2.500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] of aan de staat heeft vergoed;

[benadeelde partij 4]

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij 4] (feit 1), te betalen een bedrag van € 2.500,- , als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 december 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde partij 4] gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] aan de staat € 2.500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij [benadeelde partij 4] of aan de staat heeft vergoed;

[benadeelde partij 5]

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij 5] (feit 2), te betalen een bedrag van € 2.500,- , als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 december 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde partij 5] gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] aan de staat € 2.500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij [benadeelde partij 5] of aan de staat heeft vergoed.

9. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.J. de Veld, voorzitter,

en mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 28 september 2026.

Mr. E.D. Bijl is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage 1 – plattegrond gebiedsverbod

Plattegrond ten behoeve van het gebiedsverbod zoals opgenomen als bijzondere voorwaarde onder nummer 5:

[afbeelding plattegrond gebiedsverbod]

Het gebiedsverbod betreft de wijk [wijk]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.J. de Veld

Griffier

  • mr. E.D. Bijl

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand