Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-077950-26
Datum uitspraak: 14 september 2026
Datum zitting: 14 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven op het adres van de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] , te weten: [detentieadres] , [postcode] te [detentieplaats] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] .
Advocaat van de verdachte: mr. J.J.A. Bosch
Officier van justitie: mr. T. van den Bergh
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - opzettelijk heeft geprobeerd om het slachtoffer van het leven te beroven of hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
hij op of omstreeks 14 maart 2026 te Vlaardingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes, althans scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans éénmaal in de nek en/of in de borst en/of arm en/of (onder) schouderblad, althans in het (boven)lichaam heeft gestoken en/of heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.
Conclusie van de verdediging
Primair heeft de verdediging vrijspraak bepleit voor de primair tenlastegelegde poging tot doodslag en de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling, omdat de verdachte geen opzet had.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
De primair tenlastegelegde poging tot doodslag is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat:
hij op 14 maart 2026 te Vlaardingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes in de nek en schouderblad heeft gestoken en/of heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
Bewijsmotivering
Op grond van de bewijsmiddelen staat het volgende vast.
De verdachte heeft plotseling een mes op de nek van het slachtoffer gezet en in zijn nek gesneden. Het slachtoffer heeft een wond op zijn rug van 2 cm en een snee in zijn nek van 10 cm opgelopen.
De plekken waar de verdachte het slachtoffer met zijn mes heeft gestoken/gesneden, de nek en de rug, zijn kwetsbare delen van het lichaam. Daarnaast heeft de verdachte het slachtoffer met zijn mes van achteren benaderd, waardoor het slachtoffer dit niet heeft kunnen zien aankomen. Dit maakt dat de verdachte rekening moest houden met plotselinge bewegingen van het slachtoffer. Met dit handelen heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer ernstig zou verwonden. Hieruit volgt dat de verdachte het (voorwaardelijke) opzet op zwaar lichamelijk letsel heeft gehad.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Noodweer(exces)?
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte uit noodweer dan wel noodweerexces handelde, omdat het slachtoffer de verdachte in de dagen ervoor had mishandeld en hem die dag ook een klap had gegeven.
Uit het dossier blijkt niet dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door het slachtoffer. De door de verdediging geschetste situatie, waarbij de verdachte aan het bellen was en toen werd geslagen door het slachtoffer, is niet aannemelijk geworden. De verdachte heeft daar bij zijn eerdere verhoren niet over verklaard en het volgt ook verder niet uit het dossier. Nu niet aannemelijk is geworden dat het slachtoffer de verdachte eerst een klap had gegeven, is ook niet komen vast te staan dat de verdachte die avond in een noodweersituatie verkeerde. Dit betekent dat een beroep op noodweer niet kan slagen. Het beroep op noodweer wordt verworpen.
Omdat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweer, kan zich niet de situatie voordoen dat verdachte te ver is gegaan in die verdediging. Dit brengt met zich dat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen. Het beroep op noodweerexces wordt daarom ook verworpen.
Gelet op de bij de verdachte geconstateerde verwondingen zou het goed kunnen dat het slachtoffer zich in de dagen ervoor gewelddadig heeft gedragen. Dat maakt het voorgaande niet anders. De situatie tussen het slachtoffer en de verdachte zal worden betrokken bij de strafoplegging.
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de poging tot zware mishandeling worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Deze bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Daarnaast moet een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer, voor de duur van 5 jaren, met toepassing van vervangende hechtenis van 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan en met de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel.
Standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt en voorbijgaat aan het beroep op noodweer(exces), zou moeten worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft geprobeerd het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door het slachtoffer van achteren te benaderen en een mes tegen de nek van het slachtoffer aan te zetten. Het slachtoffer heeft hier uiteindelijk relatief beperkt letsel aan overgehouden, maar het had heel anders kunnen aflopen. Dit moet zeer bedreigend en beangstigend zijn geweest voor het slachtoffer. Daarnaast versterken zulke feiten gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
- Strafblad
Uit het strafblad van 3 augustus 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten in Nederland. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
- Rapport van de reclassering
Reclassering Nederland heeft tweemaal gerapporteerd en op 10 september 2026 een e-mail gestuurd. De reclassering ziet de leefgebieden sociaal netwerk, middelengebruik, psychosociaal functioneren en houding als delictgerelateerde factoren. De reclassering ziet dat er ten tijde van het onderhavige feit sprake is geweest van een gebrekkige zelfbeheersing en daarmee problemen op het gebied van zijn emotieregulatie. Gelet hierop is sprake van tekorten in de interpersoonlijke- en oplossingsvaardigheden van de verdachte. De verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde onder invloed van alcohol. Het alcoholgebruik heeft in de optiek van de reclassering geleid tot een ontremmende werking ten aanzien van zijn emotieregulatie.
De reclassering adviseert gelet op de bovengenoemde risicofactoren een behandelverplichting gericht op het psychosociaal functioneren en het middelengebruik. De behandeling kan onder andere bijdragen aan het vergroten van adequate oplossingsvaardigheden en het verkrijgen van inzicht in het middelengebruik. De reclassering adviseert daarnaast begeleiding gericht op praktische zaken. Het is van belang om stabiliteit te bereiken op meerdere leefgebieden en te komen tot duurzame levensomstandigheden, zoals vaste huisvesting. Het inzetten van middelencontroles kan bijdragen aan het inzicht verkrijgen van het middelengebruik.
Het risico op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hieruit volgt dat voor zware mishandeling met gebruik van een mes een gevangenisstraf van 7 maanden vaak als uitgangspunt wordt genomen. De rechtbank houdt er in strafverminderende zin rekening mee dat de verdachte wordt veroordeeld tot een poging daartoe, en met de eerder beschreven situatie tussen het slachtoffer en de verdachte. Als strafverzwarend weegt mee dat de verdachte ten tijde van het plegen van het delict in aanzienlijke mate onder invloed was van alcohol.
Daarom wordt een gevangenisstraf opgelegd van 7 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De gevangenisstraf wordt gedeeltelijk voorwaardelijk opgelegd omdat de rechtbank het van belang acht dat de verdachte de behandeling en ondersteuning krijgt die hij nodig heeft. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, beheersing middelengebruik en ambulante begeleiding.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding tot het opleggen van een contactverbod met het slachtoffer in de vorm van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v Sr of in de vorm van een bijzondere voorwaarde. Niet is gebleken dat hier vanuit het slachtoffer behoefte aan bestaat. Daarnaast staat niet vast dat de verdachte en het slachtoffer elkaar opnieuw zullen treffen, nu zij niet langer op hetzelfde woonadres verblijven, en heeft de verdachte aangegeven geen contact meer te willen met het slachtoffer.
Ook ziet de rechtbank geen aanleiding tot oplegging van een langere proeftijd, zoals door de officier van justitie is gevorderd.
Gelet op het reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.
5. In beslag genomen voorwerp
Als bijkomende straf voor het feit wordt het in beslag genomen mes (goednummer: [beslagnummer] ) verbeurdverklaard. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de draagkracht van de verdachte. Het strafbare feit is met behulp van dit mes gepleegd en behoort aan de verdachte toe. Dit mes is ook vatbaar voor verbeurdverklaring.
6. Voorlopige hechtenis
De verdachte bevindt zich op grond van een bevel gevangenhouding van 24 maart 2026 in voorlopige hechtenis. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf, wordt het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven met ingang van vandaag.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 1 maand van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1 tot en met 4 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
beveelt dat de onder nummers 1 tot en met 4 genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
In beslag genomen voorwerpen
- verklaart verbeurd voor het feit het mes met goednummer [beslagnummer] ;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van vandaag.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 14 september 2026.
Mr. E.D. Bijl is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.