Rechtbank Rotterdam
rechter-commissaris in strafzaken
zittingsplaats Rotterdam
parketnummer : 10.035173.26
datum : 2 juli 2026
beslissing inbeslagneming toegestaan ex art. 98 lid 3 Sv
In de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] )
Procedure
Op 8 april 2026 heeft onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking plaatsgevonden in het pand gelegen aan [adres] te [plaats] ( [postcode] ). Tijdens die doorzoeking heeft de rechter-commissaris onder andere een fysiek stuk in beslag genomen, te weten:
- een envelop afkomstig van een notariskantoor met daarin fysieke stukken– code: [code] en goednummer: [goednummer] (hierna: het fysieke stuk).
De rechter-commissaris heeft diezelfde dag beslist dat het fysieke stuk dient te worden
overgebracht naar het kabinet rechter-commissaris, zodat de rechter-commissaris kan
beoordelen of daarop mogelijk een verschoningsrecht rust.
Op 9 april 2026 is het fysieke stuk in een afgesloten envelop aan de rechter-commissaris
te Rotterdam (hierna: de rechter-commissaris) overgedragen, waarna deze in een daarvoor
bestemde kluis op het kabinet rechter-commissaris is neergelegd.
Beoordeling
Verschoningsgerechtigde stukken
De rechter-commissaris heeft ter beoordeling kennisgenomen van het fysieke stuk. De rechter-commissaris heeft het fysieke stuk als volgt beoordeeld op de aanwezigheid van (mogelijk) verschoningsgerechtigd materiaal.
De rechter-commissaris heeft een envelop aangetroffen afkomstig van een verschoningsgerechtigde inhoudende een begeleidende brief opgesteld door een verschoningsgerechtigde, een concept testament en een aangehecht stuk opgesteld door diezelfde verschoningsgerechtigde.
De gerechtsjurist van de rechter-commissaris heeft op 17 april 2026 aan de notaris verzocht zich uit te laten over zijn/haar verschoningsrecht met betrekking tot de begeleidende brief, het concept testament en het aangehechte stuk. Meer specifiek heeft de gerechtsjurist van de rechter-commissaris verzocht kenbaar te maken of de verschoningsgerechtigde meent dat de de begeleidende brief, het concept testament en het aangehechte stuk verschoningsgerechtigd zijn en of de verschoningsgerechtigde zich beroept op haar verschoningsrecht ten aanzien van de begeleidende brief, het concept testament en het aangehechte stuk.
De notaris heeft op 8 mei 2026 kenbaar gemaakt dat de begeleidende brief, het concept testament en het aangehechte stuk rechtstreeks verband houden met de vertrouwelijke notariële dienstverlening en advisering in het kader van de uitoefening van het notariële ambt. Zij meent dat deze stukken naar hun aard als geheimhouderstukken dienen te worden aangemerkt.
Gelet op het bovenstaande en de aard en inhoud van de stukken, alsmede het feit dat de stukken afkomstig zijn van een verschoningsgerechtigde en de verschoningsgerechtigde de stukken heeft opgesteld in het kader van haar juridische dienstverlening, is de rechter-commissaris van oordeel dat de begeleidende brief, het concept testament en het aangehechte stuk verschoningsgerechtigd zijn.
Beoordeling ex art. 98 lid 5 Sv begeleidende brief en aangehecht stuk
De officier van justitie heeft de rechter-commissaris verzocht de betreffende stukken te beoordelen op grond van artikel 98 lid 5 Wetboek van Strafvordering (corpora et instrumenti delicti). De rechter-commissaris is van oordeel dat de begeleidende brief en het aangehechte stuk niet in een zodanig verband staan tot de verdenking (kort samengevat: verduistering en oplichting van een kwetsbare oudere), dat deze voorwerp uitmaken van het strafbare feit of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend.
Beoordeling ex art. 98 lid 5 Sv concept testament
Conform vaste jurisprudentie dient de rechter-commissaris een standpunt op te vragen bij de verschoningsgerechtigde indien zij meent dat er mogelijk sprake is van gegevens die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.
De gerechtsjurist van de rechter-commissaris heeft op 27 mei 2026 de verdenking jegens verdachte kenbaar gemaakt en verzocht – in het licht van de verdenking – eveneens (gemotiveerd) aan te geven of zij van oordeel is dat het concept testament daarmee ook voorwerp van het strafbare feit uitmaakt of tot het begaan daarvan heeft gediend.
De notaris heeft op 10 juni 2026 kenbaar gemaakt dat zij gelet op de beperkte kennis van de strafzaak niet kan beoordelen of dit stuk voorwerp van enig strafbaar feit uitmaakt, dan wel tot het begaan daarvan heeft gediend. De notaris geeft aan dat voorzover zij dit op basis van de eigen betrokkenheid en wetenschap kan overzien, zij geen aanleiding hiervoor ziet.
De aard van bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel over de vraag of brieven of geschriften onder het verschoningsrecht vallen in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
Het oordeel dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan dat het in dit verband door de verschoningsgerechtigde ingenomen standpunt onjuist is, komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris.
Of een in beslag genomen stuk ‘voorwerp van het strafbare feit uitmaakt’ of ‘tot het begaan daarvan heeft gediend’ laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar is in het bijzonder afhankelijk van de aard van het inbeslaggenomen stuk en de aard van het delict dat zou zijn begaan door de (rechts)persoon tegen wie de verdenking is gericht, alsmede de feitelijke gedragingen die hem in dat verband worden verweten (vgl. HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:8). De enkele omstandigheid dat het inbeslaggenomen stuk kan bijdragen aan de waarheidsvinding is in elk geval onvoldoende. Concepten van (valse) overeenkomsten kunnen als instrumenti delicti worden aangemerkt indien het strafbare feiten geacht wordt tot stand te kunnen komen met behulp van dan wel door middel van deze concepten (ECLI:NL:HR:2016:110).
In onderhavige zaak is er sprake van een concept testament dat is opgesteld op 20 maart 2025. Een definitief testament kan slechts naar aanleiding van een conceptversie tot stand zijn gekomen. Een conceptversie vormt daarmee een essentiële voorwaarde voor de totstandkoming van het definitieve testament, waardoor een concept testament een zelfstandigde betekenis krijgt en derhalve voorwerp van het strafbare feit kan uitmaken of tot het begaan daarvan kan hebben gediend.
[verdachte] wordt verdacht van verduistering en oplichting van een kwetsbare oudere, te weten [slachtoffer] , ofwel het wederrechtelijk toe-eigenen van andermans goederen en het verkrijgen van voordeel door misleiding of valse voorwendselen.
[slachtoffer] is op 28 maart 2025 door de kantonrechter bij de rechtbank Rotterdam wilsonbekwaam verklaard. Het concept testament heeft betrekking op [slachtoffer] en de persoon waar de verdenking opziet, namelijk [verdachte] . Het concept testament kan bewerkstelligen dat middels het definitieve testament [slachtoffer] [verdachte] en haar man als begunstigden aanwijst, zodat zij uit hoofde van dat testament aanspraak kunnen maken op de daarin omschreven erfrechtelijke verkrijgingen.
Gelet op het bovenstaande is de rechter-commissaris van oordeel dat het concept testament in een zodanig verband staat tot de verdenking, dat deze tot het begaan van het strafbare feit heeft gediend, zoals bedoeld in art. 98 lid 5 Sv. Derhalve is de rechter-commissaris van oordeel dat het ingenomen standpunt van de notaris onjuist is en dat de inbeslagneming van het concept testament is toegestaan.
Beslissing
De rechter-commissaris beslist dat:
- inbeslagneming van het concept testament is toegestaan.
De rechter-commissaris bepaalt voorts dat:
- de beslissing zal worden betekend aan de notaris;
- het concept testament zal worden vrijgegeven aan het OM en het onderzoeksteam;
- niet tot vrijgave van het concept testament aan het OM en het onderzoeksteam zal worden overgegaan dan nadat deze beslissing onherroepelijk is;
- het concept testament in de daarvoor bestemde kluis op het kabinet rechter-commissaris zal blijven tot deze beslissing onherroepelijk is;
- de begeleidende brief en het aangehechte stuk zullen worden geretourneerd aan de beslagene.
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. H.I. Kernkamp-Maathuis, rechter-commissaris.
Tegen de beslissing van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd.