[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] ,
in deze zaak bijgestaan door zijn raadsman mr. D.A.W. Dekker, advocaat te Amsterdam.
Opgelegde straffen
Bij onherroepelijk geworden arrest van het Hof van Beroep in Luik (België) van 17 september 2015 is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 180 dagen voor medeplegen van gekwalificeerde diefstal.
De tenuitvoerlegging van deze straf is op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerleggen vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) overgedragen aan Nederland en geregistreerd onder parketnummer 05/296245-19.
Bij onherroepelijk geworden arrest van het Hof van Beroep in Gent (België) 16 november 2018 is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 15 jaar voor medeplegen van doodslag. De tenuitvoerlegging van deze straf is eveneens op grond van de WETS overgedragen aan Nederland en geregistreerd onder parketnummer 05/090565-19.
Bij beslissingen van 30 mei 2024 en 25 juli 2024 van de rechtbank Gelderland is de voorwaardelijke invrijheidstelling met 60 dagen uitgesteld of zoveel korter als nodig is om een passende plek voor de veroordeelde te vinden.
De veroordeelde is op 7 augustus 2024 feitelijk in vrijheid gesteld en de proeftijd met strafrestant van 1879 dagen is gaan lopen.
Op 20 maart 2025 heeft de rechtbank Gelderland beslist dat de voorwaardelijke invrijheidstelling met 180 dagen wordt herroepen.
Op 20 augustus 2025 heeft de rechtbank Gelderland beslist dat de voorwaardelijke invrijheidstelling met 90 dagen wordt uitgesteld en op 21 oktober 2025 heeft voornoemde rechtbank beslist om de voorwaardelijke invrijheidsstelling met 60 dagen uit te stellen.
Bij de laatste beslissing van de rechtbank Gelderland van 30 december 2025 is de voorwaardelijke invrijheidstelling wederom met 45 dagen uitgesteld.
Bij wijzigingsbesluit voorwaardelijke invrijheidsstelling d.d. 14 januari 2026 is aan de
veroordeelde voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.) verleend met ingangsdatum van
16 januari 2026 met algemene voorwaarden en gewijzigde bijzondere voorwaarden van de v.i. Als bijzondere voorwaarden zijn gesteld: een meldplicht, drugs- en alcoholverbod, een klinische behandeling, begeleid wonen en het inspannen voor het verkrijgen van
dagbesteding.
De veroordeelde is op 2 september 2026 aangehouden en verblijft sindsdien in detentie.
Vordering
Op 3 september 2026 heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot (gedeeltelijke) herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde wegens het niet naleven van voormelde voorwaarden.
Bij de vordering is overgelegd het rapport van 2 september 2026 van het Leger des Heils, afdeling reclassering (hierna ook: de reclassering).
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van
21 september 2026. De officier van justitie mr. M.L.M. Kuiper en de veroordeelde, bijgestaan door de raadsman, zijn gehoord. Voorts is de deskundige [persoon A] , als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, gehoord.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 150 dagen zodat ernaar kan worden toegewerkt dat de veroordeelde opgenomen wordt in een beschermde woonvoorziening. De veroordeelde heeft meerdere voorwaarden niet nageleefd. Zo is de behandeling vroegtijdig negatief beëindigd en is er tweemaal contrabande aangetroffen op zijn kamer. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Nu de veroordeelde de Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA) in Poortugaal moest verlaten, heeft hij momenteel geen vaste woon- of verblijfplaats. De kans op terugval in middelengebruik en delictgedrag wordt daarmee vergroot. De reclassering gaat de komende periode op zoek naar een passende vervolgplek waar er verder gewerkt kan worden aan de recidivebeperking en gedragsverandering.
Standpunt veroordeelde
Namens de veroordeelde is verzocht de herroeping te beperken tot 60 of 90 dagen. De ervaring leert dat hoe verder die termijn in de toekomst ligt, hoe minder hard er wordt gewerkt aan een vervolgtraject. De veroordeelde is ook pas in aanloop naar deze zitting, op 16 september 2026 aangemeld bij de beschermde woonvoorziening De Blink in Rotterdam, terwijl dit eerder had gekund . Als hij eerder was aangemeld zou hij ook eerder terechtkunnen in De Blink.
Beoordeling
Uit het advies van de reclassering van 2 september 2026 blijkt dat de veroordeelde verwijtbaar de bijzondere voorwaarden die gesteld waren aan zijn v.i. niet heeft nageleefd. Het risico op recidive en het onttrekken aan de voorwaarden wordt ingeschat als hoog. Wel ziet de reclassering nog mogelijkheden voor gedragsverandering en risicobeperking na een gedeeltelijke herroeping van de v.i. Zowel de behandelaren als de reclassering concluderen dat de veroordeelde meer baat heeft bij een individuele vorm van beschermd wonen waarbij wel intensieve begeleiding geboden kan worden. Vanuit de FPA is er op 13 augustus 2026 contact opgenomen met de Blink Beschermd Wonen in Rotterdam en hieruit is gebleken dat de Blink heeft toegezegd de veroordeelde te willen spreken in het kader van een intake. De veroordeelde is op 16 september 2026 officieel aangemeld bij de Blink, maar een intakegesprek is nog niet ingepland.
De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de v.i.
gedeeltelijk toewijzen voor de duur van 90 dagen, zodat de ontwikkelingen in het vervolgtraject kunnen worden gevolgd. Daarbij spreekt de rechtbank de hoop uit dat de veroordeelde binnen deze termijn geplaatst kan worden in een beschermde woonvorm nu De Blink al in augustus 2026 te kennen heeft gegeven dat de veroordeelde bij hen geplaatst kan worden. Verder acht de rechtbank herroeping voor de duur van 150 dagen gezien de persoon van de veroordeelde (en zijn psychische gesteldheid waar geen zicht is op gekregen) een te forse reactie op de geconstateerde overtredingen. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat volgens de behandelaars een aanzienlijk deel van de stagnatie in de behandeling
voortkomt uit onvermogen bij de veroordeelde.
Beslissing De rechtbank:
-wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk toe;
-gelast dat van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog een gedeelte, groot 90 (negentig) dagen, moet worden ondergaan;
-wijst de vordering voor het overige af.
Deze beslissing is genomen door mr. R.H. Kroon, voorzitter,
en mrs. E. IJspeerd en E. Stam, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 oktober 2026.
De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.