Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/087023-26
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10/317575-24
Datum uitspraak: 13 oktober 2026
Datum zitting: 29 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] te [postcode] [woonplaats] .
Advocaten van de verdachte: mrs. L. van der Schee en E.A. Blok
Officier van justitie: mr. I. Barendregt
Benadeelde partij: [slachtoffer]
Gemachtigde van de benadeelde partij: [persoon A]
Kern van het vonnis
De verdachte heeft twee medewerkers van de P.I. Dordrecht mishandeld. Eén van die medewerkers heeft daarbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een dubbele open kaakbreuk. De mishandelingen kunnen niet aan de verdachte worden toegerekend, omdat hij volledig onder invloed van wanen heeft gehandeld. De verdachte wordt daarom ontslagen van alle rechtsvervolging. Aan hem wordt de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden opgelegd, alsmede een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (38z Sr). De voorlopige hechtenis wordt (opnieuw) geschorst onder de tbs-voorwaarden. De vordering benadeelde partij van € 14.000,- aan immateriële schade wordt toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel (36f Sr). Tot slot wordt de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tenuitvoerlegging (TUL) omdat de proeftijd nog niet liep op de pleegdatum.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte er – samengevat – van dat hij een medewerker van de P.I. Dordrecht (al dan niet zwaar) heeft mishandeld door met een vuistslag zijn kaak te breken en een andere medewerker van de P.I. Dordrecht heeft mishandeld door hem in zijn rug te trappen.
De volledige tenlastelegging (beschuldiging) houdt in dat
1.
primair:
hij op of omstreeks 02 februari 2026 te Dordrecht
aan een ander, te weten [slachtoffer] , zijnde een ambtenaar, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als Penitentiair Inrichtingswerker van P.I. Dordrecht
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een dubbele open kaakbreuk en/of gebitschade (verwijderde tand) heeft toegebracht, door die [slachtoffer] met kracht een vuistslag op/tegen diens kaak te geven;
subsidiair:
hij op of omstreeks 02 februari 2026 te Dordrecht
[slachtoffer] , zijnde een ambtenaar, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als Penitentiair Inrichtingswerker van P.I. Dordrecht heeft mishandeld, door die [slachtoffer] met kracht een vuistslag op/tegen diens kaak te geven, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had, te weten een dubbele open kaakbreuk en/of gebitschade (verwijderde tand);
2.
hij op of omstreeks 02 februari 2026 te Dordrecht
een persoon, te weten de inrichtingspsycholoog van P.I. Dordrecht (met aangiftenummer: [nummer X] ) heeft mishandeld,
door deze persoon met kracht op/tegen de rug/zij, althans het lichaam te trappen, als gevolg waarvan deze persoon ten val is gekomen; terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als inrichtingspsycholoog van P.I. Dordrecht.
2. Bewijs / Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van feit 1 primair en wordt veroordeeld voor feit 1 subsidiair en feit 2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 primair en zich ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1 primair
De beschuldiging onder 1 primair is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte twee medewerkers van de P.I. Dordrecht heeft mishandeld. Medewerker [slachtoffer] heeft daarbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten 1 subsidiair en 2 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer]
3. Proces-verbaal van de politie, aangifte medewerker ‘ [nummer X] ’
4. Letselverklaring met betrekking tot [slachtoffer]
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
1.
op 02 februari 2026 te Dordrecht
[slachtoffer] , zijnde een ambtenaar, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als Penitentiair Inrichtingswerker van P.I. Dordrecht
heeft mishandeld,
door die [slachtoffer] met kracht een vuistslag tegen diens kaak te geven,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had, te weten een dubbele open kaakbreuk en gebitschade (verwijderde tand);
2.
op 02 februari 2026 te Dordrecht
een persoon, te weten de inrichtingspsycholoog van P.I. Dordrecht (met aangiftenummer: [nummer X] )
heeft mishandeld,
door deze persoon met kracht tegen de rug te trappen, als gevolg waarvan deze persoon ten val is gekomen;
terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als inrichtingspsycholoog van P.I. Dordrecht.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1 subsidiair
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft en terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
Feit 2
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Strafbaarheid van de verdachte
Standpunt van de officier van justitie en van de verdediging
De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde niet aan de verdachte kan worden toegerekend, dat de verdachte dus niet strafbaar is en dat de verdachte daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia-rapportage van de psychiater en de GZ-psycholoog die de verdachte hebben onderzocht. Daaruit volgt dat de verdachte een psychische stoornis heeft, te weten een andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of
een andere psychotische stoornis met betrekkingswanen, (visuele) hallucinaties, achterdocht en desorganisatie. Daarnaast is sprake van een autismespectrumstoornis, zwakbegaafdheid en een (matige) stoornis in het gebruik van cannabis. Ten tijde van de bewezen feiten waren zowel de psychotische stoornis, de autismespectrumstoornis en de zwakbegaafdheid aanwezig. Er was sprake van een psychotische ontregeling in het kader van de psychotische stoornis. Dit beïnvloedde het handelen van de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten. De psychotische stoornis heeft daarin volgens onderzoekers volledig doorgewerkt. De paranoïde achterdocht en angst namen bezit van het denken, voelen en handelen van de verdachte en hij werd op dat moment volledig beheerst door zijn psychotisch toestandsbeeld. De verdachte was daardoor niet meer in staat controle uit te oefenen over zijn denken en handelen. Daarbij speelt ook mee het onvermogen om de consequenties van zijn daden te overzien vanuit de zwakbegaafdheid. Onderzoekers adviseren daarom de feiten in zijn geheel niet toe te rekenen aan de verdachte.
De rechtbank neemt de conclusies van bovengenoemde deskundigen aangaande de aanwezigheid en doorwerking van een psychische stoornis bij de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten over. De rechtbank is van oordeel dat de Pro Justitia-rapportage op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de bevindingen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke onderbouwing. Uit het advies volgt hoe de verdachte uiteindelijk volledig onder invloed van wanen heeft gehandeld.
Gelet op het bovenstaande concludeert de rechtbank dat de bewezenverklaarde feiten de verdachte niet kunnen worden toegerekend. Verdachte is daarom niet strafbaar voor de door hem gepleegde feiten en wordt dus ten aanzien van alle feiten ontslagen van alle rechtsvervolging.
4. Maatregelen
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie vordert oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, zoals door de reclassering is geadviseerd, en dadelijke uitvoerbaarheid daarvan. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging kan zich vinden in de eis van de officier van justitie. De verdediging verzoekt de rechtbank een zo kort mogelijke maximale duur te bepalen van de klinische opname.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft twee medewerkers van de P.I. Dordrecht mishandeld toen zij bij zijn cel stonden om met hem te bespreken dat hij medicatie nodig had vanwege zijn verwarde gedrag. Eén van de medewerkers heeft door een vuistslag van de verdachte een dubbele open kaakbreuk opgelopen. De andere medewerker werd vervolgens door de verdachte achternagezeten, waarna hij in zijn rug werd getrapt. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze medewerkers. Dat is niet alleen ernstig vanwege het (zware) letsel dat met name één van hen heeft opgelopen, maar ook omdat deze medewerkers simpelweg bezig waren met hun werk en handelden in het belang van de verdachte. Uit de slachtofferverklaring is de rechtbank ook gebleken dat de medewerkers zeer begaan waren en zijn met de verdachte, en hoe onbegrijpelijk het voor hen is dat uitgerekend de verdachte hen veel leed heeft berokkend.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 8 september 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, maar niet eerder voor een geweldsdelict.
Rapportage van deskundigen
In aanvulling op wat de psychiater en de GZ-psycholoog in de hierboven besproken Pro Justitia-rapportage over de aanwezigheid en doorwerking van een psychische stoornis ten tijde van de bewezenverklaarde feiten hebben opgemerkt, vermelden zij in die rapportage het volgende.
De verdachte heeft inmiddels tweemaal een psychotische episode doorgemaakt, geluxeerd
door gebruik van een middel (‘spice’). Hij toont wel enige bereidheid tot behandeling van zijn stoornis maar heeft hieromtrent ook veel twijfels (bijvoorbeeld over de noodzaak van langdurige behandeling). Indien er medicatieontrouw ontstaat en/of opnieuw sprake is van gebruik van middelen, bestaat de kans op verslechtering van het toestandsbeeld en daarmee ook de kans op opnieuw agressie-incidenten. Wanneer de verdachte psychotisch ontregelt, is de kans op onvoorspelbaar, agressief gedrag direct verhoogd. Ook laat de verdachte al
langere tijd een patroon van antisociaal/crimineel gedrag zien, ondanks de inspanningen van
de jeugdreclassering en de geboden hulpverlening (MST-traject). Het recidiverisico is als ‘hoog’ ingeschat waarbij behandeling noodzakelijk wordt geacht om het recidiverisico te beperken en de terugkeer naar de maatschappij te ondersteunen. Er wordt door zowel de psychiater als de GZ-psycholoog een terbeschikkingstelling met voorwaarden geadviseerd. Een zorgmachtiging is onvoldoende effectief voor het terugdringen van het risico op recidive.
Reclasseringsrapport
Ook Stichting Verslavingsreclassering GGZ (Novadic Kentron) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Op basis van de aanwezige problematiek en de delictgeschiedenis van de verdachte, schat de reclassering het risico op recidive, evenals het risico op letsel, in als hoog als verdere interventies uit zouden blijven. De reclassering adviseert positief over terbeschikkingstelling met onderstaande voorwaarden:
geen strafbaar feit plegen
meewerken aan reclasseringstoezicht
meewerken aan time-out
niet naar het buitenland
opneming in een zorginstelling
ambulante behandeling
verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
verbod verdovende middelen
alcoholverbod
locatiegebod (met elektronisch toezicht)
dagbesteding
De reclassering adviseert de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren, gelet op de grote kans op een misdrijf met schade voor personen. Daarnaast adviseert de reclassering oplegging van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte is sinds 21 september 2026 voor klinische behandeling opgenomen op de Forensisch Psychiatrische Afdeling [naam afdeling] te [plaats] .
Oplegging maatregelen
De verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde feit volledig ontoerekeningsvatbaar en daarom kan aan hem geen straf worden opgelegd. Wel kan een maatregel worden opgelegd.
Terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden
Aan de voorwaarden voor het opleggen van terbeschikkingstelling met voorwaarden is voldaan. Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Daarnaast zijn de feiten misdrijven waarop in de wet een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. De rechtbank neemt verder over de conclusies van de psychiater, de GZ-psycholoog en de reclassering en is met de officier van justitie van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten en het gevaar voor herhaling, de algemene veiligheid van personen eist dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Een minder ingrijpende maatregel neemt het herhalingsgevaar onvoldoende weg. De maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden acht de rechtbank daarom passend en geboden.
De rechtbank neemt de door de reclassering geadviseerde voorwaarden betreffende het gedag over. De verdachte heeft verklaard dat hij bereid is al deze voorwaarden na te leven. De klinische behandeling zal starten in de forensische zorginstelling FPA [naam afdeling] te [plaats] . De rechtbank acht het niet wenselijk om, zoals de verdediging wenst, een maximale duur aan de klinische behandeling te verbinden. Het is aan de behandelaren om in te schatten wanneer de verdachte klaar is voor de volgende stap.
Vanwege het herhalingsgevaar is het noodzakelijk dat de voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. Daarom bepaalt de rechtbank dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
De rechtbank legt de terbeschikkingstelling op omdat de verdachte met de mishandelingen misdrijven heeft gepleegd die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De eventuele terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom langer duren dan vier jaar.
Gedragsbeïnvloedende/vrijheidsbeperkende maatregel (38z Wetboek van Strafrecht)
Daarnaast is een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Sr geboden. Uit de rapporten blijkt dat sprake is van een aanzienlijk gevaar voor herhaling van gewelddadig gedrag. De bij de verdachte aanwezige problematiek brengt bovendien een blijvende kwetsbaarheid met zich mee. Het risico bestaat dat hij bij een eventuele terugval in middelengebruik, behandelontrouw of oplopende spanning opnieuw psychotisch ontregelt waardoor de kans op recidive toeneemt. Om de algemene veiligheid van personen of goederen te beschermen, dient de verdachte langdurig onder toezicht te staan. Ook aan de overige wettelijke vereisten voor het opleggen van de maatregel is voldaan. De verdachte zal namelijk ter beschikking worden gesteld. Gelet op het voorgaande zal de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking worden opgelegd.
5. Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 21 september 2026 geschorst tot aan de einduitspraak in deze zaak.
De officier van justitie heeft verzocht de voorlopige hechtenis bij deze einduitspraak opnieuw te schorsen, onder dezelfde voorwaarden als de voorwaarden betreffende het gedrag in het kader van de terbeschikkingstelling. Dit heeft ermee te maken dat een niet onherroepelijke, dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden, bij overtreding van de voorwaarden niet kan worden ‘omgezet’ in tbs met dwangverpleging. Via een schorsing van de voorlopige hechtenis met (de tbs-) voorwaarden ontstaat wel de mogelijkheid om, als de verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt, het herhalingsrisico te ondervangen door opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Omdat aan de verdachte de tbs-maatregel wordt opgelegd, welke maatregel vrijheidsbeneming kan meebrengen, is artikel 72 lid 3 Sv naar het oordeel van de rechtbank niet van toepassing. Dit betekent dat de rechtbank niet gehouden is het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen en dat de rechtbank opnieuw schorsing van dat bevel kan bevelen. De verdediging heeft zich hier ook niet tegen verzet.
De rechtbank zal bevelen dat de voorlopige hechtenis van de verdachte wordt geschorst. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbindt de rechtbank dezelfde voorwaarden als die zij aan de tbs-maatregel verbindt, alsmede de voorwaarden genoemd in artikel 80 lid 2 Sv. De rechtbank bepaalt dat de schorsing van de voorlopige hechtenis in duur beperkt is tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden. Als de verdachte dan de in het kader van de tbs-maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729.
Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.
6. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 14.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij kan slechts gedeeltelijk worden toegewezen, onder meer omdat de huidige stukken onvoldoende houvast bieden om blijvende beperkingen als uitgangspunt te nemen.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk (zwaar) lichamelijk letsel opgelopen als gevolg van het door de verdachte toegepaste geweld.
Uit de stukken blijkt dat sprake was van een dubbelzijdige open onderkaakfractuur. De kaakchirurg heeft een boogspalk aangebracht ter tijdelijke stabilisatie, omdat de onderkaak los hing. De operatie heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026. Daarbij zijn in de boven- en onderkaak in totaal elf botankers en 4 titanium plaatjes geplaatst.
De herstelperiode heeft ruim zes weken geduurd. Op 23 maart 2026 zijn de botankers onder plaatselijke verdoving verwijderd. Als gevolg van de operatie is een zenuw beschadigd waardoor de kin van de benadeelde partij gevoelloos is geworden. Verder zal de benadeelde partij in de toekomst nog een operatie moeten ondergaan, om een door het voorval doormidden gebroken onderhuidse verstandskies te verwijderen.
De benadeelde partij beschrijft dat hij door het letsel bijna ondraaglijke pijn heeft ervaren, veel is afgevallen en pas na tien weken weer volledig aan het werk kon gaan. Het letsel en het herstel daarvan hebben veel impact gehad op de benadeelde partij en zijn gezin, alsmede op de manier waarop de benadeelde partij nu zijn werk uitoefent.
Gelet op de hierboven beschreven aard en ernst van het letsel, de duur en intensiteit van de herstelperiode en de gevolgen voor de toekomst, waaronder de operatie die nog moet gaan plaatsvinden, ziet de rechtbank aanleiding aan te sluiten bij categorie 9.1.e.II. van de Rotterdamse schaal. De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding van 14.000,- komt de rechtbank billijk voor en wordt daarom toegewezen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 2 februari 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 95 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
7. Vordering tot tenuitvoerlegging
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van zes maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering niet kan worden toegewezen, omdat de proeftijd ten tijde van de nu bewezen feiten nog niet was gestart.
Standpunt van de verdediging
Het standpunt van de verdediging strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in de vordering, omdat de proeftijd nog niet was gestart.
Oordeel van de rechtbank
De verdediging heeft er terecht op gewezen dat de nu bewezen feiten niet tijdens de proeftijd zijn gepleegd. Op grond van artikel 6:1:18 van het Wetboek van Strafvordering loopt de proeftijd immers niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. De verdachte verbleef ten tijde van de bewezen feiten in detentie, te weten voor het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf. De officier van justitie wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
8. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze maatregelen is gebaseerd op de artikelen 36f, 38, 38a, 38z, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissingen
meewerken aan reclasseringstoezicht
meewerken aan time-out
niet naar het buitenland
opneming in een zorginstelling
ambulante behandeling
verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
verbod verdovende middelen
alcoholverbod
locatiegebod (met elektronisch toezicht)
dagbesteding
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 1 primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten niet strafbaar en ontslaat de verdachte voor die feiten van alle rechtsvervolging;
TBS-maatregel
gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:
geen strafbaar feit plegen
- de verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
- de verdachte werkt mee aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
- als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
- de verdachte gaat niet zonder toestemming van de reclassering naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden;
- de verdachte laat zich opnemen en behandelen in de forensische zorginstelling FPA [naam afdeling] te [plaats] of een vergelijkbare forensische zorginstelling te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het verder stabiliseren van het psychisch toestandsbeeld van de verdachte, psycho-educatie ten aanzien van de aanwezige problematiek, terugvalpreventie wat betreft middelengebruik en het vergroten van de copingvaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- de verdachte laat zich, na een opname in een zorginstelling, behandelen door het ambulant forensisch team van Fivoor Rotterdam of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het verder stabiliseren van het psychisch toestandsbeeld van de verdachte, psycho-educatie ten aanzien van de aanwezige problematiek, terugvalpreventie wat betreft middelengebruik en het vergroten van de copingvaardigheden. Bij behandeling is het van belang om de familie nadrukkelijk te betrekken. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
- de verdachte verblijft indien nodig geacht, in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start wanneer hier vanuit de behandelende instelling en/of reclassering meerwaarde van wordt gezien en het verblijf te realiseren is. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- de verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst IA (middelen behorend tot een stofgroep) en lijst II (softdrugs) in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn een urineonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- de verdachte gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn een urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- de verdachte is, indien hij bij zijn vader gaat verblijven, gedurende het locatiegebod op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de verdachte en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft de verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 12 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft de verdachte een aaneengesloten blok van 4 uur per dag vrij te besteden. De verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod. Het verblijfadres is [adres 2] te Rotterdam (woonadres van vader). Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. De verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat de verdachte in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen. De aansluiting van het elektronische monitoringmiddel kan plaatsvinden vanaf de derde werkdag nadat de reclassering is geïnformeerd over de ingangsdatum. De aansluiting zal plaatsvinden op het opgegeven verblijfadres;
- de verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van (betaald) werk, met een vaste structuur;
geeft aan Stichting Verslavingsreclassering GGZ opdracht de verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden onmiddellijk uitvoerbaar is;
Gedragsbeïnvloedende maatregel (art. 38z Sr)
legt de verdachte voor de feiten op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;
Voorlopige hechtenis
schorst de voorlopige hechtenis tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is;
verbindt aan de schorsing van de voorlopige hechtenis de hiervoor onder ‘TBS-maatregel’ genoemde voorwaarden en voorts de voorwaarden dat:
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-317575-24)
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 28 januari 2025 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1) te betalen een bedrag van € 14.000,- als vergoeding van immateriële schade en de wettelijke rente hierover vanaf 2 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,-, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat € 14.000,- te betalen en de wettelijke rente vanaf 2 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 95 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
10. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M. van der Leeden, voorzitter,
en mrs. N.M. Ketelaar en M. van der Veer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 13 oktober 2026.
Mrs. N.M. Ketelaar en N. Jallal zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.