Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-035630-25
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
Datum zitting: 30 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2001 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] in [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. T.S. Kessel
Officier van justitie: mr. R.P.L. van Loon
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. I.K. Oosterveen
1. Tenlastelegging
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
1
hij in of omstreeks de periode 14 april 2024 tot en met 30 april 2024 te Sliedrecht, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2014, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het
- vastpakken bij de billen en/of
- brengen van zijn, verdachtes, vinger in de vagina en/of tussen de schaamlippen en/of
- strelen over de vagina;
2
hij in of omstreeks de periode 14 april 2024 tot en met 30 april 2024 te Dordrecht, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2014, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het brengen en/of houden van zijn, verdachtes, hand op de (ontblote) vagina en/of billen van die [slachtoffer], terwijl dat feit werd begaan tegen een persoon bij wie hij, verdachte misbruik van een kwetsbare positie heeft gemaakt.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 en 2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 2. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat:
1
hij op 14 april 2024 te Sliedrecht, met [benadeelde partij], geboren op [geboortedatum 2] 2014, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het
- vastpakken bij de billen en
- brengen van zijn, verdachtes, vinger in de vagina en tussen de schaamlippen en
- strelen over de vagina;
2
hij op 14 april 2024 te Dordrecht, met [benadeelde partij], geboren op [geboortedatum 2] 2014, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het brengen en houden van zijn, verdachtes, hand op de ontblote vagina en billen van die [slachtoffer].
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Proces-verbaal van de politie[slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2014, heeft tijdens het kindvriendelijke studioverhoor het volgende verklaard. [slachtoffer] verklaarde dat zij een jongen genaamd [verdachte] kende. In het zwembad tilde [verdachte] [slachtoffer] op. Hij had zijn handen op de achterkant van haar bovenbenen beet, ter hoogte van haar billen. Hij deed toen met zijn hand haar bikinibroekje naar de zijkant en toen ging hij raar doen met zijn vinger. Hij had zijn vinger bij haar dola. [slachtoffer] vertelde dat zij kan plassen met haar dola en dat daar een soort opening zit en dat [verdachte] daar met zijn vinger in ging, ertussen ging en erop ging. Thuis zei [verdachte] tegen [slachtoffer] dat zij op schoot kon komen zitten. [verdachte] deed zijn hand in haar broek en daarna in haar onderbroek. Hij hield zijn hand daar bij haar dola. Op het moment dat [slachtoffer] [verdachte] een slaap lekker-knuffel gaf, deed hij zijn hand via de achterkant van haar onderbroek op haar billen. Het was onder haar onderbroek.
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [naam 1] (vader van het slachtoffer)Ik zag [slachtoffer] bij [verdachte] op schoot zitten. Ze waren aan het stoeien. Ik zag ze over de bank heen en weer gaan. Ze waren elkaar aan het kietelen. Ik zei: “Oké jongens, een beetje rustig”. Later zat [slachtoffer] op de schoot van [verdachte] en hing ze helemaal op hem. Ik zei “Hee, ga eens van die schoot af, je bent geen 10 meer.” De reden dat [slachtoffer] dat niet mag van mij is een soort van ervaring. Kinderen zitten ook in hun ontwikkeling. Jonge jongens zitten ook in hun ontwikkeling. Hun lichaampjes tegen elkaar. Het lichaam kan reageren, daarom wil ik dat niet. En dat is voor niemand leuk.
3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [naam 2] (moeder van het slachtoffer)Op 14 april 2024 zijn wij met het gezin samen met [verdachte] en [naam 4] naar het zwembad gegaan in Sliedrecht. Daarna zijn we naar ons huis gegaan in Dordrecht. Ik zag [verdachte] en [slachtoffer] stoeien op de bank. Mijn man kwam later de kamer binnen en zei: “Hee nu eraf.” Ik zag dat [verdachte] als reactie knalrood en ongemakkelijk werd.
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring [naam 3] (ex-vriendin van de verdachte)
Op 14 april 2024 hebben [verdachte] en ik gezwommen met [naam familie]. In het zwembad waren er heel veel aanrakingen van [verdachte] richting [slachtoffer], zowel boven water als onder water. Eigenlijk zaten zijn handen overal. Na het zwemmen gingen [verdachte] en ik eten met [naam familie] bij hun thuis. [slachtoffer] en [verdachte] zaten op de bank. [verdachte] trok [slachtoffer] dichter naar zich toe waardoor ze been tegen been kwamen te zitten. Daarna gingen ze stoeien. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] toen op schoot trok.
5. Verklaring van de verdachte
Ik ben met [naam familie] naar het zwembad geweest en daarna bij hen thuis geweest. Op de bank heb ik gestoeid met [slachtoffer]. Zij heeft bij mij op schoot gezeten. Op een gegeven moment zei haar vader dat we moesten stoppen. Later heb ik haar een slaap lekker-knuffel gegeven. Het klopt dat ik in die periode worstelde met seksuele gevoelens voor minderjarige meisjes van 7 tot 12 jaar oud.
Bewijsmotivering
De rechtbank stelt voorop dat volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring van het slachtoffer. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daarbij geldt wel dat deze bepaling betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel en niet vereist dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund.
De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden maar vergt een beoordeling van het concrete geval. In een zaak als de onderhavige, waarin de verdachte het tenlastegelegde ontkent en er geen directe getuigen zijn van de verweten ontuchtige handelingen, dient de rechter de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer te beoordelen en vervolgens of er voldoende steunbewijs voor de verklaring van het slachtoffer in het dossier aanwezig is.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal; voldoende is dat de verklaring van de aangeefster op concrete punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, waarbij die concrete punten “specifieke omstandigheden” van de tenlastegelegde seksuele gedragingen moeten opleveren.
Betrouwbaarheid verklaring slachtoffer
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt. De verklaring van [slachtoffer] in de kindvriendelijke studio is voldoende consistent, gedetailleerd en komt authentiek over. Het feit dat [slachtoffer] tijdens haar verhoor in de kindvriendelijke studio meer heeft verklaard over het misbruik door de verdachte dan zij aanvankelijk tegenover haar ouders heeft gedaan, doet hier niet aan af. Uit de verklaringen van beide ouders blijkt dat zij zich bewust waren van het risico van mogelijke beïnvloeding van [slachtoffer] door het stellen van bepaalde vragen. Zij hebben zich daar zoveel mogelijk van onthouden. Zij vonden het bovendien ongemakkelijk om door te vragen over het misbruik, waardoor het goed verklaarbaar is dat bepaalde aspecten van het misbruik pas voor het eerst naar voren zijn gekomen bij het verhoor van [slachtoffer] in de kindvriendelijke studio.
Voldoende steunbewijs
De vraag die vervolgens voorligt is of er sprake is van ander bewijs dat de verklaring van aangeefster verankert. De rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake is. De verklaring van [slachtoffer] vindt immers op concrete punten bevestiging in andere bewijsmiddelen die een bepaalde seksuele sfeer of context schetsen. Zowel de ouders van [slachtoffer] als de ex-vriendin van de verdachte zagen dat de verdachte veel interesse had in [slachtoffer] en haar veel aanraakte. De vader van de verdachte vond de aanrakingen thuis op de bank zo ongepast dat hij hier verbaal een einde aan maakte. De moeder van [slachtoffer] zag dat de verdachte als reactie hierop knalrood en ongemakkelijk werd. Deze verklaringen, in samenhang bezien met de verklaring van de verdachte dat hij in deze periode worstelde met seksuele gevoelens voor meisjes van de leeftijd van [slachtoffer], schetsen een bepaalde seksuele sfeer en vormen daarmee voldoende steun voor de verklaring van [slachtoffer]. Het verweer van de raadsman dat de ex-vriendin van de verdachte geen neutrale getuige is, is onvoldoende onderbouwd. Noch uit de verklaring van de verdachte, noch uit een ander bewijsmiddel in het dossier is deze stelling aannemelijk geworden. Het verweer wordt verworpen.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1
met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;
en
2
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen en maatregel
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden en oplegging van de 38z-maatregel zoals geadviseerd door de reclassering.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt primair om vrijspraak. Subsidiair verzoekt de verdediging om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest met een bijbehorende taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte is met zijn vinger seksueel binnengedrongen bij een negenjarig meisje en heeft haar bij haar billen en vagina betast. De verdachte heeft deze feiten gepleegd bij het slachtoffer thuis en tijdens een uitje van het gezin naar een openbaar zwembad. De verdachte heeft met deze handelingen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Seksueel misbruik van minderjarigen heeft grote gevolgen voor de betreffende slachtoffers. Misbruikte kinderen ondervinden vaak nog gedurende hun hele leven lichamelijke en psychische gevolgen van het misbruik. De verdachte heeft hier geen enkel oog voor gehad, maar was alleen maar bezig met zijn eigen seksuele lustgevoelens. Uit de spreekrechtverklaringen van de ouders van het slachtoffer is gebleken dat dit alles een grote impact heeft (gehad) op het slachtoffer en het gezin.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 9 september 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapporten van deskundigen en de reclassering
In het rapport van psycholoog [naam 5] van 24 juli 2025 staat – onder meer – het volgende. De psycholoog constateert dat de verdachte lijdt aan een autismespectrumstoornis, met een lichte verstandelijke beperking en een ongespecificeerde parafiele stoornis. Deze aandoeningen hebben hem in aanzienlijke mate beïnvloed bij het plegen van de beschuldiging. Het is aannemelijk dat de verdachte seksueel geprikkeld werd door het slachtoffer en dat hij deze prikkels onvoldoende kon reguleren, waardoor hij onvoldoende oog had voor het leeftijdsverschil en het ongepaste en wederrechtelijke karakter van zijn handelen. Door zijn intellectuele beperkingen heeft hij onvoldoende oog voor de morele, emotionele en strafrechtelijke consequenties van zijn seksueel grensoverschrijdend gedrag. De psycholoog adviseert om de beschuldiging in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte.
In het rapport van psychiater [naam 6] van 25 juli 2025 staat – onder meer – het volgende. De psychiater constateert dat er sprake is van een lichte verstandelijke beperking bij het slachtoffer. Als gevolg van zijn verstandelijke beperking kan hij minder goed omgaan met seksuele gevoelens en overziet hij minder goed de ernst van zijn gedragingen naar kinderen. De psychiater adviseert om de beschuldiging in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte.
Op basis van de rapporten van de psycholoog [naam 5] en de psychiater [naam 6], stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis en een verstandelijke handicap bestonden en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedden. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
In het rapport van Fivoor van 2 september 2025 staat – onder meer – het volgende. De reclassering ziet beschermende factoren in de relatie van de verdachte met zijn gezin van herkomst. Verder heeft de verdachte een positieve werkhouding en wil hij in zijn eigen inkomen voorzien. De verdachte stelt zich meewerkend op met zijn behandeling. De geschatte risico’s kunnen worden beperkt door zijn behandeling bij De Waag voort te zetten. Naast de behandeling is ook begeleiding nodig, zoals door Humanitas Homerun. De reclassering adviseert een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden welke dadelijk uitvoerbaar worden verklaard met een lange proeftijd en oplegging van de 38z-maatregel. De reclassering ziet zwaarwegende negatieve consequenties van gevangenisstraf. Er is een goed verlopend ambulant behandelcontact. Betrokkene heeft werk dat hem perspectief en zingeving biedt. De huidige opwaartse spiraal na maatschappelijk negatieve ervaringen van betrokkene draagt naar inschatting bij aan risicobeperking.
De voorlopige hechtenis van de verdachte is eerder geschorst onder (onder meer) de voorwaarde van een behandeling bij De Waag. Ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte inmiddels zijn behandelplafond bij De Waag heeft bereikt en thans wordt behandeld en begeleid door Humanitas Homerun.
Oplegging straffen en maatregel
Straffen
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Al met al wordt een gevangenisstraf van 180 dagen opgelegd. De rechtbank ziet echter aanleiding om van deze gevangenisstraf 176 dagen voorwaardelijk op te leggen. Daarbij weegt de rechtbank enerzijds mee dat de verdachte de bewezen feiten verminderd kunnen worden toegerekend. Daarnaast weegt mee dat de reclassering zeer duidelijk heeft aangegeven dat een gevangenisstraf zwaarwegende negatieve consequenties zal hebben met name ten aanzien van het voorkomen van soortgelijk gedrag in de toekomst. De rechtbank acht het van groot belang dat de verdachte de reeds lopende behandeling zal voortzetten om daarmee de kans op herhaling te beperken. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De bijzondere voorwaarden zijn: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke zorgverlener, het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met het slachtoffer en haar gezin, het vermijden van contact met minderjarigen en het inzicht bieden in de aard van zijn werk en zijn werklocaties.
Gelet op het structurele karakter van de problematiek en de blijvende kwetsbaarheid van de verdachte, verbindt de rechtbank aan deze voorwaardelijke straf een proeftijd van drie jaar, zoals ook geadviseerd door de reclassering.
Gelet op het reclasseringsadvies moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.
Daarnaast is gelet op de ernst van de strafbare feiten een taakstraf passend. Er wordt een taakstraf van 240 uur opgelegd.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (38z Wetboek van Strafrecht)
Om de veiligheid van anderen te beschermen, legt de rechtbank een maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking op. Het is noodzakelijk dat de verdachte langdurig onder toezicht kan worden gesteld, om de mogelijk nodige interventies in te zetten en de beschermende factoren aan te brengen of in stand te houden. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het rapport van Verslavingsreclassering GGZ Fivoor van 2 september 2025.
Ook aan de overige wettelijke vereisten is voldaan. De verdachte wordt namelijk veroordeeld tot een (gedeeltelijk voorwaardelijke) gevangenisstraf voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Ook is op het plegen van deze misdrijven een gevangenisstraf van vier jaar of meer gesteld.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor de feiten € 5.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten 1 en 2 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in haar persoon aangetast.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 5.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Hierbij is in het bijzonder gekeken naar de Rotterdamse Schaal. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 5.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 14 april 2024.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 50 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen en maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38z, 57, 244, 247 van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen en maatregel
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 176 dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. Meldplicht bij reclasseringVerdachte meldt zich bij Fivoor-reclassering Dordrecht op het adres Hoge Bakstraat 44, 3311 JW Dordrecht. Het gaat om een voortzetting van het reclasseringstoezicht in het kader van schorsing. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
2. Ambulante behandelingVerdachte laat zich behandelen door De Waag-forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is reeds gestart. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
3. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Verdachte verblijft indien de reclassering dit noodzakelijk vindt in een nader te indiceren instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo nodig tijdens de proeftijd. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
4. Contactverbod
Verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [benadeelde partij] ([geboortedatum 2] 2014), [naam 1] ([geboortedatum 3] 1981) en [naam 2] ([geboortedatum 4] 1983), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
5. Vermijden contact met minderjarigenVerdachte zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt veroordeelde dat de reclassering of professionals, dan wel personen die met de reclassering over het vermijden van contact met minderjarigen in contact staan, hierbij aanwezig zijn.
6. Inzicht bieden in aard van het werk en werklocatiesVerdachte geeft de reclassering inzicht in de aard en locaties van zijn werkzaamheden. Indien nodig heeft de reclassering contact met de betreffende organisatie of werkgever en kan het gebod contact met minderjarigen te vermijden, ter sprake worden gebracht;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 t/m 6 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38z Sr)
legt de verdachte voor de feiten 1 en 2 op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij] (feiten 1 en 2) te betalen een bedrag van € 5.000,-, bestaande uit vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 14 april 2024 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat € 5.000,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 14 april 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 50 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.S. Flikweert, voorzitter,
en mrs. H. Wielhouwer en N.A. Nowotny, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.B. Sahin griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 14 oktober 2026.