Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd
Parketnummer: 10-043799-26
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres], [postcode] in [plaatsnaam],
raadsvrouw: mr. R.S.E. Bruinen, advocaat in Amsterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2026.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. N. van der Meij heeft gevorderd:
- vrijspraak van het primair ten laste gelegde;
- bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde;
- dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt en dus moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
4. Waardering van het bewijs
Vrijspraak zonder nadere motivering primair ten laste gelegde
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde (poging doodslag) niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Bewijswaardering subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling. Het litteken is volgens de verdediging niet aan te merken als zwaar lichamelijk letsel.
Beoordeling
Vaststaat dat op 11 februari 2026 een incident heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en [aangever], waarbij aangever met een mes, dat de verdachte op dat moment vasthield, in zijn onderarm is geraakt. Aangever heeft hierdoor twee snijverwondingen en een krasverwonding opgelopen. De grootste verwonding betrof een snijverwonding van ongeveer 10,0 centimeter lang, 5,0 centimeter breed en 1,0 centimeter diep, waarbij onderhuids vetweefsel zichtbaar was. De verwachte genezingsduur bij een ongecompliceerd beloop bedroeg ongeveer twee weken. De verwonding heeft forse littekenvorming ten gevolg gehad.
De vraag die vervolgens voorligt is of dit handelen van de verdachte gekwalificeerd kan worden als zware mishandeling. De rechtbank stelt voorop dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat de verdachte daadwerkelijk de bedoeling had om aangever zwaar te verwonden. Dit neemt echter niet weg dat de verdachte door zijn gedragingen voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad.
Uit het dossier en de informatie van aangever bij de vordering benadeelde partij is gebleken dat aangever vanwege zijn letsel naar het ziekenhuis moest en dat de wonden daar zijn gesloten met dertig hechtingen. De snijverwonding bevond zich aan de buigzijde van de pols en onderarm, waar belangrijke pezen, zenuwen en bloedvaten dicht onder de huid liggen. Bij aangever zijn deze structuren gelukkig niet beschadigd; als dat wel was gebeurd, had het letsel nog ernstiger kunnen zijn. Op de gehele onderarm van aangever is tot op de dag van vandaag een groot litteken zichtbaar. Op grond hiervan, en gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie ECLI:NL:HR:2026:66) over herstel en restschade in de vorm van ontsierende littekens, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel en dat daarom wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zware mishandeling.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank verder van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte met het mes een trekkende beweging heeft gemaakt in de onderarm van aangever, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering partieel zal worden vrijgesproken.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde, met uitzondering van het onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde, heeft gepleegd. Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis zal worden gehecht.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
hij op of omstreeks 11 februari 2026 te Rotterdam aan een ander, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door
- die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te steken en/of te snijden in zijn onderarm, en/of
- (vervolgens) met dat mes een trekkende beweging te maken in de onderarm van die [slachtoffer].
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feit
Kwalificatie
Het bewezen feit levert op:
zware mishandeling.
Strafbaarheid
Standpunt verdediging
Door de verdediging is, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een beroep gedaan op noodweer. De verdediging stelt dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen en dat hij daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Niet de verdachte, maar aangever is volgens de verdediging de agressor geweest. Hij was namelijk degene die de verdachte eerst een paar klappen heeft gegeven en met een vuist op zijn hoofd heeft geraakt. De verdachte stond op dat moment in een hoek in een steeg waar hij niet weg kon en heeft eerst meermalen ‘stop’ geroepen. Dit leidde er niet toe dat het geweld vanuit aangever stopte. Een getuige heeft geprobeerd aangever van de verdachte af te trekken, maar dit leidde er evenmin toe dat het geweld vanuit aangever stopte. De verdachte heeft vervolgens zijn mes gepakt en voor zich gehouden. Gelet op de noodweersituatie was dat gerechtvaardigd, aldus de verdediging.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt.
Standpunt mr. M.M. Vié, raadsvrouw benadeelde partij
Namens de benadeelde partij (aangever) wordt aangevoerd dat het door de verdediging en de officier van justitie ingenomen standpunt dat de verdachte uit noodweer dan wel noodweerexces zou hebben gehandeld, dient te worden verworpen.
Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat een beroep op noodweer in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan slagen als aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes (of een anders) lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Noodweersituatie
Uit de verklaringen van de verdachte, [getuige] en de aangever blijkt dat het aangever is geweest die is begonnen met slaan. Hij gaf de verdachte klappen en sloeg hem met een vuist op zijn hoofd. Uit de verklaringen van de verdachte en de getuige blijkt verder dat de verdachte hierbij meermalen ‘stop’ heeft geroepen, maar dat aangever niet stopte, en dat de getuige heeft geprobeerd om aangever bij de verdachte weg te halen, maar dat aangever steeds terugkwam bij de verdachte en verder ging met het toepassen van geweld. De verdachte stond op dat moment in een hoek in een steeg. De rechtbank komt, gelet op deze omstandigheden, tot het oordeel dat op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding die zich richtte tegen de verdachte. De verdachte mocht zich in deze situatie verdedigen.
Eis van subsidiariteit en proportionaliteit
De verdachte heeft tijdens het incident een mes dat hij bij zich droeg gepakt met de bedoeling om, zo blijkt uit de verklaring van de verdachte, aangever te doen afschrikken, maar heeft aangever vervolgens met dat mes in zijn onderarm gesneden.
Bij de vraag of aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan, moet worden beoordeeld of de verdachte in plaats van de gehanteerde verdediging een andere uitweg had waarvoor hij had moeten kiezen. De rechtbank komt tot het oordeel dat op grond van de vastgestelde feiten kan worden geconcludeerd dat de verdachte geen andere reële mogelijkheid heeft gehad om uit de greep van aangever te komen. Hierbij heeft de rechtbank meegewogen dat de verdachte met zijn rug tegen de muur in een hoek in een steeg stond en dat hij fysiek een stuk kleiner en lichter is dan aangever. Er was voor de verdachte geen mogelijkheid om zich aan de aanval van aangever te onttrekken. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het voorgaande aan het vereiste van subsidiariteit voldaan.
De volgende vraag is of de gekozen reactie van verdachte een proportionele reactie was op de aanranding van aangever. Het komt er hierbij op neer of de reactie van de verdachte niet in een onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Naar het oordeel van de rechtbank had van de verdachte niet mogen worden verwacht dat hij zich op een andere manier had moeten verdedigen dan is gedaan. Zoals hiervoor al is overwogen, stond de verdachte in een hoek in een steeg toen hij werd aangevallen door aangever, heeft een getuige geprobeerd aangever van de verdachte af te halen en heeft de verdachte meermalen ‘stop’ geroepen. Hij heeft om uit die positie vandaan te komen, een mes gepakt om aangever te doen afschrikken. De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden de wijze van verdedigen door de verdachte in een redelijke verhouding stond tot de op hem uitgeoefende aanranding.
Conclusie
Er zijn feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. De rechtbank concludeert dat de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin de noodzaak bestond om zijn eigen lijf te verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door aangever. Het beroep op noodweer slaagt daarom. Het feit is dus niet strafbaar en de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
6. Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij] ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 364,86 aan materiële schade en een bedrag van € 5.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
Gelet op het standpunt dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomst, kan de benadeelde partij niet worden ontvangen in de vordering.
Standpunt verdediging
De vordering dient te worden afgewezen dan wel niet ontvankelijk worden verklaard gelet op het verzoek de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de verdediging enkele inhoudelijke opmerkingen gemaakt over de gevorderde immateriële schade, strekkende tot matiging van het gevorderde schadebedrag, en verzocht in matigende zin rekening te houden met een mate van eigen schuld van de benadeelde partij.
Beoordeling
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde feit wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Aan de verdachte wordt geen straf of maatregel opgelegd en evenmin wordt artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toegepast. Hierdoor is niet voldaan aan de voorwaarde voor ontvankelijkheid van de benadeelde partij, zoals gesteld in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering.
De benadeelde partij zal worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten worden begroot op nihil.
Conclusie
In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.
7. Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
8. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.J. Loorbach, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. D.I. Hendriks-van Wel en R. van der Wal, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van C.A. van den Houwen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 oktober 2026.
De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Primair:
hij op of omstreeks 11 februari 2026 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer], van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken en/of gesneden in zijn onderarm, en/of
- ( vervolgens) met dat mes een trekkende beweging heeft gemaakt in de onderarm van die [slachtoffer],
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 februari 2026 te Rotterdam aan een ander, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door
- die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te steken en/of te snijden in zijn onderarm, en/of
- ( vervolgens) met dat mes een trekkende beweging te maken in de onderarm van die [slachtoffer];
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 februari 2026 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken en/of gesneden in zijn onderarm, en/of
- ( vervolgens) met dat mes een trekkende beweging heeft gemaakt in de onderarm van die [slachtoffer],
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.