RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
Uitspraak van 14 oktober 2026
In de zaak van
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [straatnaam] , [postcode] te [woonplaats] ,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 17 september 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 18 september 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 7 oktober 2026.
Ter zitting van 7 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:
De heer mr. T. Roelofs, werkzaam bij Hafkamp Groenenwegen Gerechtsdeurwaarders heeft namens Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. In haar verweerschrift heeft verweerster aangegeven niet ter zitting te verschijnen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster ontvangt inkomsten uit een uitkering. De huur bedraagt € 695,66 per maand. De huurtermijn van september 2026 is op 4 september 2026 betaald. De huurtermijn van oktober 2026 is op 4 oktober 2026 betaald. Verzoekster staat sinds 15 september 2026 onder beschermingsbewind, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen vanaf heden tijdig betaald zullen worden. Daarnaast heeft verzoekster er belang bij om met haar drie inwonende minderjarige kinderen in de woning te kunnen blijven wonen.
3. Het verweer
Verweerster heeft in haar verweerschrift aangegeven zich te refereren naar het oordeel van de rechtbank.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 4 september 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 23 september 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij, samen met haar kinderen, in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 4 juni 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huurtermijnen van september en oktober 2026 zijn betaald, zij het niet op tijd. Daarnaast staat verzoekster sinds 15 september 2026 onder beschermingsbewind. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting onderbouwd dat met de inkomsten de vaste lasten – waaronder de huurtermijnen - kunnen worden betaald en dat er daarnaast een bedrag overblijft om aan de schuldeisers in het minnelijk traject te kunnen aanbieden. Er is dus voldoende gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden betaald. De rechtbank acht een ontruiming van de woning van verzoekster bovendien niet in het belang van de inwonende minderjarige kinderen van verzoekster. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 4 juni 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [straatnaam] , [postcode] te [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 18 september 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.A. Bettonvil, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.