RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
Uitspraak van 14 oktober 2026
In de zaak van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Sierra Leone,
wonende te [straatnaam], [postcode] te [woonplaats],
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 10 september 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 11 september 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 7 oktober 2026.
Ter zitting van 7 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:
De heer [persoon B], werkzaam bij GGN Mastering Credit B.V. heeft namens Stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting op 6 oktober 2026 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. In haar verweerschrift heeft verweerster aangegeven niet ter zitting te verschijnen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 december 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft reeds eerder een verzoek ex artikel 287b Fw en ex artikel 284 Fw ingediend, waarop bij uitspraak van 4 februari 2026 door de rechtbank Rotterdam een beslissing is genomen. Daarbij is een moratorium voor de duur van zes maanden toegewezen. Gedurende het eerste moratorium is er weinig tot geen voortgang in het schuldhulpverleningstraject geboekt als gevolg van interne omstandigheden en miscommunicatie tussen betrokken gebiedsteams binnen Geldplein. Schuldhulpverlening erkent en benadrukt dat deze tekortkoming volledig aan hen is toe te rekenen. Het minnelijk traject bevindt zich momenteel nog steeds in de opstartfase. Schuldhulpverlening heeft de schuldenlast van verzoeker nog niet geïnventariseerd. Ook wordt budgetbeheer pas deze maand opgestart.
Verzoeker heeft inkomen uit arbeid van € 2.100,- netto per maand. De huur bedraagt € 1.130,33 per maand. In het verzoekschrift heeft schuldhulpverlening aangegeven dat de lopende huurtermijnen vanaf het vorige moratorium, februari 2026, betaald zijn. Verzocht wordt het moratorium voor een tweede keer toe te wijzen; nu verzoeker geen enkel verwijt treft dat het schuldhulpverleningstraject niet is opgestart.
3. Het verweer
In haar verweerschrift stelt verweerster zich – kort samengevat – op het volgende standpunt. Verzoeker heeft reeds eerder een moratorium voor zes maanden toegewezen gekregen. Artikel 287b, vijfde lid, Fw bepaalt dat de voorlopige voorziening wordt uitgesproken voor de duur van maximaal zes maanden. De wet verzet zich niet tegen een herhaald verzoek, maar de looptijd van het vorige moratorium dient wel bij een tweede verzoek in mindering te worden gebracht. De wet biedt geen ruimte voor een herhaald verzoek, wanneer de volledige zes maanden al zijn verstreken. Bij een herhaald verzoek dient ook beoordeeld te worden of sprake is van gewijzigde omstandigheden waaruit (1) blijkt dat betaling van de lopende huurtermijnen nu wel voldoende is gewaarborgd en (2) een minnelijke regeling een reele kans van slagen heeft. Van dergelijke omstandigheden is bij verzoeker geen sprake. Verzoeker heeft de periode van het eerste moratorium niet benut om het minnelijk traject voortvarend op te starten. Verweerster heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Vast is komen te staan dat verzoeker eerder een verzoekschrift ex artikel 284 Fw, met een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw heeft ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad (‘moratorium’). Op 4 februari 2026 is dit verzoek voor de duur van zes maanden toegewezen. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is in datzelfde vonnis niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft nu opnieuw verzocht een moratorium toe te wijzen voor de duur van zes maanden. Dit verzoek ziet op de ontruiming van dezelfde huurwoning en heeft wederom betrekking op hetzelfde ontruimingsvonnis van 1 december 2023. De faillissementswet verzet zich niet tegen een herhaald verzoek. Artikel 287b lid 5 Fw bepaalt echter wel dat de desbetreffende voorlopige voorziening wordt uitgesproken voor de duur van maximaal zes maanden. Door het eerder afgekondigde moratorium is deze periode inmiddels verstreken. De wet voorziet niet in een mogelijkheid om een moratorium voor meer dan zes maanden uit te spreken.
Gezien het bovenstaande wijst de rechtbank het verzoek om een moratorium af.
De rechtbank stelt voorts vast dat het minnelijk traject nog moet worden opgestart. Ter zitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat zij de schuldenlast nog aan het inventariseren is. De termijn die is verstreken sinds de behandeling van het vorige moratorium, is door toedoen van schuldhulpverlening niet actief benut om het schuldhulpverleningstraject te doorlopen. Nu er geen compleet verzoek ex artikel 284 Fw klaar ligt, ziet de rechtbank geen aanleiding het voorliggende verzoek aan te merken als een verzoek ex artikel 287 lid 4 Fw.
De rechtbank betreurt deze gang van zaken. Zeker omdat verzoeker zijn afspraken met schuldhulpverlening gedurende het hele traject is nagekomen en hij actief steeds heeft geïnformeerd naar de stand van zaken van zijn traject. Zij gaat er dan ook vanuit dat schuldhulpverlening, thans alsnog met de nodige voortvarendheid de schulden van verzoeker in kaart gaat brengen en probeert om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Mocht dit door hernieuwde dreigende woningontruiming niet mogelijk blijken, dan kan in dat geval een compleet verzoekschrift op grond van artikel 284 Fw samen met een verzoek op grond van artikel 287, vierde lid, Fw worden ingediend.
Omdat het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.