ECLI:NL:RBROT:2026:14376

ECLI:NL:RBROT:2026:14376

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 12-10-2026
Datum publicatie 20-10-2026
Zaaknummer 12359539 VV EXPL 26-520
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Vordering tot schorsing relatiebeding (artikel 7:653 BW). Het beding is niet aanmerkelijk zwaarder gaan drukken. Gedaagde heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld. Eiser wordt niet onbillijk benadeeld door het beding.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12359538 VV EXPL 26-520

datum uitspraak: 12 oktober 2026

Vonnis in kort geding van de kantonrechter

in de zaak van

[eiser],

woonplaats: [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. R.P.C. van de Ven,

tegen

[gedaagde],

vestigingsplaats: [vestigingsplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. H.B. Dekker.

De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1. De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

de dagvaarding van 21 september 2026, met acht bijlagen;

de e-mail van [gedaagde] van 22 september 2026 om 10:52 uur;

de e-mail van [eiser] van 22 september 2026 om 12:02 uur;

de e-mail van [gedaagde] van 22 september 2026 om 12:23 uur;

het antwoord met negen bijlagen;

de e-mail van [eiser] van 24 september 2026 met bijlagen 9 tot en met 18.

Op 28 september 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:

[eiser] met mr. R.P.C. van de Ven;

namens [gedaagde]: de heer [persoon A] (algemeen directeur), de heer [persoon B] (directielid) en de heer [persoon C] ((voormalig) leidinggevende van [eiser]) met mr. H.B. Dekker.

Na dagvaarding heeft [gedaagde] aangevoerd dat de dagvaarding nietig was, omdat de betekeningstermijn van minimaal één week niet zou zijn aangehouden. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] dit beroep op nietigheid ingetrokken. Hierop zal daarom niet worden beslist.

2. De beoordeling

De zaak

[eiser] is sinds 18 juni 2018 bij [gedaagde] in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Per 1 april 2019 zijn partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd overeengekomen. Destijds was [eiser] werkzaam als Adviseur Risk Management. Op het moment van dagvaarding was hij werkzaam als Senior Accountmanager binnen het segment Transport en Logistiek. [eiser] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 oktober 2026. In de arbeidsovereenkomst staat het volgende beding (hierna: ‘het beding’ of ‘het relatiebeding’):

“Artikel 12 Relatiebeschermings- en anti-ronselbeding

1. In geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, om welke reden dan ook, zal Werknemer in overleg met Werkgever de werkzaamheden ten behoeve van de cliënten en relaties, waaronder (maar niet beperkt tot) oude relaties en prospects van Werkgever en/of van aan haar gelieerde ondernemingen, beëindigen. Werknemer zal zich er alsdan tot het uiterste voor inspannen, dat de cliënten en relaties van Werkgever voor Werkgever behouden blijven.

2. Het is Werknemer zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Werkgever verboden, gedurende 2 jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst (ongeacht de wijze waarop en de reden waarom de arbeidsovereenkomst is geëindigd) om binnen Nederland:

 op enigerlei wijze, direct of indirect, tegen vergoeding of om niet, zakelijke relaties/ betrekkingen aan te gaan en of te onderhouden met enige persoon, instelling, vennootschap of onderneming, waarmee Werkgever (of met Werkgever gelieerde ondernemingen) direct of indirect zakelijke relaties onderhoudt en/ of heeft onderhouden in de laatste twee jaar voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst; en

 werknemers van Werkgever (en/ of van aan haar gelieerde ondernemingen) te benaderen, teneinde hen te bewegen de (dienst)betrekking met Werkgever (en/ of met aan haar gelieerde ondernemingen) te beëindigen en/ of met die werknemers een arbeidsrelatie (arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht) (betaald dan wel onbetaald) aan te gaan.

3. Onder “gelieerde onderneming” in de zin van dit artikel worden in ieder geval verstaan: vennootschappen die behoren tot dezelfde concern of dezelfde groep als Werkgever, alsmede vennootschappen waarin Werkgever op enige wijze participeert.

4. Onder “oude relaties van Werkgever en/ of van met Werkgever gelieerde ondernemingen” in de zin van dit artikel worden in ieder geval (maar niet uitsluitend) verstaan: relaties met wie Werkgever en/of met Werkgever gelieerde ondernemingen gedurende twee jaar voorafgaande aan het einde van het dienstverband van Medewerker facturen heeft doen toekomen.

5. Onder “zakelijke relaties” in de zin van dit artikel worden tevens (maar niet uitsluitend) verstaan: huidige relaties en prospects van Werkgever en/ of van met Werkgever gelieerde ondernemingen: dit zijn relaties, die op het moment van uitdiensttreding van Medewerker nog geen cliënt zijn van Werkgever en/ of van met Werkgever gelieerde ondernemingen, echter waaraan wel in de twee jaar voorafgaande aan het einde van het dienstverband een offerte door Werkgever is toegezonden.

6. Onder “werknemers” in de zin van dit artikel vallen ook werknemers van wie het dienstverband in de twee jaar voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst met Werknemer tot een einde is gekomen.

7. Op overtreding van het gestelde in dit artikel verbeurt Werknemer jegens Werkgever, zonder dat hiertoe enige voorafgaande kennis of ingebrekestelling vereist is, een onmiddellijk opeisbare boete ten bedrage van € 5.000,-- (zegge: vijfduizend euro) per overtreding en € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro) voor elke dag dat de overtreding voortduurt. In afwijking van artikel 7:650 BW (meer specifiek lid 3 van dit artikel), voor zover van toepassing, zal de boete in zijn geheel ten goede komen aan Werkgever. In afwijking van artikel 7:650 lid 5 Burgerlijk Wetboek is het totale bedrag aan een opeisbare boete niet aan een maximum gebonden.

Onverminderd de aanspraken van Werkgever op de boete als bedoeld in dit artikel, kan Werknemer, in afwijking van het bepaalde in artikel 6:92 lid 1 tot en met 3 BW, gehouden worden aan de bedingen als opgenomen in dit artikel. Werkgever kan in plaats van de boete volledige schadevergoeding ter zake van enige overtreding van de bedingen vorderen.”

[eiser] voert aan dat hij onbillijk wordt benadeeld door het beding. Feitelijk ontneemt het beding hem de mogelijkheid zijn beroep uit te oefenen, zo stelt hij, omdat zijn waarde op de arbeidsmarkt onlosmakelijk verbonden is met zijn netwerk in de niche, dat hij gedurende zijn loopbaan heeft opgebouwd. Het beding reikt volgens [eiser] verder dan noodzakelijk ter bescherming van het bedrijfsdebiet van [gedaagde]. Voorts zouden de reikwijdte van het beding en de termijn ervan buitensporig ruim zijn. Doordat [eiser] op het moment van zijn uitdiensttreding per 1 oktober 2026 een andere functie bekleedde dan tijdens het aangaan van de arbeidsovereenkomst, is het beding aanmerkelijk zwaarder gaan drukken. [eiser] vindt verder dat [gedaagde] dermate ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, dat zij geen rechten zou mogen ontlenen aan het beding. In dit kader voert [eiser] onder meer aan dat de onderlinge verhoudingen zijn verslechterd toen [eiser] in september 2025 bij [gedaagde] heeft aangegeven voor zichzelf te willen beginnen. Ten slotte is ook het boetebeding buitensporig, aldus nog steeds [eiser].

Tegen deze achtergrond vordert [eiser], samengevat, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

het beding te schorsen met ingang van de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk over de geldigheid van dat beding is beslist;

voor het geval de kantonrechter een volledige schorsing afwijst: het beding met ingang van de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt gedeeltelijk te schorsen

a. voor wat betreft de termijn waarvoor het geldt;

b. ten aanzien van de relaties met wie [eiser] in de twaalf maanden voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst uit hoofde van zijn functie daadwerkelijk zakelijk contact heeft onderhouden;

c. met uitzondering van (lees: voor zover het betreft) de in productie 3 bij de dagvaarding genoemde ondernemingen en de overige door [eiser] zelf aangebrachte relaties;

d. met uitzondering van (lees: voor zover het betreft) prospects en relaties die op de einddatum geen cliënt van [gedaagde] meer zijn; en

e. uitsluitend voor zover [eiser] die relaties er actief toe beweegt hun relatie met [gedaagde] te beëindigen;

3. veroordeling van [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] een schriftelijke en gespecificeerde opgave te verstrekken van de relaties die zij onder het beding begrepen acht, onder vermelding van de datum en de aard van het laatste contact, bij gebreke waarvan het beding jegens de niet-opgegeven relaties geen werking heeft;

4. schorsing van het boetebeding (lid 7 van het beding);

5. voor het geval het beding geheel of gedeeltelijk in stand blijft: veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een vergoeding van 50% van het laatstverdiende bruto maandsalaris voor iedere maand dat het beding na het einde van de arbeidsovereenkomst in stand blijft;

6. het opleggen van een dwangsom aan [gedaagde] indien zij in strijd handelt met het onder 3 gevorderde;

7. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten, met rente.

De vordering zal worden afgewezen. Hierna zal worden toegelicht hoe tot dit oordeel is gekomen, waarbij zal worden ingegaan op het verweer van [gedaagde].

[eiser] heeft een spoedeisend belang

Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de vordering in een bodemprocedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de vordering worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.

[eiser] heeft in dit kader aangevoerd dat hij zicht heeft op een functie bij een andere onderneming in dezelfde branche. Bovendien is de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] inmiddels geëindigd. [eiser] heeft daardoor een spoedeisend belang, namelijk om spoedig te weten waar hij voorlopig – in een kort geding wordt slechts een voorlopig oordeel gegeven – aan toe is.

[gedaagde] heeft de reikwijdte van het beding tijdens de zitting beperkt

[gedaagde] heeft tijdens de zitting aangegeven het beding te beperken, in die zin dat gelieerde ondernemingen, prospects, ex-prospects, ex-klanten, klanten buiten de portefeuille van [eiser] en klanten buiten de sector Transport en Logistiek niet langer onder de reikwijdte ervan zullen behoren. De klanten die (wel) onder de reikwijdte van het beding vallen, zijn de klanten aan wie in 2026 een factuur is gestuurd, waardoor ook de termijn van de laatste twee jaar voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst (lid 2, eerste bullet van het beding) wordt beperkt.

Het voorgaande betekent dat het beding thans alleen nog ziet op de portefeuille van [eiser] en op de algemene portefeuille van de sector Transport en Logistiek. Met die klanten mag [eiser] op grond van het beding gedurende twee jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst binnen Nederland geen zakelijke relaties onderhouden. De kantonrechter zal beoordelen of het beding in zoverre al dan niet geschorst moet worden. Daarbij zal de kantonrechter ook beslissen over het anti-ronselbeding en het boetebeding.

Het beding is niet aanmerkelijk zwaarder gaan drukken

Een ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding kan tot gevolg hebben dat een relatiebeding zijn werking verliest, indien die wijziging tot gevolg heeft dat het relatiebeding aanmerkelijk zwaarder op de werknemer gaat drukken dan voorheen het geval was.

Als Adviseur Risk Management kreeg [eiser] ongeveer twintig bestaande klanten in zijn beheer en haalde hij daarnaast nieuwe klanten binnen. Na verloop van tijd voerde [eiser] bredere werkzaamheden uit: hij zette business- en preventieplannen op en zette zich in ten behoeve van de inkoop van verschillende verzekeraars bij [gedaagde]. Als Senior Accountmanager beheerde hij zelfstandig een relatieportefeuille en breidde hij deze sterk uit.

Het voorgaande heeft er naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet toe geleid dat het beding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Het carrièrepad dat [eiser] tijdens het dienstverband bij [gedaagde] heeft doorlopen, was in de onderhavige branche voorspelbaar en gebruikelijk. Partijen hadden bovendien bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst beiden voor ogen dat [eiser] intern stappen zou maken. Het beding ziet bovendien niet op het opstellen van business- en preventieplannen, welke taken [eiser] gedurende de arbeidsovereenkomst erbij kreeg.

[gedaagde] heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld.

[gedaagde] zou geen rechten aan het relatiebeding kunnen ontlenen, indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan haar zijde (artikel 7:653 lid 4 BW). Hierbij moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten kan ook bestaan uit een reeks van op zichzelf niet ieder afzonderlijk ernstig verwijtbare gedragingen.

[eiser] heeft, samengevat, aangevoerd dat hij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd vanwege het handelen van [gedaagde], dat zou bestaan uit de aan het slot van rechtsoverweging 2.1. bedoelde gedragingen. [eiser] werkte ruim acht jaar bij [gedaagde] en zijn beoordeling was steeds positief. Vier weken na zijn voorstel om, in samenwerking met [gedaagde], voor zichzelf te beginnen, gaf [gedaagde] hem een negatieve beoordeling, doorgroeimogelijkheden werden uitgesloten en [gedaagde] zou hebben gezegd dat hij beter kon vertrekken. [eiser] was sinds september 2025 in gesprek met [gedaagde] over het starten van een eigen bedrijf. De gesprekken tussen partijen hierover zouden aanvankelijk open zijn geweest. [gedaagde] heeft [eiser] gevraagd een businessplan op te stellen. Toen hij zijn plan presenteerde aan [gedaagde], ging [gedaagde] niet akkoord en veranderde volgens [eiser] de toon van [gedaagde] jegens hem. Partijen zijn gestart met een mediationtraject, maar dit heeft niet geleid tot een verbetering van de arbeidsrelatie. Voorts verwijt [eiser] [gedaagde] dat zij hem bij de aanvang van het dienstverband meermaals beloften heeft gedaan, althans verwachtingen bij hem heeft gewekt, dat hij aandeelhouder zou worden, maar deze beloften nimmer is nagekomen. [eiser] heeft tijdens de zitting gezegd dat de houding van [gedaagde] ervoor heeft gezorgd dat hij ziek werd. Tijdens zijn afwezigheid heeft [eiser] niets van [gedaagde] vernomen. Hij had het beheer van zijn mailbox overgedragen aan één collega. Desondanks hebben (ook) andere werknemers van [gedaagde] dit op zich genomen, onder wie zijn leidinggevende, met wie de onderlinge verhouding ook al was verslechterd.

Hoewel uit de stukken kan worden afgeleid dat de arbeidsrelatie de afgelopen één à twee jaar inderdaad is verslechterd – hetgeen [gedaagde] overigens niet heeft betwist – is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet gebleken dat [gedaagde] dermate ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, dat zij geen beroep meer zou mogen doen op het beding. [gedaagde] heeft ontkend dat [eiser] mocht verwachten dat zij (uiteindelijk) akkoord zou gaan met zijn plannen om, in samenwerking met [gedaagde], voor zichzelf te beginnen. Dat dit (wel) het geval zou zijn, blijkt onvoldoende uit de overgelegde stukken, waardoor de kantonrechter er niet van uit zal gaan dat [eiser] deze verwachtingen mocht hebben. Voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten zijdens [gedaagde] op dit punt is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen sprake. Het plan van [eiser] zou immers nadelig uitpakken; derhalve valt te begrijpen dat [gedaagde] het heeft afgekeurd. Uit de stukken kan daarnaast weliswaar worden afgeleid dat partijen hebben gesproken over het toekennen van aandelen aan [eiser], maar dat [gedaagde] daadwerkelijk beloftes daartoe heeft gedaan, kan er niet uit worden geconcludeerd. Dat [gedaagde] niet van zich heeft laten horen tijdens de ziekte van [eiser] en meer personen zijn mailbox beheerden dan [eiser] wilde, wijst evenmin op ernstig verwijtbaar handelen door [gedaagde].

[eiser] wordt niet onbillijk benadeeld door het relatiebeding

De kantonrechter kan in deze procedure het beding schorsen indien het voldoende aannemelijk is dat, in verhouding tot het te beschermen belang van [gedaagde], [eiser] door het beding onbillijk wordt benadeeld (artikel 7:653 lid 3 onder b BW). [gedaagde] heeft belang bij bescherming van haar bedrijfsdebiet en [eiser] heeft aangevoerd vanwege het beding zijn werk niet meer te kunnen uitoefenen. In de onderhavige branche en niche valt of staat veel met het netwerk dat gedurende de loopbaan is opgebouwd. Zo heeft [eiser] onweersproken aangevoerd dat hij met een aantal klanten ruim dertig jaar contact heeft en dat met sommigen ook privé een band is ontstaan. Daarnaast zijn klanten in de onderhavige branche niet zozeer gebonden aan het assurantiën makelaarskantoor, maar veeleer aan hun contactpersoon aldaar. Volgens [eiser] zouden klanten hem willen volgen als hij een eigen onderneming zou starten of bij een andere werkgever aan de slag zou gaan, maar het beding belemmert hen daartoe, aldus [eiser].

De kantonrechter ziet geen aanleiding het relatiebeding te schorsen, omdat [gedaagde] dan in haar bedrijfsdebiet zou worden geschaad, zonder dat het belang van [eiser] daartegenover zwaarder weegt. [gedaagde] heeft het beding tijdens de zitting voorts reeds beperkt.

De omstandigheid dat het beding gedurende twee jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst geldt, benadeelt [eiser] niet onbillijk. Hoewel klanten in beginsel de contactpersoon zullen willen volgen, is het in het belang van [gedaagde] om haar die twee jaar de tijd te geven om die (haar toebehorende) klanten aan zich te binden. Na die twee jaar zouden die klanten alsnog kunnen “terugkeren” naar [eiser]. Ook voor wat betreft het territorium waarbinnen het beding geldt (Nederland), zal het beding niet worden beperkt. De klanten van [gedaagde] zijn over heel Nederland verspreid, zoals omgekeerd [eiser] (potentiële) klanten die niet onder het – ter zitting beperkte – relatiebeding vallen, in heel Nederland mag acquireren. Overigens heeft [eiser] in zijn petitum ten aanzien van het territorium geen schorsing gevorderd.

Voor [eiser] is met name van belang dat hij bij zijn indiensttreding onder andere klanten meebracht met wie hij reeds gedurende decennia een zakelijke relatie had. Die klanten komen voornamelijk uit de onderneming die [eiser] voor de indiensttreding had. Die klanten alsmede de klanten die [eiser] tijdens zijn dienstverband met [gedaagde] heeft binnengehaald, vallen onder de reikwijdte van het beding. Tijdens de zitting heeft [eiser] erkend dat deze klanten juridisch gezien niet zijn klanten zijn, maar die van [gedaagde]. Bovendien zijn partijen het erover eens dat de klanten doorgaans meer gehecht zijn aan de contactpersoon dan aan het makelaarskantoor zelf. Precies dit is wat [gedaagde] met het relatiebeding heeft willen – en ook mogen – beschermen. Schorsing van het beding op dit punt zou betekenen dat [gedaagde] in die “strijd” met een achterstand zou beginnen. De termijn van twee jaar geeft haar de kans haar eigen klanten te (kunnen) behouden. Hetzelfde geldt voor de klanten die [eiser], of iemand anders binnen de afdeling Transport en Logistiek, tijdens zijn dienstverband heeft verworven. Niet valt in te zien waarom het beding op dat punt zou moeten worden geschorst. Het aantrekken van nieuwe klanten maakte immers een belangrijk deel uit van zijn werk bij [gedaagde]. Hiertegenover staat, zoals [gedaagde] ter zitting terecht heeft aangevoerd, dat zij in de sector Transport en Logistiek en zeker in de niche van het verzekeren van – kort gezegd – wagenparken in Nederland een relatief beperkt marktaandeel heeft. Dat [eiser] bij handhaving van het beding feitelijk zijn werkzaamheden niet meer zal kunnen uitoefenen, is dan ook niet aannemelijk geworden.

Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter geen aanleiding het door [gedaagde] reeds beperkte beding, al dan niet gedeeltelijk, te schorsen. De vordering op dit punt zal dan ook worden afgewezen.

Het anti-ronselbeding blijft in stand

Het anti-ronselbeding zoals neergelegd in lid 2, tweede bullet, van het beding, blijft in stand. Tijdens de zitting heeft [eiser] aangegeven dat hij daardoor niet belemmerd wordt. Daarom is er geen reden voor de bodemrechter om geheel of gedeeltelijk te vernietigen, en voor de kantonrechter om het beding op dit punt te schorsen.

Het boetebeding wordt niet geschorst

Het boetebeding is nodig als prikkel voor nakoming van het relatie- en anti-ronselbeding. Artikel 6:92 BW is van aanvullend recht, waardoor partijen ervan mogen afwijken. Anders dan [eiser] heeft aangevoerd, volgt uit het beding niet dat er een boete naast volledige schadevergoeding mag worden gevorderd; er staat dat [gedaagde] volledige schadevergoeding in plaats van de boete kan vorderen. De kantonrechter zal het boetebeding gelet op het voorgaande niet schorsen. Dat er geen maximumbedrag in het beding genoemd staat, maakt dit niet anders.

Voor de subsidiair gevorderde matiging van de boete is geen plaats, omdat matiging van een boete slechts plaats kan vinden wanneer de boete reeds is bedongen (artikel 6:94 lid 1 BW). Dat is hier niet het geval.

[gedaagde] hoeft de gevraagde gegevens niet te overleggen

[gedaagde] zal niet worden veroordeeld tot het verstrekken van een schriftelijke en gespecificeerde opgave van de relaties die zij onder het beding begrepen acht. Daartoe heeft [eiser] onvoldoende belang (artikel 194 en 195 Rv), zeker nu het beding inmiddels alleen nog ziet op de klanten van [eiser] zelf en de afdeling Transport en Logistiek in 2026. [eiser] behoort te weten wie toen zijn klanten waren. Ten overvloede staat het hem vrij om bij twijfel bij [gedaagde] na te vragen of volgens haar een potentiële klant onder de reikwijdte van het beding valt. De vordering op dit punt zal worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de dwangsom die [eiser] in dit kader heeft gevorderd.

Vergoeding afwijzen

Indien het beding [eiser] in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van [gedaagde] werkzaam te zijn, kan de kantonrechter bepalen dat [gedaagde] voor de duur van die beperking aan [eiser] een vergoeding moet betalen (artikel 7:653 lid 5 BW). In dit geval ziet de kantonrechter daar geen aanleiding toe, omdat het tijdens de zitting nog onduidelijk was wat [eiser] na het eindigen van de arbeidsovereenkomst zou gaan doen. [eiser] heeft toen aangegeven daarover nog geen keuze te hebben gemaakt en vooralsnog zonder werk te zitten. Tegen die achtergrond is het (vooralsnog) onvoldoende aannemelijk dat [eiser] in belangrijke mate wordt belemmerd door het beding.

[eiser] moet de proceskosten betalen

De proceskosten komen voor rekening van [eiser], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [gedaagde] moet betalen op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

3. De beslissing

De kantonrechter:

wijst alle vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.009,-;

verklaart het vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P. Joele en in het openbaar uitgesproken.

50744

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand