ECLI:NL:RBROT:2026:14408

ECLI:NL:RBROT:2026:14408

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 20-10-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer 10.240220.25 en 10-058537-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Dordrecht

Samenvatting

Vrijspraak van verkrachting in een eerdere periode wegens ontbreken steunbewijs. Tevens vrijspraak van belaging: Berichten naar aard, duur, frequentie en intensiteit onvoldoende voor bewezenverklaring. Veroordeling voor opzetverkrachting. Gevangenisstraf 30 mnd met aftrek, 38v-maatregel en DUT.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummers: 10.240220.25 en 10-058537-25

Datum uitspraak: 20 oktober 2026

Datum zitting: 6 oktober 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1987 in [geboorteplaats]

ingeschreven op het adres

[adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. S.M.E. van Fraaijenhove van der Maas.

Officier van justitie: mr. P.L. van Montfoort.

Benadeelde partij: [slachtoffer] .

Advocaat van de benadeelde partij: mr. M.S.L. Leeflang.

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting. Hij wordt vrijgesproken van verkrachting in een eerdere periode en van belaging. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Ook legt de rechtbank de 38v-maatregel op, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor een periode van 3 jaar, en verklaart deze dadelijk uitvoerbaar. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen voor zover dat ziet op de immateriële schadevergoeding. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting voorafgegaan, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en bedreiging, verkrachting (oude wetgeving) en belaging.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

10.240220.25

1

hij op of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 augustus 2024 te Stad aan 't

Haringvliet, gemeente Goeree-Overflakkee en/of Etten-Leur en/of Turkije met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] terwijl hij verdachte, wist, althans enige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

- die [slachtoffer] bij haar enkels vast te pakken en naar beneden te trekken.

- met zijn handen de benen van die [slachtoffer] open de duwen/spreiden.

- haar broek en/of boxershort naar beneden te trekken.

- zijn penis bij haar naar binnen te brengen;

2

hij in of omstreeks de periode van 22 februari 2021 tot en met 30 juni 2024 te Stad

aan 't Haringvliet, gemeente Goeree-Overflakkee en/of Etten-Leur

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere

feitelijkheid, te weten

- die [slachtoffer] bij haar enkels vast te pakken en naar beneden te trekken;

- met zijn handen de benen van die [slachtoffer] open de duwen/spreiden;

- haar broek en/of boxershort naar beneden te trekken;

- voorbij te gaan aan de verbale en non-verbale protesten van aangeefster toen zij aangaf dat

het pijn deed;

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] te weten

- het brengen en honden van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] ;

10-058537-25

hij in of omstreeks de periode 6 september 2024 tot en met 23 maart 2025 te Stad aan 't Haringvliet, gemeente Goeree-Overflakkee, en/of Middelharnis, gemeente Goeree-Overflakkee, en/of Sommelsdijk, gemeente Goeree-Overflakkee, en/of Etten-Leur,

althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door meermalen, althans eenmaal,

- die [slachtoffer] te bellen en/of

- langs te gaan bij en/of voor de deur te staan van de woning van die [slachtoffer] en/of

- berichten te sturen aan die [slachtoffer] via iMessage en/of

- andere mensen informatie te vragen over die [slachtoffer] en/of

- een tracker te plaatsen in de auto van die [slachtoffer] en/of

- pakketjes te sturen of laten sturen naar de kinderen van die [slachtoffer] met kleding

en/of snoepgoed

met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden

en/of vrees aan te jagen.

2. Vrijspraak

Parketnummer 10-058537-25 (belaging)

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit, subsidiair dat het feit slechts voor een kortere periode bewezen kan worden verklaard.

Oordeel en conclusie van de rechtbank

Van belaging is sprake als een verdachte wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander. Daarbij moet de verdachte het oogmerk hebben om die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zijn verschillende factoren van belang. Het gaat daarbij om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Vast staat dat de verdachte en de aangeefster tot medio 2024 een relatie met elkaar hebben gehad en dat zij samen twee kinderen hebben. De aangeefster heeft op 14 februari 2025 verklaard dat de verdachte vanaf 6 september 2024 dagelijks meerdere keren contact met haar zocht of voor haar deur stond. Verder staat vast dat de verdachte, nadat de politie op 13 februari 2025 een stopgesprek met hem heeft gevoerd, gedurende een maand de aangeefster een aantal keer heeft gebeld, haar iMessages heeft gestuurd en twee keer een pakketje met kinderkleding aan haar (adres) heeft gestuurd.

Echter, nu het gaat om een periode van 6 maanden waarin de verdachte een beperkt aantal berichten aan de aangeefster heeft gestuurd, is de rechtbank van oordeel dat deze berichten naar aard, duur, frequentie en intensiteit onvoldoende zijn voor een bewezenverklaring van belaging. De berichten zijn op een beperkt aantal momenten verstuurd en voldoen daardoor niet aan de eisen van stelselmatigheid en frequentie. Daarnaast lijkt een deel van de berichten te maken te hebben met het afronden van de beëindiging van de relatie en de zorg van de kinderen en zijn ze in hun aard en intensiteit niet indringend genoeg voor een bewezenverklaring van belaging.

Conclusie

In het licht van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de aard, de duur en de frequentie van de berichten gestuurd door verdachte in onderlinge samenhang bezien niet van dien aard zijn dat kan worden gesproken van het stelselmatig aantasten van de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster in de zin van belaging. De belaging kan daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Parketnummer 10.240220.25, feit 2 (verkrachting in de periode tussen 2021 en 2024)

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten omdat enig concreet en objectief steunbewijs in het dossier ontbreekt.

Oordeel en conclusie van de rechtbank

In deze zaak wordt de verdachte beschuldigd van verkrachting van de aangeefster in de periode in de periode 22 februari 2021 tot en met 30 juni 2024.

Tussen de aangeefster en de verdachte bestond een relatie. Zij heeft verklaard dat zij veel pijn ervaarde bij de seks na de geboorte van hun jongste kind in 2021. Zij verklaarde dat zij telkens tijdens de seks aangaf bij de verdachte dat het teveel pijn deed en dat ze wilde stoppen. De verdachte bleef haar echter penetreren.

De verdachte stelt dat hij niet wist dat de aangeefster geen seks wilde en ontkent dat hij haar daartoe met geweld of andere feitelijkheden heeft gedwongen, zoals de aangeefster heeft verklaard.

De rechtbank overweegt het volgende. Nu de verdachte de dwang ontkent, dient de verklaring van de aangeefster in voldoende mate te worden ondersteund door ander bewijsmateriaal. Immers, artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige (waaronder begrepen de aangeefster). Er moet sprake zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan het vermeende slachtoffer. Steunbewijs kan onder meer bestaan uit een verklaring over de eigen waarneming van een getuige van de emotie van het veronderstelde slachtoffer na het tenlastegelegde feit.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende steunbewijs voor de aan de verdachte verweten dwang (te weten het ten laste gelegde geweld en/of andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld en/of andere feitelijkheid) voor zover dit ziet op de periode buiten de vakantie in Turkije. De getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] zijn over die periode onvoldoende specifiek. Hun verklaringen zijn gebaseerd op één en dezelfde bron, namelijk de verklaring van de aangeefster. Het opgenomen gesprek tussen de aangeefster en de verdachte biedt die steun evenmin voor de periode tussen 2021 en juni 2024. Dit gesprek gaat buiten hun vakantie in Turkije alleen in algemene zin over hun seksuele omgang. In het dossier ontbreekt ander steunbewijs.

Conclusie

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangeefster door dwang en geweld of andere feitelijkheden in de periode tussen februari 2021 en juni 2024 heeft gedwongen om seksuele handelingen te ondergaan en zal hem daarom daarvan vrijspreken.

3. Bewijs parketnummer 10.240220.25, feit 1 Opzetverkrachting

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting vergezeld van en gevolgd door geweld en bedreiging. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 3.3. De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de aangeefster

Wij zijn op vakantie gegaan van 7 augustus tot en met 17 augustus 2024.

Hij zou van mij afblijven. We hebben die afspraken ook thuis gemaakt. Dat hij van mij af moest blijven. Dat we echt als ouder van op vakantie zouden gaan. We waren in de hotelkamer. [kind 1] , [kind 2] , [verdachte] en ik. De kinderen zaten op hun eigen bed een filmpje te kijken op tablet met koptelefoon. Ik zat op het tweepersoonsbed filmpjes te kijken op mijn telefoon. [verdachte] lag in dat bed. [verdachte] trok aan mijn enkel en duwde met zijn handen mijn benen open. Hij boog zich gelijk over mij heen en trok zijn broek naar beneden met één hand. De andere hand was op mijn borst. Ik bleef liggen omdat hij mij naar beneden duwde. Hij trok met een hand mijn broekje en boxerschort opzij waarna hij gelijk zijn piemel in mijn vagina stopte. Toen ging hij op mij rijden waarna ik heel vaak heb gezegd of hij alsjeblieft kon ophouden. Ik zei ook letterlijk dat hij mij aan het verkrachten was. Ik heb constant ‘nee’ gezegd. Op een geven moment zag [kind 2] dat zijn vader heen en weer ging onder de dekens en dacht dat het een spelletje was. [kind 2] stond op en klom op de rug van [verdachte] . Toen ik dat zag gebeuren zei ik dat [kind 2] weer een filmpje moest gaan kijken met zijn koptelefoon en dat ik zo bij hem zou komen.

2. Verklaring van de getuige [getuige 2]Ik had haar op maandag in Turkije gezien. Ik kwam terug rond 20/21 augustus 2024. Ze huilde en was kapot. Ik vroeg haar hoe haar vakantie was geweest. Toen kwam het eruit. Ze zit er helemaal doorheen.

3. Verklaring van de getuige [getuige 1]Toen ze [de rechtbank begrijpt: de aangeefster] terugkwam van vakantie vertelde ze dat tijdens de vakantie er seks plaatsvond tegen haar wil. Ze was heel verdrietig vanwege dat de kinderen erbij waren.

4. Proces-verbaal van de politieIk heb een geluidsbestand ontvangen wat is opgenomen door slachtoffer [slachtoffer] . Mij is gevraagd dit letterlijk uit te werken. v: “[…] ik zei stop [verdachte] , stop [verdachte] en dan ging je gewoon door, zelfs op vakantie met de kinderen erbij. Er zitten twee kinderen bij, maar wat bezielt je op dat moment M: Mm

V: Ik zeg wat bezielde jou op dat moment

M: Op dat moment wist ik niet, heb je dat niet door, ik wist niet dat je dat echt niet fijn vond

V: [verdachte] als iemand minimaal 30 keer M: onverstaanbaar V: Nee dat is niet waar wat je zegt. Je weet zelf hoe de situatie was en ik kon niet gillen of schreeuwen omdat de kinderen erbij waren Ik wilde hun met laten weten wat er gaande was

M: Ik weet het baby we hebben het hier vaker over gehad

V; Nee maar ik zei [verdachte] nie doen, nie doen, nie doen, nie doen. Je blijft doorgaan

M: Ik weet van jou als je, vroeger als je echt niet wilde dan begon je met een verhaal. Ik, ik sorry babe. Met sorry schieten we ook niks mee op.

V: Nee maar hoe kan je dat doen als kinderen letterlijk op 20 cm afstand ervan zitten.

M: Dat hebben we vaker gedaan terwijl de kinderen in bed lagen bij ons

V; Nee het is gewoon niet waar

M Bij jou thuis babe

V: Nee het is gewoon niet waar

M: Oke dan oke V: Maar ik ik begrijp dat niet en dat je dan ook niet denkt als [kind 2] denkt dat we aan het spelen zijn en hij klimt bovenop jouw rug, ik snap dan niet dat je dan niet denkt op dat moment van

M: (praat er tussendoor maar is niet te verstaan) We hebben het vaker gedaan toen we bij jou thuis waren met de kinderen.

V: Nee dat is niet waar. Ik snap niet dat jij toen dacht op dat moment van oke nou moet ik stoppen. Ik snap dat niet. Nou ja het zal wel aan mij liggen.

M: Het ligt aan mij joh. Zit er geen één kans om me te bewijzen?

V: [verdachte] nee je heb heel veel kansen gehad, het werkt niet tussen jou en mij

M Wat werkt niet, het werkt wel baby we kunnen ook heel goed samenzijn

V: Nee we zijn toch sick.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier voor de aan de verdachte verweten dwangcomponent (te weten dwang, geweld en/of andere feitelijkheid zoals ten laste gelegd) voldoende steunbewijs. Dit steunbewijs kan worden gevonden in de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] . Dit zijn twee vriendinnen van de aangeefster die emoties bij haar hebben waargenomen toen zij bij terugkomst van haar vakantie in Turkije vertelde wat haar daar was overkomen. Ondersteunend voor de verklaring van de aangeefster is ook een opgenomen gesprek tussen de aangeefster en de verdachte. Uit de inhoud van dat gesprek begrijpt de rechtbank dat dit voor het grootste gedeelte gaat over hun seksuele omgang in het algemeen en in het bijzonder tijdens hun vakantie in Turkije. Ook de inhoud van het gesprek biedt steun aan de verklaring van de aangeefster.

Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de stelling van de verdachte dat de aangeefster het gesprek op enige wijze heeft gestuurd. De verdediging heeft verder nog gewezen op een videofilmpje met een compilatie van foto’s gemaakt tijdens de bewuste vakantie, waaruit zou blijken dat het daar vastgelegde gedrag van de aangeefster niet verenigbaar is met de gestelde verkrachting. Dergelijke filmpjes zeggen echter niets over een eventuele bewezenverklaring en de reactie van een slachtoffer. Het is algemeen bekend dat slachtoffers op verschillende manieren reageren op dit soort heftige feiten, sommigen door te doen alsof er niets is gebeurd. De aangeefster bevond zich in een afgesloten ruimte, in een land waarvan zij de taal niet spreekt en zij moest voor de kinderen, die met hun ouders op vakantie waren, de schone schijn ophouden. De videocompilatie maakt de verklaring van de aangeefster daarom niet onbetrouwbaar. De genoemde bewijsmiddelen vormen, in onderlinge samenhang bezien, voldoende steunbewijs voor de verklaring van de aangeefster met betrekking tot het dwangcomponent.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1

hij omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 augustus 2024 te Turkije met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] terwijl hij verdachte, wist, dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door en vergezeld van dwang en geweld door

- die [slachtoffer] bij haar enkels vast te pakken en naar beneden te trekken.

- met zijn handen de benen van die [slachtoffer] open de duwen/spreiden.

- haar broek en/of boxershort naar beneden te trekken.

- zijn penis bij haar naar binnen te brengen.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

Opzetverkrachting vergezeld van dwang.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf en maatregelen

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden met aftrek voor de duur dat hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast dient aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel te worden opgelegd inhoudende een contactverbod met de aangeefster en een gebiedsverbod voor de gemeente Goeree-Overflakkee voor de duur van 2 jaar.

Standpunt van de verdediging

Bij een eventuele veroordeling dient te worden afgezien van oplegging van een gevangenisstraf, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en dient te worden volstaan met een taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting. Hij heeft de aangeefster aan haar benen naar beneden over het bed heen getrokken en drukte haar met een hand op het bed, waarna hij zich over haar heen boog, haar benen openduwde en zijn penis bij haar naar binnen bracht. Dit heeft plaatsgevonden in hun hotelkamer, in de nabijheid van hun kinderen. Dat de aangeefster zei dat hij moest stoppen en dat hun zoontje op de rug van de verdachte klom omdat hij dacht dat hij (de verdachte) aan het spelen was, was voor de verdachte geen aanleiding om te stoppen. Hij heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van de aangeefster. Hij heeft haar belangen ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen seksuele behoeften. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een verkrachting nog lang last kunnen hebben van de psychische gevolgen daarvan. De verdachte heeft zich daarvan geen rekenschap gegeven.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 september 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapport van de reclassering

In het rapport van Reclassering Nederland d.d. 3 juni 2026 staat het volgende.

De verdachte functioneert stabiel op diverse leefgebieden zoals werk, inkomen en sociaal netwerk en er is geen sprake meer van psychische problematiek. Wel ziet de reclassering een patroon waarbij geweld niet wordt geschuwd, voor zover de verdachte wordt veroordeeld voor het tenlastegelegde. Hierbij betrekt de reclassering de aangifte van kindermishandeling en een eerdere veroordeling in verband met relationeel geweld. Het recidiverisico wordt als laag tot gemiddeld ingeschat. De verdachte heeft geen contact meer met aangeefster en om die reden zijn er geen lopende contacten meer met Veilig Thuis en Filomena. De reclassering ziet al met al geen mogelijkheden voor interventies en/of reclasseringstoezicht om het recidiverisico te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. Wel adviseert de reclassering bij een veroordeling een contact- en locatieverbod op te leggen en te bepalen dat contact alleen is toegestaan voor zover dit noodzakelijk is voor de aanmelding bij en deelname aan de reguliere hulpverlening. Dit heeft tot doel de omgang met de kinderen van de verdachte en aangeefster te reguleren.

Oplegging straf en maatregel

Gelet op de ernst van het feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Oplegging van een andere soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur ervan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank heeft de omstandigheden van het feit in strafverhogende zin meegewogen. Er was sprake van een bijzonder vernederende setting. De verkrachting heeft plaatsgevonden in de hotelkamer van de aangeefster en de verdachte. Hun kinderen bevonden zich in dezelfde ruimte en zijn er getuige van geweest. Daarnaast is meegewogen dat de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelingen. Alles afwegend wordt een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van voorarrest opgelegd.

Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr)

Om strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van 3 jaar. Deze maatregel houdt in:

een gebiedsverbod voor [gemeente] ;

een contactverbod met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1995.

Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van 14 dagen, met een totale duur van maximaal zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.

De rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar, omdat een eerder opgelegd contact- en locatieverbod niet heeft geholpen en er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen ten aanzien van de aangeefster. Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

6. Vordering van de benadeelde partij

Vordering benadeelde partij

[benadeelde partij] heeft als benadeelde partij als vergoeding voor materiële schade € 3.409,09 gevorderd en als vergoeding van immateriële schade € 15.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Materiële schade

Ter zitting is aangevoerd dat de door haar geleden de materiële schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 10-058537-25 ten laste gelegde. Aangezien de verdachte hiervan wordt vrijgesproken, verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in dit deel van de vordering.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is slachtoffer geworden van verkrachting. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 7.500,-. Hierbij is, kijkend naar de aard en ernst van het bewezenverklaarde, in het bijzonder rekening gehouden met het smartengeld passend bij de categorie ‘tamelijk ernstig’ van verkrachting zoals omschreven in de Rotterdamse Schaal. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 7.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 31 augustus 2024.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 62 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 38v, 38w en 243 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissingen

De rechtbank:

Parketnummer 10-058537-25 (belaging)

Vrijspraak

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de beschuldiging heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Parketnummer 10-240220-25 (verkrachting februari 2021 – juni 2024)

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte de beschuldiging onder 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring parketnummer 10-240220-25 feit 1 (verkrachting juli/augustus 2024)

verklaart bewezen dat de verdachte het feit zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf en maatregelen

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van dertig (30) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr)

legt de verdachte voor het feit op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaar, inhoudende dat de verdachte:

1. zich niet bevindt in [gemeente] , gedurende 3 jaar na de datum van dit vonnis;

2. op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1995, gedurende 3 jaar na de datum van dit vonnis;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 14 dagen, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Vorderingen benadeelde partij

Parketnummer 10-058537-25

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering;

parketnummer 10-240220-25

veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij, te betalen een bedrag van € 7.500,- bestaande uit vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf

31 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat

€ 7.500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 62 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

9. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. van der Leeden, voorzitter,

en mrs. I. Bouter en E. Stam, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 oktober 2026.

Mrs. I. Bouter, E. Stam en H.P. Eekhout zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M. van der Leeden

Griffier

  • mr. H.P. Eekhout

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand