RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/10246
en
(gemachtigde: mr. A. Hielkema).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een tijdelijke parkeervergunning. Eiseres is het niet eens met die afwijzing. Aan de hand van de beroepsgronden die zij aanvoert, beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid de aanvraag heeft kunnen afwijzen. Het college heeft in redelijkheid kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met een besluit van 3 november 2025 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen. Met een besluit van 19 december 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft aanvullende gronden en stukken ingediend op 27 januari 2026, 16 augustus 2026, 20 augustus 2026 en 29 augustus 2026 en 30 augustus 2026. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift van 28 juli 2026 en een aanvullend verweerschrift op 25 augustus 2026.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres woont sinds november 2021 op het adres [straatnaam 1] te [locatie 1] in het wooncomplex [naam complex]. Eiseres huurt de woning van [naam verhuurder] (de verhuurder). Omdat eiseres geen parkeerplaats krijgt in het openlucht parkeerterrein die bij [naam complex] hoort, heeft eiseres op 24 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor een tijdelijke parkeervergunning.
Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen omdat eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat zij op een wachtlijst staat voor de bijbehorende parkeervoorziening bij [naam complex].
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het college onderbouwt de afwijzing van de gevraagde (tijdelijke) parkeervergunning door er op te wijzen dat de woning van eiseres beschikt over een bijbehorende parkeervoorziening en dat eiseres geen volverklaring van de verhuurder heeft. De kosten die gemoeid gaan bij het betaald parkeren dan wel de koop- of huurprijs van een parkeerplaats kunnen volgens het college geen rol spelen bij het toekennen van een parkeervergunning. Verder is de situatie van eiseres volgens het college niet bijzonder genoeg om de hardheidsclausule toe te passen.
Toetsingskader
4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft het college de aanvraag kunnen afwijzen?
5. Eiseres meent dat zij de beschikking moet kunnen krijgen over een parkeervergunning bij haar woning. Eiseres voert daartoe aan dat het college de aanvraag niet in redelijkheid heeft mogen afwijzen op de grond dat er een bijbehorende parkeervoorziening bij haar woning is en op de grond dat zij geen volverklaring kan overleggen. Vanwege een geschil tussen eiseres en de verhuurder krijgt zij geen parkeerplaats in de bijbehorende parkeervoorziening en kan ook geen volverklaring overleggen. Het geschil met de verhuurder betreft het niet krijgen van informatie over kosten die verhuurder doorrekent in de huurprijs en betreft de hoogte van de servicekosten, onder meer voor de elektra van de algemene ruimtes. Ook is de huurprijs die [naam verhuurder] voor de parkeerplaats vraagt voor haar onbetaalbaar. De gemeente zou eiseres huurbescherming moeten geven ook ten aanzien van de huurprijs van de parkeervoorziening, zoals er ook huurbescherming is voor (de hoogte van de huur van) de sociale huurwoning van eiseres.
Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit Parkeren Rotterdam 2025 (het Uitvoeringsbesluit) verleent het college op aanvraag een bewonersparkeervergunning, indien de aanvrager woonachtig is op een adres in een gebouw of gebouwencomplex zonder een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een bijbehorende parkeervoorziening bij de woning van eiseres. Eiseres kan daarom niet over een (vaste) bewonersparkeervergunning bij haar woning komen te beschikken.
Op grond van artikel 2, veertiende lid, van het Uitvoeringsbesluit wordt een vergunning voor maximaal twaalf maanden verleend indien de aanvrager via een volverklaring aantoont dat aanvrager op het moment van de aanvraag feitelijk niet over de bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening beschikt of had kunnen beschikken. In de gevallen waarin de aanvrager niet voldoet aan de aanvraagvereisten die aan het verlenen van een vergunning zijn gesteld, kan het college de vergunning weigeren op grond van artikel 13, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit.
Uit deze regels volgt dat een van de aanvraagvereisten is, dat eiseres een volverklaring van de verhuurder overlegt waaruit blijkt dat eiseres feitelijk niet kan beschikken over de bijbehorende parkeervoorziening. Eiseres stelt dat zij de volverklaring niet krijgt vanwege een geschil met de verhuurder. Dat de achterliggende reden voor het niet kunnen overleggen van een volverklaring is gelegen in een geschil met de verhuurder, is, wat daar ook van zij, niet van belang voor de beoordeling van de aanvraag om parkeervergunning. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de verhuurder op 25 september 2025 aan eiseres een parkeerplaats heeft aangeboden, en dat eiseres deze heeft geweigerd omdat zij het maandelijkse huurbedrag te hoog vond. Daarmee staat voldoende vast dat eiseres – ook zonder het gestelde geschil met de verhuurder – ten tijde van de aanvraag op 24 oktober 2025 niet over een volverklaring kon beschikken. Dat betekent dat het college de aanvraag kon weigeren.
Daarbij wijst de rechtbank erop dat de omstandigheid dat de kosten van een bijbehorende parkeerplaats hoog zijn – en veel hoger dan de kosten van een parkeervergunning –, geen aspect is dat het college bij die weigering hoeft te betrekken. Het college heeft er terecht op gewezen dat dat is bevestigd in vaste rechtspraak. Dat uit regelgeving volgt dat het college bescherming zou moeten bieden aan huurders van een sociale huurwoning voor wat betreft de hoogte van de huur van een parkeervoorziening, is de rechtbank niet gebleken. Ook in dit argument zit daarom geen reden om eiseres toch een parkeervergunning toe te kennen.
De rechtbank is van oordeel dat het college de toepasselijke regels op een correcte manier heeft toegepast en dat het de aanvraag van eiseres in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.
Schending gelijkheidsbeginsel?
6. Eiseres doet daarnaast een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat bewoners van de [straatnaam 1] [huisnummer 1], [huisnummer 2] en [huisnummer 3] een permanente parkeervergunning hebben. Het college heeft toegelicht dat de bewoners van deze adressen beschikken over een tijdelijke parkeervergunning op basis van een volverklaring. Voor de bewoner van de [straatnaam 1] [huisnummer 1] geldt dat de parkeervergunning is verlengd op 5 september 2025 op basis van een volverklaring uit 2024. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de toekenning van deze tijdelijke parkeervergunning een fout is omdat de volverklaring te oud is. De bewoner van de [straatnaam 1] [huisnummer 2] heeft een tijdelijke parkeervergunning gekregen op 27 april 2026 met een volverklaring van 20 april 2026. De bewoner van [huisnummer 3] heeft een tijdelijke parkeervergunning gekregen op 8 september 2025 met een volverklaring uit september 2025. De rechtbank volgt het college in de stelling dat geen sprake is van gelijke gevallen omdat eiseres niet beschikt over een volverklaring. Eiseres stelt dat twee van de parkeerplaatsen van de bijbehorende parkeervoorziening in april 2026 niet waren verhuurd en dat het daarom onmogelijk juist kan zijn dat de bewoner van de [straatnaam 1] [huisnummer 2] een volverklaring heeft gekregen. Eiseres heeft haar stelling niet onderbouwd met stukken waaruit ondubbelzinnig volgt dat de verhuurder ten onrechte een volverklaring heeft afgegeven voor de [straatnaam 1] [huisnummer 2]. Zij heeft foto’s overgelegd waarop is te zien dat parkeerplaatsen met een beugel niet toegankelijk zijn gemaakt en dus feitelijk leeg staan. Feitelijke leegstand van de parkeerplaatsen betekent echter niet dat de parkeerplaatsen niet zijn verkocht of verhuurd, zoals het college op zitting heeft toegelicht. Het college mag, zonder concrete tegenindicaties, uitgaan van de juistheid van een door de verhuurder afgegeven volverklaring.
Eiseres stelt verder dat de bewoners van de [straatnaam 2] [huisnummer 4], [huisnummer 5] en [huisnummer 6] een (permanente) parkeervergunning hebben terwijl zij ook een bijbehorende parkeervoorziening hebben, namelijk hetzelfde parkeerterrein van [naam complex]. Eiseres heeft waargenomen dat deze bewoners de auto op parkeerplaatsen parkeren die horen bij de bijbehorende parkeervoorziening van haar woning. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de parkeervoorziening van [naam complex] in het systeem van de gemeente niet is geregistreerd als bijbehorende parkeervoorziening van de [straatnaam 2]. Hoewel het college ter zitting niet heeft kunnen toelichten of er een logische reden bestaat voor dit verschil tussen de [straatnaam 2] en de [straatnaam 1], ziet de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Alleen al daarom stelt het college zich terecht op het standpunt dat geen sprake is van gelijke gevallen.
Het college hoefde dus niet op basis van het gelijkheidsbeginsel aan eiseres een tijdelijke parkeervergunning toe te kennen.
Heeft het college in redelijkheid geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule?
7. Eiseres voert aan dat het college haar een tijdelijke parkeervergunning had moeten toekennen op grond van de hardheidsclausule. Eiseres is mantelzorgster voor haar moeder die een hoge leeftijd heeft. Haar moeder kan zonder rollator niet lopen en eiseres fungeert als haar chauffeur. Eiseres stelt dat de auto daarom dicht bij haar woning moet staan. De huidige situatie waarbij zij op grote afstand in [locatie 2] parkeert, is onhoudbaar.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De rechtbank begrijpt dat eiseres zich in een vervelende situatie bevindt, door het gestelde conflict met haar verhuurder, de huurprijs van de parkeervoorziening, de praktische bezwaren rond het parkeren in Barendrecht, en haar rol als mantelzorger voor haar moeder. Deze omstandigheden zijn, afzonderlijk of tezamen, echter niet dusdanig dat het college had moeten oordelen dat de situatie zo schrijnend is, dat deze zich onderscheidt van de situatie van andere in Rotterdam wonende personen met een auto die geen tijdelijke parkeervergunning kunnen krijgen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres niet alsnog een tijdelijke parkeervergunning krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Uitvoeringsbesluit Parkeren Rotterdam 2025
Artikel 2 Bewonersparkeervergunning
1. Het college verleent op aanvraag een bewonersvergunning, indien de aanvrager:
[…]
b. woonachtig is op een adres in een gebouw of gebouwen-complex zonder een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening; en
[…]
14. Een vergunning wordt voor maximaal twaalf maanden verleend indien de aanvrager via een volverklaring aantoont dat aanvrager op het moment van de aanvraag feitelijk niet over de bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening beschikt of had kunnen beschikken.
[…]
Artikel 13 Weigeren van een vergunning
Het college kan een vergunning weigeren indien:
a. de aanvrager niet voldoet aan de aanvraagvereisten, die aan het verlenen van een vergunning zijn gesteld;
[...]
Artikel 17 Hardheidsclausule
Het college kan de artikelen 2 tot en met 16 buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de regulering van de parkeerdruk zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.