RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9921
(gemachtigde: mr. B. Özates),
en
(gemachtigde: mr. A. Wintjes).
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’. De aanvraag is afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring en aan haar ook geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule toekomt. Eiseres is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de urgentieverklaring terecht is afgewezen en dat het college in redelijkheid geen toepassing heeft hoeven geven aan de hardheidsclausule.
Procesverloop
2. Het college heeft met een besluit van 23 juni 2025 (het primaire besluit) de door eiseres gevraagde urgentieverklaring afgewezen.
Met een besluit van 5 november 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres slachtoffer is geweest van huiselijk geweld en bedreiging door haar ex-partner. Eiseres heeft op 3 november 2024 de woning van haar ex-partner verlaten en is met haar drie minderjarige kinderen (op dat moment 1, 6 en 8 jaar oud) bij haar moeder gaan wonen. De ex-partner heeft eiseres meerdere keren bedreigd. Hiervan is geen aangifte gedaan maar wel meldingen bij de politie. Ook is Veilig Thuis ingeschakeld. Verder staat eiseres onder begeleiding bij Arosa. Tussen partijen is ook niet in geschil dat het verblijf van eiseres met haar drie jonge kinderen een zware belasting vormt voor haar moeder. Eiseres heeft op 28 mei 2025 een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring op grond van de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’.
Het college heeft met het primaire besluit de aanvraag afgewezen omdat niet aan de voorwaarden voor urgentie op grond van de urgentiecategorie wordt voldaan, omdat eiseres inwonend is en omdat uit de verklaring van de politie volgt dat haar situatie niet zodanig ernstig is dat zij meteen moet verhuizen.
Eiseres heeft tegen de afwijzing bezwaar gemaakt. Het college heeft met het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het college heeft het bestreden besluit als volgt gemotiveerd. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarden voor de urgentiegrond ‘geweld en bedreiging’. Eiseres woonde op het moment van de aanvraag niet rechtmatig in een in de urgentieregio gelegen zelfstandige woonruimte; zij woonde immers al enkele maanden bij haar moeder. Ook is niet gebleken dat er op het moment van het bestreden besluit sprake is van ernstig psychisch of fysiek geweld, of bedreiging daarmee, wat tot gevolg heeft dat eiseres redelijkerwijze niet langer in haar huidige woonruimte kan blijven wonen. De politie heeft geen positief advies afgegeven. Ten aanzien van het beroep op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) stelt het college zich op het standpunt dat hij voldoende heeft meegewogen dat de minderjarige kinderen van eiseres niet dakloos dreigen te raken. Het college heeft geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen.
Toetsingskader
4. Uit artikel 5.4. van Bijlage I (de Bijlage) bij de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (de Verordening) volgt dat een woningzoekende in aanmerking kan komen voor urgentie op grond van de categorie ‘geweld en bedreiging’ als de aanvrager rechtmatig een zelfstandige woonruimte binnen de regio bewoont en er sprake is van ernstig psychisch of fysiek geweld, of bedreiging daarmee, wat tot gevolg heeft dat de aanvrager redelijkerwijs niet langer in zijn of haar huidige woonruimte kan blijven wonen. Het geweld of de bedreiging daarmee moet zich hebben voorgedaan binnen de regio. Het geweld of de bedreiging daarmee moet aannemelijk gemaakt worden met een schriftelijke verklaring van de politie waaruit blijkt dat de aanvrager vanwege veiligheidsredenen niet meer in de huidige zelfstandige woonruimte kan blijven wonen.
5. Op grond van artikel 2.5. van Bijlage I kan het college een urgentieaanvraag toekennen indien strikte toepassing van de Verordening zou leiden tot weigering van de urgentieaanvraag, maar weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
Heeft het college de aanvraag in redelijkheid mogen afwijzen?
6. Eiseres voert aan dat het college de Verordening onjuist toepast. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte haar huidige situatie niet als gecumuleerde samenloop van omstandigheden heeft gewogen: er is sprake van een voortgezette dreiging van haar ex-partner en de woonsituatie bij haar moeder is voor haar en de kinderen structureel instabiel en psychische belastend. Het niet beschikken over een zelfstandige woonruimte gaat in tegen het doel van de urgentiegrond, eiseres heeft haar woning juist moeten verlaten door huiselijk geweld door haar ex-partner. Eiseres voert daarbij aan dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het geweld en de dreiging; het ontbreken van een positief politieadvies kan haar niet worden tegengeworpen gelet op andere documenten die zij heeft overgelegd zoals van hulpverlenende instanties als Arosa en Veilig Thuis waarmee zij het geweld en de bedreiging voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres stelt dat de onveiligheid zich heeft verplaatst naar haar nieuwe woonadres en dat die situatie een materiële beoordeling vergt en geen beoordeling op uitsluitend formele toepassingscriteria van de Verordening. Daarbij stelt eiseres verder dat het college geen rekening heeft gehouden met de belangen van haar minderjarige kinderen. Zij doet daarbij een beroep op artikel 3 van het IVRK.
Ten tijde van de aanvraag bewoonde eiseres niet rechtmatig een zelfstandige woonruimte, zij woonde met haar drie minderjarige kinderen bij haar moeder. Tussen partijen is niet in geschil dat daarmee geen sprake is van een zelfstandige woonruimte. Haar moeder blijft, wanneer eiseres zou verhuizen, immers als huurder in de woning achter.
De rechtbank ziet in wat eiseres naar voren heeft gebracht geen aanleiding om te oordelen dat de Verordening wat betreft dat criterium ten aanzien van eiseres buiten toepassing moet blijven. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat zij meent dat het college haar urgentieaanvraag moest beoordelen aan de hand van haar veiligheidssituatie per 28 mei 2025 (de datum van de aanvraag). Het staat vast dat eiseres op dat moment geen zelfstandige woonruimte bewoonde. Uit de door haar overgelegde stukken volgt niet dat haar situatie (inclusief die van haar minderjarige kinderen) dusdanig was dat het tegenwerpen van het criterium van een zelfstandige woonruimte wegens strijd met hoger recht of algemene rechtsbeginselen tot een dusdanig onbillijke situatie leidt dat het criterium buiten toepassing moet blijven. Dat het college haar situatie onvoldoende heeft onderzocht, volgt de rechtbank daarbij niet. Ook van schending van artikel 3 van het IVRK is niet gebleken.
Uit het dossier komt een beeld naar voren van een (zeer) moeilijke situatie met haar ex in verband met bedreigingen met geweld. Daarvoor krijgt zij onder meer ondersteuning vanuit Arosa met een slim horloge met noodknop. Verder volgt uit het dossier dat onder meer het Wijkteam (op 17 april 2025) en Arosa (1 juli 2025) opmerken dat de situatie bij de moeder thuis onwenselijk is, ook gelet op de ontwikkeling van de kinderen. Dat de woonsituatie bij de moeder echter vormen aanneemt van ‘geweld en bedreiging’ volgt niet uit het dossier. Daarmee geeft de rechtbank geen oordeel over de (on)wenselijkheid van de woonsituatie van eiseres en haar kinderen, maar slechts een oordeel over toepasselijkheid van dit criterium van de Verordening. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de criteria voor een urgentieverklaring in de regio Rotterdam naar een bewuste keuze van de gemeente streng zijn gelet op de beperkte woningvoorraad.
Het voorgaande betekent dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen.
Heeft het college in redelijkheid geen toepassing hoeven geven aan de hardheidsclausule?
7. Eiseres voert verder aan dat het college toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule.
De rechtbank is met het college van oordeel dat het college in redelijkheid geen toepassing heeft hoeven geven aan de hardheidsclausule. De rechtbank begrijpt dat eiseres zich in een emotioneel belastende situatie bevindt voor haarzelf en haar minderjarige kinderen en dat zij graag een zelfstandige woning wil betrekken, maar het college heeft kunnen oordelen dat er geen sprake is van een zodanig schrijnende situatie die een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigt. In beroep zijn geen dusdanig bijzondere omstandigheden gebleken die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen of die het bestreden besluit onevenredig maken.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres niet alsnog een urgentieverklaring krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.