Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-348155-25
Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging (TUL): 22-001360-22; 10-342669-23; 96-047140-21
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
Datum zitting: 23 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [plaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. W.M. Shreki
Officier van justitie: mr. S.I. Eijfferts
Benadeelde partij: Nationale Politie Eenheid Rotterdam
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging en vernieling tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van het voorarrest. De verdachte wordt vrijgesproken van diefstal met geweld. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld dan wel openlijke geweldpleging en aan vernieling.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1. primair
hij op of omstreeks 21 december 2025 te Rotterdam
op de openbare weg, te weten op/aan de Lijnbaan en/of de Sint-Luciastraat en/of de Hennekijnstraat en/of Aert van Nesstraat,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
geld en/of een tas, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- één of meerdere malen (met kracht) een duw te geven tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- één of meerdere malen (met kracht) tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer] te stompen en/of slaan en/of
- achter die [slachtoffer] aan te rennen en/of
- één of meerdere malen (met kracht) tegen het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of
- die [slachtoffer] tegen de muur te duwen en/of naar de grond te gooien en/of
- één of meerdere malen (met kracht) met die tas tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer] te slaan;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 21 december 2025 te Rotterdam
openlijk, te weten, op/aan de Aert van Nesstraat en/of Hennekijnstraat en/of Sint-Luciastraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] ,
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- één of meerdere malen (met kracht) een duw te geven tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- één of meerdere malen (met kracht) tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer] te stompen en/of slaan en/of
- één of meerdere malen (met kracht) tegen het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of
- die [slachtoffer] tegen de muur te duwen en/of naar de grond te gooien en/of
- één of meerdere malen (met kracht) met een tas tegen het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer] te slaan;
2
hij op of omstreeks 21 december 2025 te Rotterdam
opzettelijk en wederrechtelijk
een celdeur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Politie Eenheid Rotterdam, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit en moet worden veroordeeld voor de onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het onder 1 primair ten laste gelegde feit en zich ten aanzien van de onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daarbij heeft de verdediging zich wel op het standpunt gesteld dat bij feit 2 sprake is van ‘onbruikbaar maken’ en niet van ‘vernielen’.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1 primair
De beschuldiging is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen feit 1 subsidiair en feit 2
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en aan het onbruikbaar maken van een celdeur. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
Feit 1 subsidiair
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer]
3. Proces-verbaal van de politie, bevindingen
4. Proces-verbaal van de politie, camerabeelden
Feit 2
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, aangifte Politie Eenheid Rotterdam
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1 subsidiair
hij op 21 december 2025 te Rotterdam openlijk, te weten, op de Hennekijnstraat en Sint-Luciastraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- meerdere malen een duw te geven tegen het lichaam van die [slachtoffer] en
- meerdere malen tegen het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en
- meerdere malen tegen het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en
- die [slachtoffer] tegen de muur te duwen en naar de grond te gooien en
- meerdere malen met een tas tegen het lichaam van die [slachtoffer] te slaan;
Feit 2
hij op 21 december 2025 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een celdeur die geheel aan een ander, te weten aan Politie Eenheid Rotterdam, toebehoorde heeft onbruikbaar gemaakt.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1 subsidiair
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Feit 2
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor feit 1 subsidiair en feit 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 163 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 3 jaar en tot een taakstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich samen met iemand anders schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De verdachte was onder invloed van alcohol en heeft het slachtoffer na geringe aanleiding op twee verschillende momenten geslagen en geschopt. Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijk geweld zorgt bovendien voor gevoelens van angst en onveiligheid bij omstanders en in de maatschappij. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het onbruikbaar maken van een celdeur door daar tegenaan te trappen. Hiermee heeft de verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendom.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 17 augustus 2026 blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
Rapporten van de reclassering
De Reclassering Nederland heeft in een rapport van 25 februari 2026 geadviseerd een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Aan dat advies lag ten grondslag dat er bij de verdachte verschillende factoren spelen die kunnen leiden tot recidive: alcoholgebruik, zijn houding, zijn gedrag en zijn denkwijze. Daarnaast speelden er meerdere problemen in zijn leven die niet delictgerelateerd zijn. De verdachte had geen huisvesting, het ontbrak hem aan een zinvolle dagbesteding en hij heeft schulden. De verdachte heeft sinds juli 2025 in het kader van een andere strafzaak regelmatig contact met de reclassering en ontvangt daarnaast begeleiding vanuit de HIT-aanpak van de gemeente Rotterdam, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden opnieuw met justitie in aanraking te komen. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog.
De betrokken reclasseringswerker heeft in e-mailberichten van 21 en 22 september 2026 aangegeven dat er sinds het rapport sprake is geweest van een positieve ontwikkeling. De verdachte woont inmiddels begeleid bij [naam instelling] , is voor zijn alcoholgebruik in behandeling bij Fivoor en werkt aan zijn schulden. Hij komt al zijn afspraken goed na en werkt goed mee aan de bijzondere voorwaarden die in het kader van een andere strafzaak zijn opgelegd. Een gevangenisstraf zou dit doorkruisen.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend, waarbij de rechtbank vaststelt dat het taakstrafverbod van toepassing is. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank is alles afwegend van oordeel dat een gevangenisstraf van 60 dagen passend en geboden is. De duur van de gevangenisstraf is korter dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij speelt mee dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde, waar ten tijde van het voorarrest wel ernstige bezwaren voor waren.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. De verdachte staat al onder toezicht van de reclassering in het kader van een andere strafzaak en dat toezicht verloopt goed. Die proeftijd wordt verlengd met één jaar (zie hoofdstuk 6).
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering Nationale Politie Eenheid Rotterdam
Nationale Politie Eenheid Rotterdam heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 73,06 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd, aangezien de benadeelde partij een rechtspersoon betreft.
Standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van de gevorderde schade die ziet op de vervanging van de deurklink (€ 53,06) aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de gevorderde administratiekosten (€ 20,00) heeft de verdediging bepleit dat de vordering moet worden afgewezen. De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat geen schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade die ziet op de vervanging van de deurklink rechtstreekse materiële schade betreft als gevolg van het onder 2 gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft dat deel van de vordering niet betwist en de gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dat deel van de vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 53,06 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade die ziet op de administratiekosten geen rechtstreekse schade betreft. Dat deel van de vordering wordt afgewezen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 21 december 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel moet worden afgewezen, nu de benadeelde partij een rechtspersoon is die geacht mag worden de incasso van de vordering in eigen handen te kunnen nemen.
6. Vordering tot tenuitvoerlegging
Vordering (parketnummer 96-047140-21)
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 4 weken, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
De rechtbank overweegt dat het op grond van de beschikbare stukken onduidelijk is of de nu bewezen feiten tijdens de proeftijd zijn gepleegd. De officier van justitie wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Vordering (parketnummer 22-001360-22)
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 12 maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
De rechtbank overweegt dat de aan de vordering ten grondslag liggende stukken (waaronder de veroordeling) ontbreken. De vordering wordt daarom afgewezen.
Vordering (parketnummer 10-342669-23)
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 5 maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de proeftijd met één jaar moet worden verlengd. De verdediging heeft afwijzing van de vordering bepleit.
De rechtbank stelt vast dat de nu bewezen feiten tijdens de proeftijd zijn gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. De rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging, omdat de rechtbank het van belang acht dat het toezicht dat in het kader van deze strafzaak loopt door blijft lopen. De proeftijd wordt wel verlengd met 1 jaar.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 57, 63, 141 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 1 primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 60 (zestig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 96-047140-21)
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 22-001360-22)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 16 februari 2024 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-342669-23)
verlengt de proeftijd van de bij vonnis van 22 april 2025 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met 1 jaar;
wijst de gevorderde tenuitvoerlegging voor het overige af;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij Nationale Politie Eenheid Rotterdam (feit 2) te betalen een bedrag van € 53,06 (zegge: drieënvijftig euro en zes cent), als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 21 december 2025 tot de dag van volledige betaling.
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,
en mrs. A.P. Hameete en T. Urbanus, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Voorwinden, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 oktober 2026.
Mrs. A.P. Hameete en T. Urbanus zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.