RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 oktober 2026 in de zaken tussen
[verzoekster 1] , uit [plaats 1] , verzoekster 1
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/7606 en ROT 26/7608
en
[verzoekster 2] , uit [plaats 2] , verzoekster 2
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] , Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, het college
(gemachtigde: mr. N.C. Correa).
Procesverloop
1. Met de bestreden besluiten van 15 september 2026 heeft het college verzoekster een last onder dwangsom opgelegd. Verzoekster hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 5 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeksters en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Inleiding
Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over een last onder dwangsom die het college aan elke verzoekster afzonderlijk heeft opgelegd. Verzoeksters zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Totstandkoming van de besluiten
Verzoekster 1 is de eigenaar van de percelen aan het [naam locatie] [huisnummer X] , [huisnummer Y] en [huisnummer Z] te [plaats 3] . Verzoekster 2 huurt het perceel aan het [naam locatie] [huisnummer X] en exploiteert daar een bedrijf in reparatie en onderhoud van civiele schepen.
Bij afzonderlijke besluiten van 20 augustus 2025 heeft het college verzoeksters een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende het beëindigen en beëindigd houden van het zonder omgevingsvergunning uitvoeren van milieubelastende activiteiten. Het college heeft verzoeksters hiervoor een termijn van drie maanden gegeven.
Op 17 juli 2026 heeft het college een onaangekondigde controle uitgevoerd bij het perceel [naam locatie] [huisnummer X] . Geconstateerd is dat de bij besluiten van 20 augustus 2025 opgelegde dwangsom niet is nageleefd. Sprake was van het exploiteren van een milieubelastende installatie voor het maken dan wel onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen van (plezier)vaartuigen.
Naast dat verzoekster een dwangsom hebben verbeurd, die bij besluiten van 21 augustus 2026 zijn ingevorderd, heeft het college verzoekster met de bestreden besluiten van 15 september 2026 een nieuwe last onder dwangsom opgelegd. Verzoeksters moeten binnen één week overtreding van het, zonder omgevingsvergunning, exploiteren van de milieubelastende installatie voor het maken van pleziervaartuigen en/of het maken, onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, anders dan pleziervaartuigen, beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van dwangsommen van respectievelijke € 165.000,- voor verzoekster 1 en € 75.000,- voor verzoekster 2.
Mag het college handhavend optreden?
4. Verzoeksters voeren aan dat het college ten onrechte de lasten onder dwangsom heeft opgelegd. In een eerder stadium hebben verzoeksters overleg gevoerd met het college en de omgevingsdienst waarin is afgesproken dat de activiteiten mogen voortduren, mits beperkt. Het college had alvorens de lasten op te leggen, contact met verzoeksters moeten opnemen. Verzoekster menen dat daarnaast meer van het college verwacht mag worden. Verzoekster lopen tegen problemen aan voor wat betreft het op naam zetten van de op de percelen betrekking hebbende omgevingsvergunning.
Het maken van vaartuigen of drijvende werken en het onderhouden, repareren en schoonmaken van vaartuigen of drijvende werktuigen als dat geheel of gedeeltelijk op de wal of in een drijvend dok gebeurd, als ook het behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen om te voorkomen dat organismen zich onder het wateroppervlak daaraan vastenhechten, is aangemerkt als een milieubelastende activiteit. Dat geldt ook voor zogenaamde ondersteunende activiteiten die op dezelfde locatie worden verricht. Voor het exploiteren van een van een andere milieubelastende installatie voor het maken van metalen pleziervaartuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van ten minste 25 m en/of het maken, onderhouden, repareren, schoonmaken of behandelen van de scheepshuid van vaartuigen of drijvende werktuigen, anders dan pleziervaartuigen, geldt een vergunningplicht. Dit geldt voor verzoeksters.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college op 21 januari 2014 een omgevingsvergunning heeft afgegeven voor het [naam locatie] [huisnummer X] , [huisnummer Y] en [huisnummer Z] . Deze omgevingsvergunning is verleend aan de rechtsvoorganger van verzoekster 1 en ziet op het bouwen van een bouwwerk, het bouwen en gebruiken van een bouwwerk in het strijd met het bestemmingsplan en het in werking hebben van een inrichting. Kort samengevat kan de inrichting gebruikt worden voor scheepswerkzaamheden. Aan de vergunning zijn voorwaarden verbonden. Onder meer maakt een akoestisch rapport deel uit van de vergunning. Verzoekster 1 wil als huidige eigenaar van de percelen deze vergunning op haar naam zetten, maar zoals ter zitting is uitgelegd werkt de (erfgename van de) rechtsvoorganger hier niet aan mee.
Uit het controleverslag van 17 juli 2026 volgt dat is geconstateerd dat de (scheeps)werkzaamheden op het perceel het [naam locatie] [huisnummer X] niet conform de voorwaarden en uitgangspunten van de omgevingsvergunning uit 2014 worden uitgevoerd. Omdat de bebouwing op de kade ontbreekt, worden de activiteiten niet verricht conform hetgeen is vergund.
Verzoeksters erkennen dat op de kade van het perceel [naam locatie] [huisnummer X] werkzaamheden worden verricht. Deze werkzaamheden vallen onder de vergunningplicht. Dat de door verzoekster 2 uitgevoerde werkzaamheden, zoals ter zitting gesteld, enkel bestaan uit het verzorgen van de vloerbedekking het aan elkaar maken van pijpen, maakt dit niet anders. Ook deze werkzaamheden vinden plaats in het kader van het maken, repareren of onderhouden van vaartuigen. De voorzieningenrechter wijst er bovendien op dat in het controleverslag aangegeven is dat er geluiden zijn waargenomen die duiden op schuur- en slijpwerkzaamheden. Slijpwerkzaamheden worden ook expliciet in de vergunning uit 2014 genoemd. Deze werkzaamheden zijn weliswaar vergund, maar daarbij is uitgegaan is van bebouwing op de kade zoals opgenomen in de bouwtekeningen. Daarvan is (vooralsnog) geen sprake. Omdat verzoeksters niet betwisten dat de bebouwing niet conform de omgevingsvergunning is, staat vast dat sprake is van een overtreding. Het college is dan ook bevoegd handhavend op te treden. Het had verzoeksters bovendien duidelijk kunnen en moeten zijn dat het college het verrichten van de werkzaamheden op het perceel [naam locatie] [huisnummer X] , [huisnummer Y] en [huisnummer Z] , voor zover deze werkzaamheden niet binnen de omgevingsvergunning uit 2014 passen, niet of in elk geval niet langer toestaat. Uit het handelen van het college, met name de eerdere lasten van 20 augustus 2025 en het voornemen hiertoe, blijkt dat het college de in 2024 gemaakte afspraken, wat hier ook van zij, niet langer van toepassing acht. Verzoeksters hebben vervolgens voldoende tijd gehad om de werkzaamheden te beëindigen of in overeenstemming met de omgevingsvergunning te brengen.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026.
de griffier is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: