Rechtbank Rotterdam
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,
Dienst Toeslagen, verweerder,
Inleiding
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/4820, ROT 26/4847, ROT 26/4848, ROT 26/4850, ROT 26/4853, ROT 26/4888 en ROT 26/4889
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2026 in de zaken tussen
en
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op meerdere aanvragen om zorgtoeslag over de jaren 2020 tot en met 2026.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn vanwege misbruik van recht doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Procesverloop
Eiser heeft op 7 juni 2026 zeven identieke beroepen ingesteld wegens het uitblijven van het nemen van beslissingen op zijn aanvragen om zorgtoeslag over de jaren 2020 tot en met 2026.
Eiser heeft op 23 augustus 2021 twee afzonderlijke aanvragen om zorgtoeslag voor de jaren 2020 en 2021 bij verweerder ingediend.
Op 3 januari 2022 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. In dezelfde brief wordt een aanvraag om zorgtoeslag voor 2022 ingediend.
Op 3 januari 2023 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en een aanvraag om zorgtoeslag voor 2023 ingediend.
Op 3 januari 2024 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en een aanvraag om zorgtoeslag voor 2024 ingediend.
Op 3 januari 2025 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en een aanvraag om zorgtoeslag voor 2025 ingediend.
Op 8 september 2025 heeft eiser nogmaals aanvragen om zorgtoeslag voor de jaren 2023, 2024 en 2025 ingediend.
Op 23 december 2025 stelt eiser verweerder in gebreke vanwege het uitblijven van besluiten op verschillende aanvragen en dient hij een aanvraag om zorgtoeslag voor 2026 in.
Op 19 februari 2026 heeft eiser verweerder (nogmaals) in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van besluiten op zijn aanvragen om zorgtoeslag over de jaren 2020 tot en met 2025.
Verweerder heeft op 25 juni 2026 een verweerschrift ingediend waarin is toegelicht dat op alle aanvragen tijdig is beslist en dat geen dwangsommen dienen te worden toegekend.
Beoordeling door de rechtbank
3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraken van 19 november 2014 en 12 februari 2025 overwogen dat ingevolge artikel 3:13, gelezen in verbinding met artikel 3:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen, niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Op grond van artikel 3:13, tweede lid, van het BW kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of ingeval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Deze bepalingen verzetten zich daarom tegen inhoudelijke behandeling van een bestuursrechtelijk rechtsmiddel dat misbruik van recht omvat en bieden dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig rechtsmiddel.
4. Deze rechtbank heeft bij uitspraken van 19 juni 2024 en 8 november 2024 waarin eiser als gemachtigde optrad en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de verwerende partij was, geoordeeld dat misbruik is gemaakt van de bevoegdheid een rechtsmiddel in te dienen. Hetzelfde geldt voor de uitspraak van 11 december 2024, waarin eiser als gemachtigde optrad en het UWV de verwerende partij was. De rechtbank heeft in die uitspraken onder meer overwogen dat eiser veel procedures voert die enkel gericht zijn op het verkrijgen van een dwangsom en dat in veel van die zaken sprake lijkt te zijn van een patroon dat erop is gericht om geld te verdienen met het voeren van procedures, zonder dat het eiser te doen is om de inhoud van de besluitvorming. De Centrale Raad van Beroep heeft met de uitspraak van 1 mei 2026 de aangevallen uitspraken van deze rechtbank bevestigd en de beroepen van eiser in verband met misbruik van recht niet-ontvankelijk verklaard. Op 25 februari 2025 oordeelde de rechtbank Rotterdam opnieuw dat sprake was van misbruik van recht.
5. Per zaak moet worden beoordeeld of misbruik van recht is gemaakt. Eerdere procedures en de handelwijze van een partij mogen worden betrokken bij het oordeel of in een specifieke zaak misbruik van recht is gemaakt. Indien de rechter eenmaal heeft geoordeeld dat een rechtzoekende misbruik maakt van recht kan in volgende procedures van die rechtzoekende worden aangenomen dat wederom sprake is van misbruik, tenzij er aanknopingspunten zijn voor het tegendeel.
6. In deze zaken ziet de rechtbank dergelijke aanknopingspunten niet. Eiser heeft meermalen aanvragen ingediend die allemaal zien op zorgtoeslag voor bepaalde jaren, waarna hij beroepen blijft instellen tegen het niet tijdig nemen van beslissingen daarop. Uit het dossier blijkt echter dat verweerder al vóór de beroepschriften van eiser heeft beslist op de aanvragen zorgtoeslag over de jaren 2020-2026. Ook is al op de ingebrekestellingen beslist. Eiser heeft desondanks deze beroepen ingesteld, waarbij hij dwangsommen verzoekt van € 200,- per dag. Eiser overlegt hierbij een verzendadministratie van 2021-2025 die ziet op een ander postbusadres dan waar de aanvragen om zorgtoeslag en ingebrekestellingen naar toe zouden zijn verzonden. Nog los van de vraag of de aanvragen en ingebrekestellingen op de juiste wijze zijn ingediend, lijkt de wijze van het indienen van de aanvragen door eiser, als onderdeel van ingebrekestellingen tegen het uitblijven van besluiten over andere jaren, vooral bedoeld om verwarring te zaaien bij verweerder met het oog op het verkrijgen van mogelijke dwangsommen. Dit beeld lijkt te worden bevestigd door het feit dat de toeslagpartner van eiser de aangevraagde toeslag al ontvangt. De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat eiser, die voor zichzelf en als juridisch adviseur veel bestuursrechtelijke procedures voert, niet zou begrijpen dat de toeslag dan niet nogmaals kan worden ontvangen. Eiser kan op deze gronden niet in zijn beroepen worden ontvangen. Uit de onderhavige procedures en eerdere (hiervoor genoemde) procedures leidt de rechtbank een patroon af van het doen van veel verzoeken of aanvragen bij diverse bestuursorganen over allerlei onderwerpen, op naam van zichzelf, op naam van een door eiser opgerichte stichting (veelal Stichting [naam stichting] ) of voor mensen uit de directe omgeving van eiser. De aanvragen zijn daarmee veelal direct terug te leiden tot eiser. Uit de wijze waarop de aanvragen worden gedaan en waarop daarover verder wordt gecommuniceerd door eiser blijkt niet van een daadwerkelijke gerichtheid op de materiele inhoud van de beoordeling van die aanvragen. De rechtbank verwijst volledigheidshalve ook naar de uitspraak van heden in de zaken ROT 26/4826, ROT 26/4837, ROT 26/4838, ROT 26/4839, ROT 26/4840 en ROT 26/4866, waarin eiser als gemachtigde optreedt. De rechtbank is in de onderhavige zaken dan ook van oordeel dat het verzoeken om rechterlijke dwangsommen, vergoeding van proceskosten en vergoedingen van het griffierecht past in een patroon van het misbruik maken van recht. Daarmee procedeert eiser met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid tot het gebruik van rechtsmiddelen is verleend.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 9 oktober 2026.
De griffier en rechter zijn verhinderd de uitspraak te tekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden