Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2026 in de zaken tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,
Dienst Toeslagen, verweerder,
Inleiding
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/4826, ROT 26/4837, ROT 26/4838, ROT 26/4839, ROT 26/4840 en ROT 26/4866.
(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ),
en
(gemachtigde: [naam gemachtigde 2] ).
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op meerdere aanvragen om zorgtoeslag over de jaren 2020 tot en met 2026.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn vanwege misbruik van recht doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Procesverloop
Eiser heeft op 7 juni 2026 zes identieke beroepen ingesteld wegens het uitblijven van het nemen van beslissingen op zijn aanvragen om zorgtoeslag over de jaren 2020 tot en met 2026.
Eiser heeft op 23 augustus 2021 twee afzonderlijke aanvragen om zorgtoeslag voor de jaren 2020 en 2021 bij verweerder ingediend.
Op 3 januari 2022 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. In dezelfde brief wordt door eiser een aanvraag om zorgtoeslag voor 2022 ingediend.
Op 3 januari 2023 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en een aanvraag om zorgtoeslag voor 2023 ingediend.
Op 3 januari 2024 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en een aanvraag om zorgtoeslag voor 2024 ingediend.
Op 3 januari 2025 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en een aanvraag om zorgtoeslag voor 2025 ingediend.
Op 29 januari 2025 dient eiser nogmaals een aanvraag om zorgtoeslag voor 2025 in, waarop met het besluit van 21 maart 2026 door verweerder een voorschot aan eiser is verleend.
Op 9 september 2025 dient eiser nogmaals aanvragen om zorgtoeslag voor de jaren 2020, 2021, 2022, 2023 en 2024 in. Verweerder heeft hierop beslist met de beslissing van 9 oktober 2025. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Op 23 december 2025 dient eiser een ingebrekestelling en herhaalde aanvragen evenals een aanvraag om zorgtoeslag voor 2026 in.
Met het besluit van 16 januari 2026 heeft verweerder beslist op de ingebrekestelling van 23 december 2025. Namens eiser is hier op 24 februari 2026 bezwaar tegen ingediend. Namens eiser is verweerder op 12 april 2026 in gebreke gesteld. De aanvraag om zorgtoeslag voor 2026 is op 23 januari 2026 afgewezen, omdat eiser al zorgtoeslag over 2026 ontvangt.
Verweerder heeft op 25 juni 2026 een verweerschrift ingediend waarin is toegelicht dat op alle aanvragen tijdig is beslist en dat geen dwangsommen dienen te worden toegekend.
Beoordeling door de rechtbank
3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraken van 19 november 2014 en 12 februari 2025 overwogen dat ingevolge artikel 3:13, gelezen in verbinding met artikel 3:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen, niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Op grond van artikel 3:13, tweede lid, van het BW kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of ingeval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Deze bepalingen verzetten zich daarom tegen inhoudelijke behandeling van een bestuursrechtelijk rechtsmiddel dat misbruik van recht omvat en bieden dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig rechtsmiddel.
4. Deze rechtbank heeft bij uitspraken van 19 juni 2024 en 8 november 2024 waarin de gemachtigde van eiser als gemachtigde optrad en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de verwerende partij was, geoordeeld dat misbruik is gemaakt van de bevoegdheid een rechtsmiddel in te dienen. Hetzelfde geldt voor de uitspraak van 11 december 2024 waarin eisers gemachtigde optrad en het UWV de verwerende partij was. De rechtbank heeft in die uitspraken onder meer overwogen dat de gemachtigde van eiser veel procedures voert die enkel gericht zijn op het verkrijgen van een dwangsom en dat in veel van die zaken sprake lijkt te zijn van een patroon dat erop is gericht om geld te verdienen met het voeren van procedures, zonder dat het de gemachtigde van eiser te doen is om de inhoud van de besluitvorming. De Centrale Raad van Beroep heeft met de uitspraak van 1 mei 2026 de aangevallen uitspraken van deze rechtbank bevestigd en de beroepen van de gemachtigde van eiser in verband met misbruik van recht niet-ontvankelijk verklaard. Op 25 februari 2025 oordeelde de rechtbank Rotterdam opnieuw dat sprake was van misbruik van recht.
5. Per zaak moet worden beoordeeld of misbruik van recht is gemaakt. Eerdere procedures en de handelwijze van een partij mogen worden betrokken bij het oordeel of in een specifieke zaak misbruik van recht is gemaakt. Indien de rechter eenmaal heeft geoordeeld dat een rechtzoekende misbruik maakt van recht kan in volgende procedures van die rechtzoekende worden aangenomen dat wederom sprake is van misbruik, tenzij er aanknopingspunten zijn voor het tegendeel.
6. In deze zaken ziet de rechtbank dergelijke aanknopingspunten niet. Eiser heeft meermalen aanvragen ingediend die allemaal zien op zorgtoeslag voor bepaalde jaren, waarna hij beroepen blijft instellen tegen het niet tijdig nemen van beslissingen daarop. Het is echter gebleken dat verweerder telkens tijdig heeft beslist op de wel ontvangen aanvragen, waarna eiser vervolgens toch om dwangsommen verzoekt van € 200,- per dag. Eiser overlegt hierbij ook een verzendadministratie van 2021-2025 die ziet op een ander postbusadres dan waar de aanvragen om zorgtoeslag en ingebrekestellingen naar toe zouden zijn verzonden. Nog los van de vraag of de aanvragen en ingebrekestellingen op de juiste wijze zijn ingediend, heeft eiser in zijn bezwaarschrift van 24 februari 2026 enkel gronden gericht tegen een verzendadministratie en lijkt het vooral te gaan om het verkrijgen van viermaal een volledig verbeurde dwangsom. Eiser kan op deze gronden niet in zijn beroepen worden ontvangen. Het gaat hier om een handelswijze van de gemachtigde van eiser, die ook aan eiser moet worden toegerekend. De gemachtigde heeft immers de betrokken handelingen namens eiser verricht en eiser heeft hem daartoe heeft gemachtigd. Uit de onderhavige procedures en eerdere (hiervoor genoemde) procedures leidt de rechtbank een patroon af van het doen van veel verzoeken of aanvragen bij diverse bestuursorganen over allerlei onderwerpen, op naam van een door de gemachtigde opgerichte stichting (veelal Stichting [naam stichting] ) of voor mensen uit de directe kring van de gemachtigde. De aanvragen zijn daarmee veelal direct terug te leiden tot deze gemachtigde. Uit de wijze waarop aanvragen worden gedaan en waarop daarover verder wordt gecommuniceerd door de gemachtigde blijkt niet van een daadwerkelijke gerichtheid op de materiele inhoud van de beoordeling van die aanvragen. De rechtbank verwijst volledigheidshalve nog naar de uitspraak van heden in de zaken ROT 26/4820, ROT 26/4847, ROT 26/4848, ROT 26/4850, ROT 26/4853, ROT 26/4888 en ROT 26/4889, waarin de gemachtigde van eiser zelf procedeert. De rechtbank is in de onderhavige zaken dan ook van oordeel dat het verzoeken om rechterlijke dwangsommen, vergoeding van proceskosten en vergoedingen van het griffierecht past in een patroon van het misbruik maken van recht. Daarmee procedeert (de gemachtigde van) eiser met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid tot het gebruik van rechtsmiddelen is verleend.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout , rechter, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 9 oktober 2026.
De griffier en rechter zijn verhinderd de uitspraak te tekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden