RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
zaaknummer: C/10/690450 / HA ZA 24-1086
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser, hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. H. van Lingen,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J. Wassink.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 november 2025 en de daarin vermelde processtukken;- het deskundigenrapport van [deskundige] ([bedrijf A ]), ontvangen op 28 mei 2026;
- de conclusie na deskundigenbericht van [eiser] ;- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde] .
2. De verdere beoordeling
In het tussenvonnis van 28 mei 2025 heeft de rechtbank (in overweging 4.8) voorop gesteld dat niet in geschil is dat de vloerverwarming in elk geval op enig moment na levering niet (goed) functioneerde. Vervolgens is onder 4.9 overwogen dat het in hoofdzaak gaat om de vraag of sprake is van een onjuiste aansluiting van de vloerverwarming waardoor de vloerverwarming niet en/of niet veilig kan functioneren en vervolgschade is ontstaan, en om de vraag of de vloerverwarming al op het moment van levering niet functioneerde.
In het tussenvonnis van 19 november 2025 heeft de rechtbank [deskundige] tot deskundige benoemd om een aantal vragen te beantwoorden over de vloerverwarming.
De deskundige heeft onderzoek gedaan en daarvan schriftelijk verslag gedaan. Vervolgens hebben partijen hun visie gegeven op de bevindingen van de deskundige.
In het rapport staan onder meer de volgende bevindingen en antwoorden op de gestelde vragen:
(onder e)
(…) De aparte eindgroepen 230V/20A voor de 4 thermostaten die de 4 gecombineerde vloermatten aan/uit zetten zijn te hoog afgezekerd in relatie tot de aangebrachte bedrading. Bij het in bedrijf zijn van de vloermatten ontstaat warmteontwikkeling zowel op de overgang van de bedrading van de woning op de vloermatten (de 4 stuks inbouwdozen) als de tegen elkaar geplaatste 20A installatieautomaten. Dit kan jarenlang goed gaan maar door steeds warm-koud-warm-koud af te wisselen gaat dat op enig moment storing geven. De installateur [bedrijf B] heeft dit terecht als gevaarlijk aangemerkt en de installatieautomaten vervangen voor 230V/16A. (…)
(onder f)
(…) Er zijn op 4 plaatsen connecties van bedrading met de vloermatten los gegaan door jarenlang warm-koud-warm-koud wisselingen. (…) (…) de infrarood vloerverwarming heeft lange tijd goed gewerkt en niemand kan weten wanneer de connectie van de bedrading is los gegaan. (…)
(…) Aan de zijde van de vloermatten is gebruik gemaakt van “kroonstenen”. Het had beter geweest als hier een sterkere klem voor was gebruikt. De gebruikte installatieautomaten van 230V/20A is een te zware keuze geweest en ze zijn klem naast elkaar gemonteerd wat warmte genereerd naar elkaar. Dat is dus niet volgens NEN1010. (…)
Verder heeft de deskundige ten aanzien van het eerder gesignaleerde 'onder stroom staan' van de vloer de mogelijkheid gesuggereerd dat op een of meer plaatsen bij werkzaamheden door de vloermatten is geboord met kortsluiting als gevolg.
[eiser] concludeert op basis van het rapport dat op het moment van levering van de vloer sprake was van een gebrek in de elektrische installatie van de vloerverwarming.
[gedaagde] voert – kort gezegd – aan dat de deskundige is uitgegaan van aannames in plaats van constateringen en dat niet blijkt dat gebreken zijn ontstaan vóór de levering.
Naar het oordeel van de rechtbank is de feitelijke beschrijving van de bevindingen van de deskundige enigszins summier, maar biedt het rapport voldoende aanknopingspunten voor het nemen van een beslissing, zeker in samenhang met de bevindingen in het rapport van Bureau voor Bouwpathologie (hierna: BB) van 17 september 2024, die deels zijn gebaseerd op de eerdere waarnemingen van [bedrijf B] . Dit betreft vooral de waarneming van [bedrijf B] dat de aansluiting was afgezekerd op 25A terwijl de bedrading van de verwarming 2,5 mm is, hetgeen op termijn problemen zal geven, al zichtbaar in de vorm van brandplekken op de automaat en deels gesmolten isolatie van de bedrading aan de automaat.
Naar aanleiding van het rapport van BB heeft [gedaagde] (slechts) aangevoerd (cva 5) dat BB weliswaar heeft vastgesteld dat de aansluiting in de meterkast niet deugdelijk was/is maar dat dit niet hoeft af te doen aan het deugdelijk functioneren van de vloerverwarming.
Deskundige [deskundige] heeft aan het aspect van de te hoge 'afzekering' toegevoegd dat het jarenlang goed kan gaan, maar dat op enig moment door de warmteontwikkeling storing gaat optreden als gevolg van de afwisselingen van warm en koud.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat in deze procedure met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het niet goed en veilig functioneren van de verwarming een oorzaak vindt in de onjuiste aanleg/aansluiting van de elektriciteitsaanvoer voor de verwarming. [gedaagde] heeft het verband tussen een te hoge afzekering en warmteontwikkeling niet betwist, noch de (noodzaak tot) vervanging van de installatieautomaten door [bedrijf B] . Dat naarmate bedrading dunner is de weerstand hoger wordt, zodat bij een bepaalde stroomsterkte warmteontwikkeling kan optreden, kan overigens ook van algemene bekendheid worden geacht.
Niet is discussie is dat de (te hoge) afzekering dateert van het moment van aanleg van de verwarming, althans van ruim voor de levering van de woning aan [eiser] .
De deskundige (en/of BB) heeft geen andere oorzaak voor genoemde problemen met de verwarming geconstateerd, laat staan een oorzaak die is opgekomen ná de levering van de woning aan [eiser] .
De door [gedaagde] gestelde omstandigheid dat de verwarming goed heeft gefunctioneerd in de jaren dat hij zelf de woning bewoonde, valt goed te rijmen met deze bevindingen.
Bij het voorgaande laat de rechtbank buiten beschouwing de aanname of suggestie van de deskundige dat op een of meer plaatsen bij werkzaamheden door de vloermatten is geboord met kortsluiting als gevolg. Dit is niet gebaseerd op voldoende feitelijke vaststellingen, en zou overigens los staan van het hiervoor besproken gebrek.
Het ook op lange termijn goed kunnen functioneren van de vloerverwarming hangt dus (mede) af van een juiste afzekering. Na openbaring van de problemen zijn de zekeringen vervangen (door het plaatsen van nieuwe installatieautomaten van 16A). Nu de storingen hierdoor niet zijn opgelost, moet worden aangenomen dat de eerdere problemen tot (verdere) beschadiging van het verwarmingssysteem hebben geleid. Het gebrek aan de verwarming is dus ontstaan vóór de levering en bestond nog ten tijde van de levering op 29 juni 2023.
De conclusie uit het voorgaande – in vervolg op de oordelen die al in het tussenvonnis van 28 mei 2025 zijn gegeven – is dat sprake is van zodanig gebreken aan de woning dat deze niet voldoet aan wat [eiser] op basis van de overeenkomst daarvan mocht verwachten. [gedaagde] is toerekenbaar tekortgeschoten in de correcte nakoming van de overeenkomst. Voor de gevolgen daarvan is hij tegenover [eiser] aansprakelijk.
In het tussenvonnis van 28 mei 2025 is (in overweging 2.7) overwogen dat partijen tijdens de zitting hebben aangegeven dat zij een oordeel wensen over de vraag of sprake is van aansprakelijkheid van [gedaagde] , en dat zij daarna met elkaar in overleg willen treden over de verdere afwikkeling van het geschil.
In lijn hiermee zal de rechtbank nu geen verdere inhoudelijke beslissingen nemen, maar:
- bepalen dat (in beginsel) een nieuwe zitting zal worden gehouden;
- met het laten opvragen van verhinderdata nog drie maanden wachten;
- partijen verzoeken de rechtbank binnen die termijn te berichten of zij in onderling overleg de verdere afwikkeling hebben geregeld en een nieuwe zitting om die reden niet nodig is (in welk geval de zaak kan worden doorgehaald).
3. De beslissing
bepaalt dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden op een nog nader te bepalen dag en tijdstip (met inachtneming van de laatste overweging over het moment van opvragen van verhinderdagen en over de verdere gang van zaken);
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.1694