Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.184260.26
Datum uitspraak: 22 oktober 2026
Datum zitting: 8 oktober 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode 1] [woonplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. M.S.L. Leeflang
Officier van justitie: mr. E. Blanken
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor een poging zware mishandeling, omdat hij het slachtoffer met een mes in het gezicht heeft gesneden. Het beroep op noodweer en noodweerexces wordt verworpen. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - op 26 juni 2026 heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Subsidiair wordt hij ervan verdacht dat hij [slachtoffer] heeft mishandeld.
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
primair
hij op of omstreeks 26 juni 2026 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp op/in het hoofd, althans op/in het lichaam heeft gestoken/gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 26 juni 2026 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp op/in het hoofd, althans op/in het lichaam te steken/snijden.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de tenlastegelegde poging zware mishandeling.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde feit en gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde feit.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging zware mishandeling. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Ik pakte het mes uit de barbecueset. Ik maakte een beweging naar zijn hoofd met het mes. Daardoor was er een snee ontstaan. Ik had het wapen in mijn hand genomen, zodat ik hem kon afleiden met pijn. Ik heb bewust op zijn gezicht gericht en niet op zijn hals of vitale delen.
2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer] Op 26 juni 2026 was ik in Rotterdam. Een man stak mij in het gezicht met een mes.
3. DeskundigenverslagOp de foto is een behandelde wond aan de linker zijde van het gezicht zichtbaar, die getypeerd kan worden als snijwond en is dus passend bij de inwerking van scherp uitwendig geweld. Met betrekking tot de gevaarzetting geldt dat scherp geweld in dit gebied van het gezicht kan leiden tot huid- en weke-delenletsel, maar ook tot letsel van oppervlakkig gelegen structuren, bloedvaten, aangezichtszenuw en het linker oog. Oog- en zenuwletsel kan belangrijke en blijvende functionele beperkingen geven.
Bewijsmotivering
Volgens de verdediging is er geen sprake geweest van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet.
De rechtbank verwerpt dit verweer.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of de gedragingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roepen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte kan worden afgeleid dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard.
De verdachte heeft bewust in het gezicht van de aangever gesneden omdat hij geen dodelijk letsel wilde veroorzaken. Door op het gezicht van de aangever te richten, was er een aanmerkelijke kans dat het mes het oog van de aangever zou raken, wat zou kunnen leiden tot ernstige beschadiging van het oog of zelfs verlies van het oog wat als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Door toch naar het gezicht uit te halen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er zwaar lichamelijk letsel bij de aangever zou ontstaan.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
primair
de verdachte op 26 juni 2026 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes in het hoofd heeft gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
primair
poging zware mishandeling
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Standpunt verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens noodweer of noodweerexces of putatief noodweer. De verdediging heeft daartoe gesteld dat de verdachte zich in een conflictsituatie met de aangever bevond en dat er sprake was van een reële en onmiddellijke dan wel veronderstelde dreiging waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. De aangever stormde op de verdachte af met een metalen voorwerp, waarmee hij de verdachte aanviel.
Standpunt van de officier van justitie
Het beroep op noodweer, dan wel noodweerexces moet verworpen worden omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zichzelf moest verdedigen.
Oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) dient aannemelijk te zijn geworden dat op enig moment sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De verklaring van de verdachte, dat de aangever op hem afstormde met een metalen voorwerp in zijn hand en hem hiermee aanviel, wordt niet bevestigd door verklaringen van getuigen of ander bewijs. Daaruit blijkt dat er een woordenwisseling tussen de verdachte en de aangever was en dat de aangever een (opgevouwen) paraplu in zijn hand had. Geen van de getuigen beschrijft een situatie waarin de verdachte zodanig werd aangevallen dat hij zich met een mes moest verdedigen. Zowel het beroep op noodweer als noodweerexces worden verworpen.
Ook het beroep op putatief noodweer wordt verworpen, omdat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zichzelf moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan.
Het verweer van de verdediging slaagt niet. Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.
Standpunt van de verdediging
Bij een eventuele strafoplegging wordt verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze naar voren komen uit het reclasseringsrapport.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
Op een zomeravond in het Kralingse Bos heeft de verdachte ruzie gemaakt met het slachtoffer en daarbij met een flink mes uitgehaald naar het gezicht van het slachtoffer. Het slachtoffer moest naar het ziekenhuis om de flinke snee te laten hechten. De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien zijn er meerdere personen getuige geweest van de aanval met het mes. Dergelijke feiten versterken het gevoel van onveiligheid en de vrees dat er in de publieke ruimte gewelddadige dingen kunnen gebeuren.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 21 september 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en een uitgebreid strafblad heeft. De verdachte liep bovendien nog in een proeftijd voor een mishandeling. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van LdH Rotterdam van 23 september 2026 staat het volgende.
Het middelengebruik en het psychosociaal functioneren van de verdachte zijn delictgerelateerd en risicofactoren. De verdachte was ten tijde van het delict onder invloed van cocaïne en laat signalen zien van een gebrekkige emotieregulatie. Het cocaïnegebruik kan een versterkende werking hebben gehad op zijn gebrekkige emotieregulatie. Er zou daarnaast schizofrenie bij de verdachte zijn vastgesteld. De verdachte is dakloos, heeft geen zinvolle dagbesteding, heeft geen inkomsten en heeft schulden. Er zijn geen beschermende en positieve factoren. De verdachte is bereid te zijn om mee te werken aan voorwaarden. Hij zou graag hulp willen om van zijn cocaïneverslaving af te komen.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en beheersing middelengebruik.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit en het strafblad van de verdachte dient een gevangenisstraf te worden opgelegd. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
Daarom wordt een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden twee maanden voorwaardelijk opgelegd. De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijke deel straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De oplegging van deze bijzondere voorwaarden biedt de verdachte de mogelijkheid om hulp te krijgen bij de problemen die er in zijn leven spelen. De voorwaardelijke straf en de daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden hebben ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De proeftijd is twee jaar.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zes (6) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat twee (2) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee (2) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij het Leger des Heils Reclassering op het adres [adres 2] , [postcode 2] [plaats] ;
2. de verdachte zich laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende
klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk
is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
3. de verdachte verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
4. de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van cocaïne. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de Leger des Heils Reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E. IJspeerd, voorzitter,
en mrs. D.C.J. Peeck en J.K. Tempel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 22 oktober 2026.