ECLI:NL:RBROT:2026:14488

ECLI:NL:RBROT:2026:14488

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 22-10-2026
Zaaknummer NL:TZ:2617105:R-RK – NLTZ:2617106:R-RK en NL:TZ:2617107:R-RK – NL:TZ:2617108:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Moratorium toegewezen. De huurtermijnen vanaf februari 2026 steeds tijdig voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Rekestnummers: NL:TZ:2617105:R-RK – NLTZ:2617106:R-RK &

NL:TZ:2617107:R-RK – NL:TZ:2617108:R-RK

Uitspraak van 14 oktober 2026

In de zaak van

[verzoeker] en [verzoekster]

wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

verzoekers.

1. De procedure

Verzoekers hebben op 11 september 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 11 september 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 7 oktober 2026.

Ter zitting van 7 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:

De heer mr. J.A. Westdijk, werkzaam bij deurwaarderskantoor GGN Mastering Credit B.V., heeft namens de Stichting Hef Wonen (hierna: verweerster), gevestigd te Rotterdam voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. In haar verweerschrift heeft verweerster aangegeven niet ter zitting te verschijnen.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.

De huurtermijnen van juni, juli, augustus, september en oktober 2026 zijn, hoewel niet allemaal tijdig, wel voldaan. Verzoeker heeft een eigen timmerbedrijf en een vaste opdrachtgever voor de komende zes maanden. Daarmee verdient hij bruto € 1.800 per week. Verzoekster heeft een baan voor 32 uur per week en verdient daarmee netto € 1.983,22 per maand. Deze inkomens zijn voldoende om maandelijks de huur van € 1.196,54 te voldoen. Verzoeker heeft schulden uit zijn onderneming. Verzoeker heeft zich aangemeld bij schuldhulpverlener Zuidweg & Partners. De verwachting bestaat dat het minnelijk traject binnen een periode van zes maanden kan worden afgerond. Zuidweg & Partners neemt daarbij ook de schuld van verzoekster aan verweerster mee. Andere schulden heeft verzoekster niet. Verzoekers gaan met Zuidweg & Partners overleggen of zij gebruik kunnen maken van budgetbeheer.

3. Het verweer

Verweerster vindt dat de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis niet opgeschort moet worden. Hoewel de huurtermijnen alweer een tijd worden voldaan, is niet aan alle toezeggingen voldaan. Volgens verweerster hebben verzoekers tijdens de mondelinge behandeling van de procedure over de huurschuld toegezegd om voor 1 augustus 2026 met een concreet voorstel voor afbetaling van de huurschuld te komen. Dit is ook vastgelegd in het vonnis van 15 mei 2026. Omdat zij deze toezegging niet zijn nagekomen, dient het verzoek afgewezen te worden, aldus verweerster.

4. De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 19 augustus 2026 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 16 september 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 15 mei 2026 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Het inkomen van verzoekers is stabiel en toereikend om de huur te betalen en de lopende huur wordt vanaf februari 2026 steeds tijdig door verzoekers betaald. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. Het verzoek zal daarom worden toegewezen. Het enkele feit dat door verzoekers aan verweerster geen betalingsvoorstel meer is gedaan, is hooguit jammer te noemen omdat zij daarmee de aanzegging tot ontruiming mogelijk hadden kunnen voorkomen, maar doet aan deze conclusie niet af.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 15 mei 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 11 september 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.A. Bettonvil, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.A. Bettonvil

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand