RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: NL:TZ:2617118:R-RK – NL:TZ:2617125:R-RK
Uitspraak van 14 oktober 2026
In de zaak van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 14 september 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 14 september 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 7 oktober 2026.
Ter zitting van 7 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:
De heer [persoon B] , werkzaam bij deurwaarderskantoor GGN Mastering Credit B.V., heeft namens de Stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. In haar verweerschrift heeft verweerster aangegeven niet ter zitting te verschijnen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 augustus 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft een tijd geen inkomen gehad omdat zijn opdrachtgever hem niet heeft betaald en uiteindelijk failliet is gegaan. Verzoeker heeft sinds 15 september 2026 een nulurencontract. Dit contract eindigt van rechtswege op 15 december 2026. Verzoeker werkt nu gemiddeld twee dagen per week en solliciteert daarnaast voor een baan waarbij hij meer uren kan werken. Verzoeker heeft een aanvullende uitkering aangevraagd, maar deze uitkering is nog niet toegekend. Budgetbeheer moet nog door schuldhulpverlening worden opgestart. Fonds Bijzondere Noden Rotterdam heeft één maand huur ad € 868,85 op 23 september 2026 betaald.
3. Het verweer
Verweerster vindt dat de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis niet opgeschort moet worden. De huurachterstand is sinds de dagvaarding aanzienlijk gestegen, van € 3.249,55 tot € 5.848,10. Sinds vonnis is gewezen op 5 augustus 2026, is slechts een keer de huur betaald. Verzoeker is vanaf het ontstaan van de schuld, ook in het kader van vroegsignalering, gewezen op schuldhulpverlening. Verzoeker had zich al veel eerder tot de schuldhulpverlening kunnen wenden. Verweerster vindt dat, nu verzoeker dit niet heeft gedaan, hij daarvan de consequenties dient te dragen.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 augustus 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 26 augustus 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 30 september 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 5 augustus 2026 ten uitvoer kan leggen.
Verzoeker heeft bij gebrek aan inkomen de lopende huurtermijnen al meerdere maanden achtereen niet (tijdig) kunnen voldoen. Fonds Bijzondere Noden Rotterdam heeft in september 2026 eenmalig de huur betaald. Uit de overboeking blijkt echter niet dat dit de huur voor oktober 2026 betreft, zodat verweerster deze huurbetaling heeft afgeboekt op de restschuld. Ook wanneer de rechtbank ervan uit gaat dat dit de huurbetaling van oktober 2026 betreft, is daarmee betaling van de volgende huurtermijnen nog onvoldoende gewaarborgd. Verzoeker werkt op dit moment ongeveer twee dagen per week op basis van een nulurencontract. Dit contract loopt tot halverwege de termijn van de gevraagde voorziening, namelijk tot 15 december 2026. Zicht op werk na die datum is er nog niet. Verzoeker heeft een aanvullende uitkering aangevraagd, maar er is nog geen uitsluitsel of, en zo ja wanneer, verzoeker die aanvullende uitkering zal ontvangen. Ook budgetbeheer is nog niet opgestart.
Ondanks de positieve inzet en motivatie van verzoeker om meer te willen werken, zijn er op dit moment teveel onzekere factoren om te kunnen concluderen dat tijdige betaling door verzoeker van de lopende huurtermijnen voldoende aannemelijk is. Wanneer het inkomen stabiel is en er opnieuw een woningontruiming dreigt, kan verzoeker een nieuw verzoek indienen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het belang van verweerster op dit moment zwaarder weegt dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal daarom worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.A. Bettonvil, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.