RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: NL:TZ:2615598:R-RK - NL:TZ:2615599:R-RK
uitspraakdatum: 27 juli 2026
[verzoekster] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 26 juni 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 26 juni 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 17 juli 2026.
Ter zitting van 17 juli 2026 zijn verschenen en gehoord:
Stichting Hef Wonen, van wie de vordering in behandeling is bij Bazuin en Partners, gevestigd te Rotterdam, (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster ontvangt inkomen uit arbeid. Zij werkt 10 uur in de week en ontvangt circa € 644,00 per maand. Haar inkomen wordt aangevuld met een (aanvullende) Participatiewet-uitkering. Daarnaast ontvangt zij ook toeslagen. Zij heeft hiermee voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen van € 801,77 te voldoen. De huur over de maand juli 2026 is voldaan op 24 juni 2026. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de klantregisseur alle stukken heeft verzameld om het schuldhulpverleningstraject op te kunnen starten. Verder heeft schuldhulpverlening ter zitting verklaard dat budgetbeheer vanaf 1 juli 2026 is opgestart en dat vanaf deze maand de lopende huurtermijnen tijdig en volledig door de budgetbeheerder zullen worden voldaan.
3. Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van de brief van 4 juni 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 30 juni 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 9 april 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt inkomen uit arbeid, een (aanvullende) Participatiewet-uitkering en toeslagen. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur over de maand juli 2026 is voldaan op
24 juni 2026. Daarnaast is budgetbeheer opgestart waardoor wordt gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig en volledig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van de uit het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2024 volgende bevoegdheid van verweerster tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
26 juni 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig en volledig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2026.