RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
rekestnummer: NL:TZ:2609609:R-RK
uitspraakdatum: 5 augustus 2026
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende op een (bij de rechtbank bekend) geheim adres,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 15 april 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een drietal schuldeisers, te weten:
die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
SMS Parking B.V. heeft voorafgaande aan de zitting, bij e-mail van 3 juli 2026, aan de rechtbank te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Het verzoek ten aanzien van SMS Parking B.V. wordt derhalve als ingetrokken beschouwd.
Schuldhulpverlening heeft voorafgaand aan de zitting, op 6 juli 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Verzoekster heeft voorafgaand aan de zitting, op 21 juli 2026, de rechtbank een tweetal brieven toegezonden. In een van deze brieven heeft verzoekster aangegeven wegens omstandigheden verhinderd te zijn om fysiek ter zitting te verschijnen. De rechtbank heeft toestemming verleend om verzoekster telefonisch aan de zitting deel te laten nemen.
Ter zitting van 29 juli 2026 zijn verschenen en gehoord:
De weigerende schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2. Het verzoek
Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift 53 schuldeisers, waarvan 2 preferente schuldeisers met 2 vorderingen en 40 concurrente schuldeisers met 51 vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 105.447,54 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 26 april 2024 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 1,84% aan de preferente schuldeisers en 0,92% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar PW-uitkering. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat verzoekster kampt met medische klachten, maar dit is niet met stukken onderbouwd. Er is ook geen ontheffing van de sollicitatieplicht. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zodra er voor haar jongste zoon passend onderwijs is gevonden zij tijd heeft om met zichzelf aan de slag te gaan. Met de werkcoach van de gemeente heeft zij besproken dat zij dan een bbl-opleiding tot kraamverzorgster zou willen volgen. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan.
51 schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [persoon A] en [persoon B] stemmen hier niet mee in. Zij hebben een vordering van respectievelijk € 1.153,63 en
€ 10.830,52 op verzoekster. In totaal belopen de vorderingen van deze weigerende schuldeisers 11,28% van de totale schuldenlast.
3. Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben de weigerende schuldeiser geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [persoon A] en [persoon B] bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [persoon A] en [persoon B] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vordering van [persoon A] en [persoon B] een aandeel vormen in de totale schuldenlast (te weten 11,28% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat [persoon A] en [persoon B] in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Het aanbod betreft een saneringskrediet gebaseerd op de huidige inkomsten uit hoofde van een PW-uitkering. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden dat verzoekster niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken. Verzoekster werkt niet en lijkt hier ook (nog) niet naar te solliciteren. Daarnaast zijn er geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat verzoekster arbeidsongeschikt is. Verder is gebleken dat aan verzoeker geen ontheffing van de sollicitatieplicht is verleend. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoekster blijvend is.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [persoon A] en [persoon B] als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om [persoon A] en [persoon B] te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.