RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
Toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummer: [nummer 1] - [nummer 2]
Uitspraakdatum: 21 oktober 2026
[verzoeker] ,
wonende op een (bij de rechtbank bekend) geheim adres,
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 23 september 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 25 september 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 13 oktober 2026.
Ter zitting van 13 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:
Op 14 oktober 2026 heeft de rechtbank aanvullende stukken van de advocaat ontvangen.
Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Met behulp van Zuidweg & Partners onderzoekt verzoeker of het mogelijk is zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. Verzoeker had hiervoor op 29 september 2026 een intakegesprek met Zuidweg & Partners en moet nu stukken aanleveren. Verzoeker ontvangt inkomsten uit onderneming tussen de € 5.000,00 en € 8.000,00 per maand. Dit inkomen is voldoende om de lopende huur te betalen. De huur voor de maanden augustus 2026 tot en met oktober 2026 is ook betaald.
3. Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 31 juli 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 30 september 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 27 maart 2026 ten uitvoer kan leggen.
Verweerster heeft al eerder – bij exploot van 8 juli 2026 – een ontruiming aangezegd tegen 29 juli 2026. Na deze aanzegging is door verzoeker op 28 juli 2026 een betaling gedaan van € 6.000,00. Met deze betaling heeft verzoeker een forse aflossing gedaan op de huurachterstand en heeft verweerster reden gezien om de op 29 juli 2026 geplande ontruiming te annuleren. De lopende huur wordt – in ieder geval – sinds augustus 2026 betaald. Uit de door de advocaat nagezonden stukken is gebleken dat ook de huur voor de maand oktober 2026 is betaald. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij nog steeds voor dezelfde opdrachtgever werkt en dat hij voldoende inkomsten heeft om de lopende huur te betalen. Uit de door verzoeker bij het verzoekschrift overgelegde facturen blijkt dat verzoeker in de periode van juni 2026 tot en met augustus 2026 bedragen tussen de € 10.000,00 en € 13.000,00 aan deze opdrachtgever factureert. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 27 maart 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen te Rotterdam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 25 september 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van Toor-Roos, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.