RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 5 augustus 2026
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende op een (bij de rechtbank bekend) geheim adres,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 5 juni 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- NS Groep, wiens vordering in behandeling is bij LAVG, hierna te noemen: NS;
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Schuldhulpverlening heeft voorafgaand aan de zitting, op 3 en 8 juli 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
LAVG heeft namens NS voorafgaand aan de zitting, op 20 juli 2026, een verweerschrift ingediend.
Verzoekster heeft voorafgaand aan de zitting, op 24 juli 2026, de rechtbank een persoonlijke verklaring toegezonden over het ontstaan van de schuld aan NS.
Ter zitting van 29 juli 2026 zijn verschenen en gehoord:
Schuldhulpverlening heeft op 4 augustus 2026 de rechtbank een vtlb-berekening per juli 2026 aangeleverd.
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2. Het verzoek
Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift tien schuldeisers, waarvan twee preferente en acht concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 18.961,30 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 4 september 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, waarbij geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en de schuldeisers verzocht worden de betreffende schulden kwijt te schelden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar PW-uitkering. Verzoekster heeft een moeilijke periode achter de rug en is bezig met haar leven weer op de rit te krijgen. Ze is op dit moment zwanger van haar derde kind. Schuldhulpverlening heeft verklaard dat verzoekster niet in staat is om te werken vanwege haar verleden. Er is echter geen officiële ontheffing van de sollicitatieplicht van de gemeente. Verzoekster heeft verklaard, wanneer haar situatie het toelaat, weer aan het werk te willen gaan of een opleiding te gaan volgen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan.
Negen schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. NS stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 1.128,03 op verzoekster.
3. Het verweer
LAVG stelt zich namens NS op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Volgens haar heeft verzoekster onvoldoende gemotiveerd waarom zij in redelijkheid niet tot weigering heeft kunnen komen. Daarnaast voert zij aan dat het minnelijk traject minder waarborgen biedt dan de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De Wsnp biedt volgens haar daarom betere vooruitzichten voor de schuldeisers. Verder stelt LAVG namens NS dat het aangeboden voorstel van 0% geen enkel voordeel biedt ten opzichte van toelating tot de Wsnp. Zij acht het volledig afboeken van de vorderingen zonder doorlooptijd te ingrijpend en pleit minimaal voor een looptijd van 18 maanden om zicht te houden op het betaalgedrag en de financiële ontwikkeling van verzoekster.
Bovendien heeft verzoekster in de visie van NS niet het maximaal haalbare aangeboden. De aangeboden regeling is immers gebaseerd op een PW-uitkering, terwijl de inkomenspositie van verzoekster de komende tijd nog zou kunnen verbeteren. Noch bij het voorstel en noch bij het verzoek tot heroverweging is geen redenen aangegeven waarom verzoekster niet (fulltime) zou kunnen werken. Er is geen medische onderbouwing of een vrijstelling van de sollicitatieplicht verstrekt. Zij stelt dat verzoekster, gelet op diens leeftijd, uitkeringssituatie en de huidige arbeidsmarkt, in staat moet worden geacht om (fulltime) arbeid te verrichten en daarmee aanzienlijk hogere inkomsten te genereren. In dat geval zou binnen de Wsnp een hogere uitdeling aan schuldeisers mogelijk zijn dan onder het aangeboden saneringsakkoord. NS wijst er op dat in de schuldsaneringsregeling wettelijke waarborgen bestaan om te verzekeren dat verzoekster zich maximaal inspant om zoveel mogelijk baten voor haar schuldeisers te verwerven. Volgens NS biedt een wettelijke schuldsaneringsregeling betere vooruitzichten voor de schuldeisers dan het huidige aanbod.
Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben de weigerende schuldeisers geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van NS bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of NS in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vordering van NS een aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 5,95 % daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat NS in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Het aanbod is een saneringskrediet zonder afloscapaciteit tegen finale kwijting (nulaanbod). Verzoekster ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet en volgens de overgelegde vtlb-berekening van juli 2025 zou er geen afloscapaciteit beschikbaar zijn. In de vtlb-berekening is een correctie opgenomen voor de woonlasten boven de maximale huurtoeslaggrens. Verzoekster dan wel schuldhulpverlening heeft niet toegelicht/aannemelijk gemaakt dat deze correctie noodzakelijk is. Indien de correctie niet wordt toegepast, heeft dat gevolgen voor de afloscapaciteit. Daarnaast is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting onvoldoende duidelijk geworden dat verzoekster niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken. Verzoekster werkt niet en lijkt hier ook niet aantoonbaar naar te solliciteren. Daarnaast heeft zij geen officieel besluit tot ontheffing van de sollicitatieplicht of medische stukken overgelegd, waaruit blijkt dat zij arbeidsongeschikt is. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoekster juist en blijvend is.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van NS als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om NS te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.