RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer]
Vonnis van: 21 oktober 2026
Op het verzoek van:
[verzoeker] ,
wonende te [adres 1] ,
[postcode 1] [plaats] .
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt [verzoeker] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 1 augustus 2025. Dit verzoek wordt ook toegewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 13 oktober 2026. Op deze zitting zijn verschenen:
- [verzoeker] ;
- [hulpverlener 1] en [hulpverlener 2] , beiden
schuldhulpverleners van Geldplein;
- de heer V.W. Scheepers, beschermingsbewindvoerder.
De rechtbank heeft op 13 oktober – na de zitting – aanvullende stukken van schuldhulpverlening ontvangen.
2. De beoordeling
Ontvankelijkheid
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet [verzoeker] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens [verzoeker] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat gedurende de schuldregeling meerdere schuldeisers aan de schuldregeling zijn toegevoegd. De beschermingsbewind-voerder heeft aan schuldhulpverlening laten weten dat het onbekend is of de schuldenlast volledig is en dat het moeite kost om deze in kaart te brengen. De schuldenlast kan dus niet binnen afzienbare termijn in kaart worden gebracht. Daarnaast heeft de Belastingdienst aangegeven niet mee te werken aan het minnelijk traject omdat [verzoeker] de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2023 niet heeft ingediend. Ter zitting is door de beschermingsbewindvoerder verklaard dat de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2023 door overmacht niet is gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet (binnen afzienbare termijn) tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. [verzoeker] is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
De toelating
[verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
[verzoeker] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) vast op achttien maanden.
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
[verzoeker] heeft een uitkering op grond van de Participatiewet (PW-uitkering) verhoogd met huur- en zorgtoeslag. De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject op basis van zijn inkomen geen afloscapaciteit heeft gehad. Dit blijkt uit de door schuldhulpverlening nagezonden vtlb-berekening over de periode juli 2025 tot en met december 2025. De vaststelling dat [verzoeker] geen afloscapaciteit heeft (gehad), moet op één lijn worden gesteld met een eerste aflossing (als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw). Uit de door schuldhulpverlening nagezonden stukken blijkt overigens dat door één schuldeiser, in ieder geval sinds november 2025, beslag is gelegd op de PW-uitkering van [verzoeker] .
De rechtbank stelt bovendien vast dat in de periode van het schuldhulpverlenings-traject ook aan de inspanningsverplichting is voldaan. [verzoeker] heeft sinds 19 maart 2026 een ontheffing van de arbeidsverplichting. Deze ontheffing geldt tot en met 1 januari 2027. De datum waarop [verzoeker] de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Uit het verzoekschrift en het ter zitting verhandelde is voldoende aannemelijk geworden dat [verzoeker] al langere tijd niet in staat is om betaalde arbeid te verrichten en dat er ook al vóór 19 maart 2026 sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft in haar overwegingen onder meer betrokken, dat bij beschikking van de kantonrechter van 31 juli 2024 beschermingsbewind is ingesteld op de grondslag van lichamelijke of geestelijke toestand.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 1 augustus 2025, zijnde de dag waarop is vastgesteld dat [verzoeker] geen afloscapaciteit heeft en aan de inspanningsverplichting heeft voldaan.
3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de looptijd (ex artikel 349a Fw) van de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4. van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste dertien maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoeker] .
De looptijd van de regeling van [verzoeker] is veel eerder ingegaan dan de datum van dit vonnis. De bewindvoerder kan nu pas starten met zijn taken, terwijl de looptijd van de regeling (vooralsnog) verstrijkt op 1 februari 2027. De boedel wordt per die datum gefixeerd. Van belang is dat [verzoeker] ook na die datum verplicht blijft om mee te werken aan de afwikkeling. Hij is ook verplicht om daarvoor informatie aan de bewindvoerder aan te leveren. Tot de boedel behorende goederen moeten nog worden afgedragen. Na de materiële looptijd geldt er geen inspanningsverplichting (artikel 288 Fw) en ook geen verplichting om inkomsten boven het vtlb af te dragen (artikel 295 Fw).
De rechtbank draagt de bewindvoerder op om – in afwijking van artikel 351a Fw – uiterlijk binnen vijf maanden na de datum van dit vonnis eindverslag uit te brengen.
Als [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden (het formele einde).
4. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1960 te [geboorteplaats] Congo,
wonende te [adres 1] ,
[postcode 1] [plaats] ,
voorheen handelend onder de naam [naam] ,
gevestigd te [adres 2] ,
[postcode 2] [plaats] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. E.A. Vroom,
en tot bewindvoerder S.H.J. Nanuruw,
gevestigd te Postbus 68,
2650 AB Berkel en Rodenrijs;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 1 augustus 2025 en de duur op achttien maanden en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op 1 februari 2027;
- stelt vast dat er ook na de materiële looptijd een medewerkingsplicht en een informatieplicht gelden;
- draagt de bewindvoerder op om uiterlijk binnen vijf maanden na de datum van dit vonnis eindverslag uit te brengen;
- stelt de datum van de verificatievergadering vast op 15 december 2026;
- draagt de bewindvoerder op de post van [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. W.J. van Toor - Roos, rechter, in samenwerking met Z. da Luz Almeida, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.