ECLI:NL:RBROT:2026:14711

ECLI:NL:RBROT:2026:14711

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 26-10-2026
Zaaknummer ROT 25/2696
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres heeft compensatie ontvangen, maar is het niet eens met de hoogte daarvan en stelt dat zij recht heeft op compensatie voor meer toeslagjaren. Daarnaast voert zij aan dat de Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen de compensatie voor de afgewezen jaren terecht heeft geweigerd en de hoogte van de toegekende compensatie juist heeft vastgesteld. Verder zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Omdat in eerste instantie echter niet volledig op de aanvraag van eiseres was beslist, verklaart de rechtbank het beroep gegrond. Aan de gevolgen van de besluitvorming verandert dat niets, maar de Dienst Toeslagen moet wel de proceskosten van eiseres vergoeden.’

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

Dienst Toeslagen

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/2696

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),

en

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres heeft compensatie ontvangen, maar is het niet eens met de hoogte daarvan en stelt dat zij recht heeft op compensatie voor meer toeslagjaren. Daarnaast voert zij aan dat de Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen de compensatie voor de afgewezen jaren terecht heeft geweigerd en de hoogte van de toegekende compensatie juist heeft vastgesteld. Verder zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Omdat in eerste instantie echter niet volledig op de aanvraag van eiseres was beslist, verklaart de rechtbank het beroep gegrond. Aan de gevolgen van de besluitvorming verandert dat niets, maar de Dienst Toeslagen moet wel de proceskosten van eiseres vergoeden.

Procesverloop

2. Met het besluit van 22 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres compensatie toegekend op grond van de Wht.

Met het besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 22 december 2022 gegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Met het besluit van 31 maart 2026 (het bestreden besluit 2) heeft de Dienst Toeslagen aanvullend beslist op jaren die in het bestreden besluit 1 nog niet waren beoordeeld en het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 22 december 2022 ongegrond verklaard. Het beroep heeft van rechtswege betrekking op het bestreden besluit 2.

De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, omdat geen van partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. De rechtbank heeft het onderzoek bij brief van 13 augustus 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres heeft drie kinderen, geboren op [geboortedatum 1] 2001, [geboortedatum 2] 2004 en [geboortedatum 3] 2008. Ze heeft op 18 mei 2021 een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht.

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Met het besluit van 22 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2006 tot en met 2015 beoordeeld en vastgesteld dat eiseres in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomenheid voor de toeslagjaren 2010, 2011, 2013 en 2014. Daarom heeft eiseres een compensatiebedrag toegekend gekregen van € 47.655,-.

Met het bestreden besluit 1 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat er ook sprake was van vooringenomenheid over toeslagjaar 2012 en dat er sprake was van een harde toepassing van het wettelijke systeem over de toeslagjaren 2007, 2008 en 2009. De Dienst Toeslagen heeft ook voor deze toeslagjaren compensatie toegekend. Daarnaast is het compensatiebedrag over 2010 op een hoger bedrag vastgesteld. Als gevolg hiervan is het totale compensatiebedrag vastgesteld op € 82.347,-.

Met het bestreden besluit 2 heeft de Dienst Toeslagen de toeslagjaren beoordeeld die nog niet in de eerdere besluiten waren beoordeeld, te weten 2005, 2016, 2017, 2018 en 2019. De Dienst Toeslagen heeft vastgesteld dat eiseres voor deze jaren geen recht heeft op compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid. In 2005 en 2019 heeft eiseres geen aanvraag gedaan voor kinderopvangtoeslag. In 2016 en 2017 zijn de wijzigingen die zijn doorgegeven regulier en dit heeft invloed gehad op het recht op kinderopvangtoeslag. In 2018 heeft eiseres zelf de kinderopvangtoeslag stopgezet waardoor er geen sprake is van vooringenomenheid of hardheid. Daarnaast is vastgesteld dat eiseres ten onrechte compensatie heeft ontvangen voor 2007 en 2008 en te veel compensatie heeft ontvangen voor 2009. In 2012 heeft eiseres te weinig compensatie ontvangen. De Dienst Toeslagen heeft deze bedragen met elkaar verrekend en omdat het totale compensatiebedrag hiermee lager is dan het reeds toegekende compensatiebedrag, vindt er geen nabetaling plaats.

Wettelijk kader

5. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende wettelijke regels van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of een te harde toepassing van het wettelijk systeem van de kinderopvangtoeslag. De compensatie die tijdens de integrale beoordeling op grond van de Wht wordt toegekend bestaat uit een limitatief opgesomde reeks schadeposten, waarvan een deel forfaitair is vastgesteld. De berekening van de hoogte van de compensatie vindt plaats aan de hand van deze schadeposten. Verder kan de Dienst Toeslagen een tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS) toekennen aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld. De O/GS-tegemoetkoming blijft achterwege indien ten aanzien van de terugvordering recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht over hetzelfde berekeningsjaar.

6. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen de toegekende compensatie op juiste wijze heeft vastgesteld. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.

Reikwijdte van de aanvraag

7. Tussen partijen is niet in geschil dat de Dienst Toeslagen alle jaren waarin eiseres kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, had moeten beoordelen. De Dienst Toeslagen heeft dat erkend in het bestreden besluit 2. Dat betekent dat met het bestreden besluit 1 ten onrechte niet volledig op de aanvraag van eiseres is beslist en dat het bestreden besluit 1 in strijd is met artikel 2.1, eerste lid, van de Wht en artikel 7:11 van de Awb. Met het bestreden besluit 2 heeft de Dienst Toeslagen dit gebrek hersteld.

Zienswijze

8. Eiseres betoogt dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om door middel van een zienswijze te reageren op de beoordeling van de toeslagjaren die voorliggen in het bestreden besluit 2. Zij stelt dat dit besluit om die reden in strijd is met artikel 6.7 van de Wht en het zorgvuldigheidsbeginsel.

De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen heeft nagelaten eiseres voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit 2 door middel van een schriftelijke vooraankondiging te informeren over de voorgenomen beslissing. Dat is in strijd met artikel 6.7, eerste lid, van de Wht. De beroepsgrond slaagt in zoverre. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Eiseres is na een hoorgesprek over de nog niet beoordeelde jaren in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het gespreksverslag. Bovendien heeft eiseres in de onderhavige beroepsprocedure alsnog haar standpunt over de beoordeling van de betreffende jaren naar voren kunnen brengen. Zij is door de gang van zaken niet in haar belangen geschaad.

Heeft de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

9. Eiseres stelt dat zij niet kan controleren of het bestreden besluit op juiste gronden is genomen, omdat zij niet over alle relevante gegevens beschikt. Zij voert aan dat de stukken die zien op het onderzoek naar de O/GS-kwalificatie en de registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in de zin van artikel 8:42 van de Awb en door de Dienst Toeslagen overgelegd hadden moeten worden. Zij verwijst daarvoor naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Daarnaast stelt eiseres dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft nagelaten het ouderdossier met daarin het SAS-rapport en het document ‘afgehandelde zaken’ over te leggen. Tot slot stelt eiseres dat ook onderzoek gedaan moet worden naar documenten die mogelijk in de ontdekte datakluis te vinden zijn, met name documenten over toeslagjaar 2005.

Hoewel op zichzelf begrijpelijk is dat eiseres zoveel mogelijk inzicht wenst in wat er is gebeurd en daarom graag inzage heeft in zoveel mogelijk stukken die op haar betrekking hebben, moet de rechtbank deze beroepsgrond toetsen aan de maatstaf van artikel 8:42 van de Awb. Op grond van dat artikel is de Dienst Toeslagen verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Deze procedure heeft betrekking op de compensatie in het kader van de integrale beoordeling. Het recht op compensatie en de juistheid van de compensatieberekening moeten kunnen worden getoetst als die in geschil zijn. De Dienst Toeslagen moet daarom de stukken die van belang zijn voor de beoordeling van het recht op compensatie en de berekening daarvan aan de bestuursrechter overleggen.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat stukken die relevant zijn voor de beoordeling van het recht op compensatie of de compensatieberekening, ontbreken. De rechtbank licht dat toe. De Dienst Toeslagen heeft de relevante stukken over de toeslagjaren 2005 tot en met 2019 in het geding gebracht. Uit het dossier blijkt welke beschikkingen zijn genomen, hoe deze tot stand zijn gekomen en welke gevolgen deze beschikkingen hebben gehad. Aan de hand van de stukken die in het dossier zitten kan de aanspraak van eiseres op compensatie en de juistheid van de compensatieberekening worden getoetst, zoals ook zal volgen uit het vervolg van deze uitspraak. Eiseres heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat de stukken die volgens haar ontbreken, van invloed kunnen zijn op de beoordeling van haar aanspraak.

Met betrekking tot de stukken over de O/GS-kwalificatie, merkt de rechtbank meer concreet nog het volgende op. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die stukken in dit geval geen op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb. Immers, ook al zou sprake zijn geweest van een O/GS-kwalificatie, leidt dat in deze zaak niet tot een andere uitkomst. Ook met een O/GS-kwalificatie heeft eiseres namelijk geen recht op een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 van de Wht. Over de toeslagjaren 2005, 2006, 2017 en 2019 heeft geen terugvordering plaatsgevonden. Als geen terugvordering heeft plaatsgevonden, is niet aannemelijk dat eiseres om een persoonlijke betalingsregeling heeft verzocht. Reeds daarom heeft eiseres over deze jaren geen recht op een O/GS-tegemoetkoming. Voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2014 heeft eiseres reeds compensatie ontvangen op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, wat op grond van artikel 2.6, vierde lid, van de Wht in de weg staat aan een O/GS-tegemoetkoming over deze jaren. Voor de toeslagjaren 2015, 2016 en 2018 heeft eiseres niet gesteld dat zij om een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling heeft verzocht.

Wat betreft de stukken in de datakluis, merkt de rechtbank op dat het onderzoek daarnaar nog loopt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden, nu door de staatssecretaris van Financiën in een brief van 15 april 2026 aan de Tweede Kamer is toegezegd dat er zorg zal worden gedragen voor transparantie en openheid. In een nieuwsbericht van 16 april 2026 op de website van de Dienst Toeslagen is daaraan toegevoegd dat als bij het doorzoeken van de datakluis alsnog nieuwe informatie naar voren komt die in het voordeel van de gedupeerde ouder uitpakt, er maatregelen zullen worden genomen om dat te herstellen.

Heeft de Dienst Toeslagen terecht de aanvraag van eiseres om compensatie voor de jaren 2006, 2016, 2017 en 2018 afgewezen?

10. Eiseres betoogt dat haar ten onrechte geen compensatie is toegekend voor de toeslagjaren 2006, 2016, 2017 en 2018. De rechtbank bespreekt de jaren hierna afzonderlijk.

Toeslagjaar 2006

Volgens eiseres heeft de Dienst Toeslagen onvoldoende gemotiveerd waarom over toeslagjaar 2006 niet vooringenomen is gehandeld.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt. In het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie staat dat over 2006 geen kinderopvangtoeslag is teruggevorderd. Eiseres heeft dat niet weersproken. Nu er over 2006 geen terugvordering heeft plaatsgevonden, heeft de Dienst Toeslagen terecht geconcludeerd dat eiseres over dat jaar geen recht heeft op compensatie.

Toeslagjaar 2016

Ten aanzien van toeslagjaar 2016 voert eiseres aan dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld. De kinderopvangtoeslag is verlaagd met ingang van 1 april 2016, omdat eiseres een wijziging in uren zou hebben doorgegeven. De Dienst Toeslagen heeft onvoldoende onderzocht of de doorgevoerde verlaging daadwerkelijk van eiseres afkomstig was. Daarnaast is haar recht op kinderopvangtoeslag over 2016 ten onrechte definitief vastgesteld op een bedrag van € 5.033,-. Uit de KOI-viewer blijkt dat de kosten van opvang over dat jaar € 6.363,37 bedroegen. De kinderopvangtoeslag had dan minimaal € 5.917,93 (93% van € 6.363,37) moeten bedragen. Eiseres merkt meer in het algemeen nog op dat onjuiste berekeningen het gevolg lijken te zijn van het onrechtmatige handelen van de Dienst Toeslagen. Het heeft er volgens eiseres alle schijn van dat sprake is van een systematische sturing op een verlaagde toekenning van de kinderopvangtoeslag.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2016. Niet aannemelijk is geworden dat de Dienst Toeslagen over 2016 vooringenomen heeft gehandeld. Bij voorschotbeschikking van 28 december 2015 is de kinderopvangtoeslag over 2016 vastgesteld op een bedrag van € 8.239,-. Dit voorschotbedrag is vervolgens bij beschikking van 21 april 2016 verlaagd naar € 4.962,-, als gevolg van een doorgegeven vermindering van het aantal opvanguren. Partijen twisten over de vraag wie die wijziging heeft doorgeven. De rechtbank laat het antwoord op die vraag echter in het midden. Ook als iemand anders dan eiseres de wijziging zou hebben doorgegeven, is daarmee nog niet aannemelijk geworden dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld. De kinderopvangtoeslag over 2016 is bij beschikking van 11 augustus 2017 definitief vastgesteld op € 5.033,-. Dat bedrag komt zo goed als overeen met het neerwaarts vastgestelde voorschotbedrag van € 4.962.-. Eiseres heeft destijds ook geen bezwaar gemaakt, noch tegen de beschikking waarmee het voorschotbedrag naar beneden is bijgesteld, noch tegen de definitieve beschikking. De stelling van eiseres dat de kinderopvangtoeslag over 2016 minimaal € 5.917,93 had moeten bedragen, leidt niet tot een ander oordeel. De herstelregelingen zijn namelijk niet bedoeld om fouten die mogelijk zijn gemaakt bij de vaststelling van het recht op kinderopvangtoeslag te herstellen. Los daarvan merkt de rechtbank het volgende op. Bij haar herberekening van de kinderopvangtoeslag neemt eiseres het totale bedrag aan opvangkosten (€ 6.363,37) als uitgangspunt. De rechtbank constateert echter dat de kinderopvangstelling een uurtarief van € 7,19 in rekening heeft gebracht, terwijl in 2016 de maximum uurprijs voor buitenschoolse opvang € 6,42 bedroeg. Uit artikel 4, tweede lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag zoals dat destijds luidde, blijkt dat als de uurprijs die de kinderopvanginstelling in rekening brengt hoger ligt dan de maximum uurprijs, bij de bepaling van de hoogte van de kinderopvangtoeslag de maximum uurprijs in aanmerking wordt genomen. Eiseres kan daarom niet worden gevolgd in haar stelling dat de kinderopvangtoeslag over 2016 ten minste 93% van € 6.363,37 moest bedragen. Evenmin kan eiseres worden gevolgd in haar stelling dat de Dienst Toeslagen systematisch zou hebben gestuurd op een verlaagde toekenning van de kinderopvangtoeslag. Uit het voorgaande volgt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Dienst Toeslagen de toeslag te laag heeft vastgesteld, laat staan dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat de Dienst Toeslagen heeft gestuurd op een verlaagde vaststelling van de kinderopvangtoeslag.

Toeslagjaar 2017

Ten aanzien van toeslagjaar 2017 voert eiseres aan dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld, omdat de Dienst Toeslagen de hoogte van de kinderopvangtoeslag onjuist heeft berekend. De kosten van de opvang bedroegen € 5.547,13. Bij een toetsingsinkomen van € 8.250,- had de kinderopvangtoeslag conform het Besluit kinderopvangtoeslag zoals dat destijds gold 94% van de opvangkosten moeten bedragen. Dat komt neer op een bedrag van € 5.214,30, en niet een bedrag van € 4.603,-, zoals destijds is toegekend.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2017. Zoals hiervoor al opgemerkt, zijn de herstelregelingen niet bedoeld om fouten die mogelijk zijn gemaakt bij de vaststelling van het recht op kinderopvangtoeslag te herstellen. Los daarvan merkt de rechtbank ook hier op dat het uurtarief dat de kinderopvanginstelling over 2017 in rekening heeft gebracht (€ 7,34) hoger is dan de maximum uurprijs voor buitenschoolse opvang in 2017 (€ 6,69). Bij de berekening van kinderopvangtoeslag over 2017 is de Dienst Toeslagen van de maximum uurprijs uitgegaan, zoals volgt uit de dossierstukken.

Toeslagjaar 2018

Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen over het toeslagjaar 2018 vooringenomen heeft gehandeld. Per 14 februari 2018 is de kinderopvangtoeslag verlaagd als gevolg van een stopzetting. Eiseres betwist dat zij die stopzetting zelf heeft doorgevoerd. De Dienst Toeslagen had bij eiseres moeten uitvragen of daadwerkelijk sprake was van beëindiging van de kinderopvangtoeslag. Dat eiseres de stopzetting zelf heeft doorgevoerd is volgens eiseres niet aannemelijk, omdat eiseres het hele jaar 2018 student – en dus doelgroeper – was.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2018. De Dienst Toeslagen heeft destijds gehandeld op basis van een melding tot stopzetting per 14 februari 2018. In het formulier ‘Integrale beoordeling’ over de jaren 2005 en 2016 tot en met 2019 staat in hoofdstuk 3 (‘Gespreksverslag’) het volgende: “U [lees: eiseres] gaf aan dat u de kinderopvangtoeslag zelf heeft stopgezet want u was niet meer in staat om de hoge eigen bijdrages te betalen. […] Met pijn in uw hart heeft u de kinderopvangtoeslag noodgedwongen stopgezet. Uw oudste kind heeft toen gezorgd voor uw jongste kind. Op deze manier heeft u het zelf proberen te regelen maar het is geen vrijwillige keuze geweest.” De betwisting in beroep dat eiseres de stopzetting zelf heeft doorgegeven, kan dus geen stand houden. Uit deze passage blijkt namelijk dat eiseres, hoewel niet vrijwillig, de stopzetting in 2018 zelf heeft doorgegeven. Dat de Dienst Toeslagen van de – door eiseres doorgegeven – stopzetting is uitgegaan, is niet vooringenomen.

Heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de compensatie juist vastgesteld?

11. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen de hoogte van de compensatie onjuist heeft vastgesteld. Bij de berekening van de compensatie voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2012 en 2014 is de hoogte van de compensatie niet correct omdat component a niet klopt. De Dienst Toeslagen is ten onrechte uitgegaan van de voorschotbedragen zoals die waren vastgesteld voorafgaand aan de neerwaartse correcties. Volgens eiseres had moeten worden uitgegaan van het bedrag waarop zij daadwerkelijk recht had als het recht op kinderopvangtoeslag destijds juist was vastgesteld.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 2.2, onder a, van de Wht bepaalt, voor zover relevant, dat de compensatie bestaat uit (i) een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of (ii) het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid of hardheid. Artikel 2.3, eerste lid, van de Wht bepaalt vervolgens dat het bedrag aan compensatie gelijk is aan (i) het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of (ii) het bedrag dat als gevolg van de beschikking is teruggevorderd. In de toeslagjaren 2007 tot en met 2012 werd de voorschotverlening met een beschikking verminderd en werd het verschil teruggevorderd. In 2014 werd de voorschotverlening beëindigd en werd het voorschotbedrag teruggevorderd. Over al die jaren is het compensatiebedrag dus gelijk aan het bedrag dat is teruggevorderd. Dit betekent dat het bedrag onder component a gelijk moet zijn aan het voorschotbedrag zoals dat was vastgesteld voorafgaand aan de neerwaartse correcties. De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht deze voorschotbedragen als uitgangspunt genomen voor de berekening van de compensatie.

Los hiervan merkt de rechtbank nog het volgende op. In het document ‘Punten voor de zitting’ heeft eiseres delen van de zittingsaantekeningen van de hoorzitting in bezwaar ingevoegd. Daaruit volgt dat eiseres ervan uitgaat dat in bijvoorbeeld het jaar 2007 de kinderopvangtoeslag 96,5% van de opvangkosten bedroeg. Dat percentage komt echter niet overeen met de percentages zoals genoemd in het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming in kosten kinderopvang zoals dat destijds gold. Uit Bijlage I bij dat besluit volgt dat bij een toetsingsinkomen lager dan € 16.394,- een percentage van 63,2% gold. Dat is aanzienlijk lager dan het door eiseres gehanteerde percentage van 96,5%. Daarnaast is niet duidelijk in hoeverre eiseres in haar berekening de maximum uurprijs zoals opgenomen in artikel 4 van het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming in kosten kinderopvang in haar berekening heeft verdisconteerd (zie ook wat de rechtbank daarover heeft opgemerkt onder 10.2.1 en 10.3.1). De rechtbank noemt hier het jaar 2007 als voorbeeld, maar wat de rechtbank over dat jaar opmerkt, is van overeenkomstige toepassing op de overige jaren.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond, omdat in het bestreden besluit 1 ten onrechte niet volledig op de aanvraag van eiseres is beslist. Het bestreden besluit 1 is in zoverre in strijd met artikel 2.1, eerste lid, van de Wht en artikel 7:11 van de Awb. Het bestreden besluit 1 kent voor het overige geen gebreken. Hoewel aan het bestreden besluit 2 een zorgvuldigheidsgebrek kleeft wegens het ontbreken van een schriftelijke vooraankondiging, passeert de rechtbank dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit 1 vernietigen voor zover daarbij is nagelaten te beslissen op de aanvraag over de toeslagjaren 2005 en 2016 tot en met 2019. Omdat de Dienst Toeslagen dit gebrek met het bestreden besluit 2 heeft hersteld, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit 1 in stand te laten.

13. Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen ook in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor de reactie van eiseres van 22 mei 2026, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand