ECLI:NL:RBROT:2026:14752

ECLI:NL:RBROT:2026:14752

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 16-10-2026
Datum publicatie 27-10-2026
Zaaknummer ROT 25/7010 en ROT 25/7033
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat het UWV terecht de aanvraag van eiseres om een WIA-uitkering heeft afgewezen en terecht heeft bepaald dat eiseres geen recht heeft op een ZW-uitkering. De beroepen zijn ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2026 in de zaken tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 25/7010 en ROT 25/7033

(gemachtigde: mr. A.B.B. Beelaard),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Op 13 december 2023 heeft eiseres een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Met het besluit van 25 maart 2024 (primair besluit I) heeft het UWV de aanvraag van eiseres om een WIA-uitkering afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 23 juli 2024 (primair besluit II) heeft het UWV besloten dat eiseres per 15 april 2024 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Tegen dit besluit heeft eiseres ook bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 7 augustus 2024 (bestreden besluit I) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen primair besluit I ongegrond verklaard.

Met het besluit van 7 augustus 2023 (bestreden besluit II) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen primair besluit II ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten.

Het UWV heeft op de beroepen gereageerd met twee verweerschriften en aanvullende rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

Eiseres heeft een nader stuk ingediend.

De rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk op 18 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit I in het kader van de Wet WIA

2.

Eiseres was voor 40 uur per week werkzaam als casinomedewerkster. Zij heeft zich op 14 maart 2022 ziek gemeld voor dit werk wegens gezondheidsklachten. Op 13 december 2023 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd.

In het kader van de WIA-aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden.

Op 21 februari 2024 is eiseres op het spreekuur van de verzekeringsarts gezien. In de rapportage van 26 februari 2024 concludeert de arts, wiens oordeel is getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts, dat eiseres verminderde benutbare mogelijkheden als gevolg van ziekte of gebrek heeft waardoor zij is aangewezen op werkzaamheden overeenkomstig de opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). In deze FML van 26 februari 2024, die geldig is vanaf 21 februari 2024, zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 3. Fysieke omgevingseisen, 4. Dynamische handelingen, 5. Statische houdingen en 6. Werktijden.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige in de rapportage van 22 maart 2024, met inachtneming van de functionele mogelijkheden en beperkingen van eiseres, geconcludeerd dat zij niet geschikt is voor haar eigen werk, maar wel geschikt is voor de functies Wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code: 267053), Administratief medewerker afhandelingen (SBC-code: 515080) en Productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code: 272043). Aanvullend wordt eiseres geschikt geacht voor de functie Administratief ondersteunend medewerker (SBC-code: 315100). Het loon dat eiseres met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) kan verdienen, ligt 10,33% lager dan het maatmaninkomen van eiseres.

Onder verwijzing naar deze rapportages heeft het UWV met primair besluit I de aanvraag van eiseres om een WIA-uitkering afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 26 mei 2025 geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van de door de primaire arts opgenomen beperkingen in de FML per de datum in geding 11 maart 2024.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van 4 augustus 2025 geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van het oordeel van de primair arbeidsdeskundige. Naar aanleiding van de door eiseres ingebrachte bezwaren, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functie Wikkelaar (nieuw en revisie) laten vervallen. Op basis van de overgebleven functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd vastgesteld op 17,71%.

Vervolgens heeft het UWV met bestreden besluit I primair besluit I gehandhaafd.

Totstandkoming van het bestreden besluit II in het kader van de ZW

3.

Eiseres heeft zich op 15 april 2024 ziek gemeld bij het UWV, terwijl zij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet (WW).

Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft opnieuw een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. In de rapportage van 22 juli 2024 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat eiseres geschikt is voor de functies zoals die eerder door de arbeidsdeskundige, in het kader van de WIA-aanvraag, zijn geselecteerd. Het UWV heeft deze rapportage ten grondslag gelegd aan primair besluit II waarin het UWV heeft besloten dat eiseres per 15 april 2024 geen recht heeft op een ZW-uitkering.

In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapportage van 5 augustus 2025 geconcludeerd dat de ingebrachte bezwaren niet leiden tot aanpassing van het ingenomen standpunt door de primaire arts. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is eiseres vanaf 15 april 2024 geschikt voor de geselecteerde functies door de arbeidsdeskundige in het kader van de eerdere WIA-beoordeling. Vervolgens heeft het UWV met bestreden besluit II primair besluit II gehandhaafd.

Standpunt eiseres

4. Eiseres voert in beroep – kort samengevat – aan dat zij zich niet kan vinden in het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 mei 2025 dat het door de primaire arts opgestelde belastbaarheidspatroon op juiste en volledige wijze de medische beperkingen van eiseres weerspiegelt. Eiseres heeft immers last van mentale en lichamelijke klachten, paniekaanvallen en slaapproblemen. Volgens eiseres heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen beperking aangenomen op samenwerken, emotionele problemen van anderen hanteren en (het onderhouden van) klant- en patiëntcontact en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende onderbouwd waarom op deze onderdelen geen beperkingen zijn aangenomen. Eiseres stelt dat zij verdergaand beperkt moet worden geacht op het item ‘omgaan met conflicten’, aangezien zij niet in staat is om met telefonische en schriftelijke conflicten om te gaan, omdat zij hiervan emotioneel overbelast en gestrest raakt en dit resulteert in paniekaanvallen. Gelet op de vraag of (meer) beperkingen aangenomen hadden moeten worden, verzoekt eiseres de rechtbank om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Bovendien stelt eiseres dat de geduide functie Administratief ondersteunend medewerker niet geschikt is, omdat in deze functie ongeveer twee keer per maand sprake is van een confrontatie met boze en/of onredelijke cliënten terwijl eiseres niet in staat is om met conflicten om te gaan.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft besloten dat eiseres per 11 maart 2024 geen recht heeft op een WIA-uitkering en dat eiseres per 15 april 2024 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV terecht de aanvraag van eiseres om een WIA-uitkering afgewezen en terecht bepaald dat eiseres geen recht heeft op een ZW-uitkering. De rechtbank licht dat hierna toe.

Beoordeling bestreden besluit I in het kader van de Wet WIA

7. De toepasselijke wet- en regelgeving voor de beoordeling in het kader van de Wet WIA is als volgt.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld voor de vaststelling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen.

Zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek

8. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op de bestudering van de dossiergegevens, het spreekuurcontact met de primaire arts op 21 februari 2024, een fysieke hoorzitting op 29 april 2025 met aansluitend medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de informatie die is verkregen van de behandelend sector. De primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben beiden een psychisch en lichamelijk onderzoek verricht en alle medische informatie is in de beoordeling betrokken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Medische beoordeling

In de rapportage van 26 februari 2024 heeft de primaire arts aangegeven dat geen reden wordt gezien om eiseres te beperken in het samenwerken, het hanteren van emotionele problemen van anderen of het (onderhouden van) klant- en patiëntcontact. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 26 mei 2025 toegelicht dat hij geen aanleiding ziet om af te wijken van het oordeel van de primaire arts. Uit de bewoordingen van die toelichting lijkt te volgen dat beperkingen ten aanzien van het samenwerken, emotionele problemen van anderen hanteren en klant- en patiëntcontact slechts kunnen worden aangenomen als sprake is van de in het CBBS genoemde aandoeningen en/of stoornissen. Dat is echter niet juist, omdat in de basisinformatie van het CBBS omschrijvingen worden gegeven aan de hand waarvan een beperking kan worden aangenomen en daarbij slechts voorbeelden van stoornissen en/of aandoeningen worden genoemd. Het UWV heeft dit ter zitting ook erkend. Dit levert een motiveringsgebrek op.

Daar komt bij dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten aanzien van het klant- en patiëntcontact nog heeft toegelicht dat bij eiseres weliswaar sprake is van een angststoornis met depressieve klachten en dit dus overeenkomt met het in het CBBS genoemde voorbeeld, maar dat de communicatie met eiseres tijdens de hoorzitting zonder problemen verliep en daarom geen beperking op dit onderdeel is aangenomen. De rechtbank overweegt dat de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dit punt vrij summier en kort door de bocht te noemen is. De rechtbank overweegt daarom dat ook op dit punt sprake is van een motiveringsgebrek.

De rechtbank kan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteindelijk wel volgen. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van het UWV toegelicht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voortborduurt op eerdere rapportages, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zelf eiseres heeft beoordeeld op het psychisch vlak en dat in de rapportage van 26 februari 2024 wordt ingegaan op het rapport van Ergatis. Uit dat rapport blijkt onder meer dat conflicthantering bij eiseres beperkt mogelijk is en dat samenwerken mogelijk is met een afgebakende deeltaak. Verder heeft Ergatis geen absolute beperkingen aangenomen, net zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat niet heeft gedaan. Gelet op deze toelichting en het gegeven dat zich in het dossier geen aanvullende (medische) stukken bevinden die het aannemen van (aanvullende) beperkingen op deze items rechtvaardigen, overweegt de rechtbank dat voldoende duidelijk wordt waarom de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen (aanvullende) beperking op deze items heeft aangenomen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de motiveringsgebreken met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat niet aannemelijk is geworden dat eiseres hierdoor zou zijn benadeeld.

Gelet op het voorgaande bestaat bij de rechtbank geen twijfel over de medische beoordeling, zodat de rechtbank ook geen aanleiding ziet om een onafhankelijk deskundige te benoemen. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.

Arbeidsdeskundige beoordeling

10. Ten aanzien van wat eiseres heeft aangevoerd over de functie Administratief ondersteunend medewerker, overweegt de rechtbank dat ‘het omgaan met conflicten’ bij deze functie (circa twee keer per maand telefonisch dan wel schriftelijk te maken hebben met boze/onredelijke cliënten) binnen de belastbaarheid van eiseres valt. Volgens de belastbaarheid zoals opgenomen in de FML van 26 februari 2024 zou eiseres een conflict met agressieve of onredelijke mensen uitsluitend telefonisch of schriftelijk kunnen hanteren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat deze functie niet passend zou zijn voor eiseres.

11. Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de geselecteerde functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat zij in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen van 17,71%. Dit betekent dat zij niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.

Beoordeling in het kader van de ZW

12. De toepasselijke wet- en regelgeving voor de beoordeling in het kader van de ZW is als volgt.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

Bij de beoordeling van de vraag of de verzekerde recht heeft op een ZW-uitkering of hersteld moet worden verklaard voor zijn arbeid, kan onder bepaalde omstandigheden worden afgeweken van de gebruikelijke beoordelingssystematiek die door het UWV wordt gehanteerd. Deze mogelijkheid tot afwijking doet zich met name voor als de verzekerde een ZW-uitkering heeft aangevraagd, terwijl diegene daarvoor al een WIA-beoordeling heeft doorlopen, daarna niet meer aan het werk is geweest en zich vervolgens opnieuw heeft ziek gemeld. Volgens de uitspraak van 23 december 2022 van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) gelden hierbij twee cumulatieve voorwaarden:

1. Ten tijde van de hersteldverklaring van de verzekerde dienen er minstens drie van de functies, waaronder ook de reservefuncties, die eerder door de arbeidsdeskundige in het kader van de WIA-beoordeling zijn geselecteerd, nog steeds geschikt te zijn. Daarbij geldt dat voor elke functie er ten minste drie arbeidsplaatsen beschikbaar moeten zijn.

2. De vergelijking van de loonwaarde van de geselecteerde functies en het maatmaninkomen die in het kader van de WIA-beoordeling heeft plaatsgevonden moet nog steeds leiden tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%.

Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts naar aanleiding van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Een dergelijke vaststelling geeft het UWV voldoende basis om een ZW-uitkering te beëindigen op grond van artikel 19 van de ZW.

14.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van toegenomen beperkingen ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling.

In de rapportage van 22 juli 2024 heeft de primaire arts toegelicht dat de belasting van de geduide functies binnen haar huidige belastbaarheid valt, ondanks dat bij eiseres een nieuwe diagnose (een evidente facetartrose) is gesteld die beperkingen met zich meebrengt. Volgens de primaire arts blijkt de belastbaarheid van eiseres uit het dagverhaal, waarin staat dat zij ondanks klachten in staat is tot zelfverzorging, lichte huishoudelijke taken en enkele uren per week als ZZP’er werkt. De geduide functies zijn licht fysieke (voornamelijk) zittende functies, waarbij eiseres van houding kan wisselen (tussen zitten/staan/lopen). Ook omvatten de functies overzichtelijke taken en is geen grote eindverantwoordelijkheid vereist. De primaire arts acht de eerder opgestelde FML in het kader van de WIA-beoordeling nog steeds van toepassing op de huidige situatie. In het kader van de eerdere WIA-beoordeling is eiseres reeds beperkt geacht op de onderdelen: lang achtereen lopen/staan, zwaar tillen/dragen, frequent buigen, zwaar tillen/dragen, voorspelbare werksituaties, geen veelvuldige deadlines/productiepieken, geen hoog handelingstempo, geen verhoogd persoonlijke risico, geen conflicthantering en geen nachtdiensten. De primaire arts ziet geen medische argumenten om eiseres als meer beperkt op die onderdelen te beschouwen.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 5 augustus 2025 ten aanzien van de mentale klachten en de klachten aan het linkeronderbeen toegelicht dat de ingebrachte brieven van de anesthesioloog, de fysiotherapeut en de psycholoog geen nieuwe informatie bevatten ten opzichte van het oordeel van de primaire arts. Ten aanzien van de rugklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat op pagina 10 van de rapportage van de primaire arts is vermeld dat op een MRI-scan van de rug in juni 2024 een evidente facetartrose ter hoogte van de L5/S1 is getoond en dat eiseres hierdoor beperkingen heeft. Aanvullend heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarover opgemerkt dat, ondanks dat dit een nieuw feit betreft ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling, geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van die eerdere beoordeling. In de FML van 26 februari 2024 zijn immers al beperkingen opgenomen ten aanzien van rugbelastend werk (lang achtereen staan, lopen, zitten, tillen, dragen, frequent buigen, gebogen en/of getordeerd actief zijn). De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat de belastbaarheid van eiseres in de geduide functies, die door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zijn vastgesteld op 4 augustus 2025, niet wordt overschreden. Het gaat immers om mentaal, niet zwaar en been- en rugbesparend werk, waardoor de verzekeringsarts bezwaar en beroep, rekening houdend met de beperkingen van eiseres, eiseres geschikt acht voor deze functies.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het UWV terecht heeft besloten dat eiseres met ingang van 15 april 2024 geschikt is voor de geduide functies, zodat zij per die datum geen recht heeft op een ZW-uitkering.

Conclusie en gevolgen

15.

De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten I en II in stand blijven.

De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb in de zaak ROT 25/7010 wel aanleiding om het UWV te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Ook moet het UWV het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden in het zaaknummer ROT 25/7010.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- bepaalt dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht van € 53,- in het beroep met zaaknummer ROT 25/7010 vergoedt;

- veroordeelt het UWV in de door eiseres voor het beroep met zaaknummer ROT 25/7010 gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand