ECLI:NL:RBROT:2026:14754

ECLI:NL:RBROT:2026:14754

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 12-10-2026
Datum publicatie 27-10-2026
Zaaknummer C/10/694551 / FA RK 25-1238
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

vader en kinderen (7 en 9) hebben geen contact. Afwachten tot de kinderen zelf om contact vragen is niet genoeg. Er is geen contra indicatie dus de rechtbank verplicht de ouders tot omgangsbegeleiding.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/694551 / FA RK 25-1238

Beschikking van 12 oktober 2026 over het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken/de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat mr. J.M. Wigman te Den Haag,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat mr. P.V. Hübner te Rotterdam.

1. De verdere procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de beschikking van 30 september 2025;

het (verkorte) rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht, van 24 maart 2026;

het bericht met bijlage van de vrouw van 7 april 2026;

het bericht van de man van 21 april 2026;

het bericht met bijlagen van de vrouw van 7 september 2026.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 14 september 2026. Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man een pleitnotitie overgelegd.

De minderjarige [minderjarige 1] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hier gebruik van gemaakt en heeft op 11 september 2026 met de kinderrechter gesproken.

2. De verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar tussenbeschikking van 30 september 2025.

In deze tussenbeschikking is de raad verzocht onderzoek te verrichten dan wel andere bemoeienis (Ouderschap in Overleg) te bieden met betrekking tot het ouderlijk gezag en de zorg- dan wel omgangsregeling, en hierover vóór de daarbij bepaalde datum aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen.

De ouders hebben vervolgens deelgenomen aan het traject Ouderschap in Overleg. Dit traject heeft niet geleid tot overeenstemming over het gezag en de zorg- dan wel omgangsregeling. De raad heeft daarop rapport en advies uitgebracht. De raad constateert dat de verstandhouding tussen de ouders ernstig is verstoord, dat het wederzijds vertrouwen ontbreekt en dat de communicatie tussen hen niet constructief verloopt. De raad maakt zich zorgen over het risico dat de minderjarigen hierdoor klem komen te zitten tussen hun ouders.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man zijn verzoeken gewijzigd. Hij heeft zijn verzoek om gezamenlijk gezag ingetrokken. Daarnaast verzoekt hij niet langer om een onbegeleide omgangsregeling, maar om een begeleide omgangsregeling. De rechtbank wijst daarom het verzoek over het gezag af en beslist alleen nog over de omgangsregeling.

In ieder geval sinds de tussenbeschikking hebben de man en de minderjarigen geen contact gehad. De man probeert de minderjarigen wel te laten weten dat hij aan hen denkt. Hij heeft een kaartje gestuurd voor hun verjaardag. Voor kerst heeft hij vooraf gevraagd of hij een kaartje mocht sturen. Dat heeft hij niet gedaan, omdat de vrouw het hem sterk afraadde.

Voor de rechtbank is duidelijk dat de minderjarigen last hebben van de huidige situatie. De stukken die in het geding zijn gebracht laten zien dat zij daar ieder op hun eigen manier mee om gaan. [minderjarige 1] ervaart duidelijk spanning en angst rondom het contact met de man. Zij heeft onder meer paniekaanvallen en andere lichamelijke klachten gehad. [minderjarige 2] lijkt minder angstig en is over het algemeen vrolijker, maar zij geeft aan dat zij zich rustig voelt omdat er op dit moment geen contact is met de man. De rechtbank kan niet vaststellen dat deze problematiek uitsluitend verband houdt met de man, en de angst of andere gevoelens die de minderjarigen bij of door hem hebben. Ook de manier waarop de vrouw met de situatie omgaat lijkt daarbij een rol te spelen. De vrouw heeft enerzijds verklaard dat zij het belangrijk vindt dat de minderjarigen hun vader kennen en dat zij hen in het verleden heeft gestimuleerd om contact met hem te hebben. Anderzijds stelt zij zich inmiddels op het standpunt dat zij de minderjarigen niet meer zal dwingen en dat het initiatief bij hen moet liggen. Daardoor blijft de situatie waarin geen contact plaatsvindt feitelijk voortduren. Of de vrouw de minderjarigen bewust tegen de man opzet, zoals de man denkt, kan de rechtbank niet vaststellen, maar wel constateert de rechtbank dat zij er tot nu toe niet in is geslaagd ruimte te creëren voor een nieuwe, positieve ervaring van de minderjarigen met hun vader. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de minderjarigen opnieuw hulpverlening krijgen. De vrouw start binnenkort met de minderjarigen aan systeemtherapie. De rechtbank ziet in de stukken onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat deze therapie uitsluitend over de omgang met de man gaat. Dat de hulpverlening opnieuw systeemgerichte begeleiding nodig acht, maakt voor de rechtbank juist aannemelijk dat er binnen het gezin meer speelt.

Het is voor de minderjarigen van groot belang dat zij een relatie met beide ouders kunnen onderhouden. Een kind en de ouder bij wie het niet woont, hebben recht op omgang met elkaar. Op de rechter rust daarbij een zware taak. De rechter moet alles doen wat in redelijkheid van hem kan worden gevergd om die omgang tot stand te brengen, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:91). Ook van de ouders zelf wordt het nodige gevraagd. Zij moeten zich tot het uiterste inspannen om het contact met de andere ouder mogelijk te maken. Afwachten tot de minderjarigen daar zelf om vragen, is niet genoeg. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn met hun zeven en negen jaar nog jong. Zij kunnen zelf geen oplossing vinden voor een situatie die in belangrijke mate door de verstoorde verhouding tussen hun ouders wordt bepaald.

Dit plaatst de rechtbank voor een lastig vraagstuk. De minderjarigen hebben last van de huidige situatie en hebben behoefte aan rust en passende hulpverlening. Tegelijk ziet de rechtbank geen contra-indicatie voor contact: niets wijst erop dat de man niet goed voor de minderjarigen kan zorgen of dat contact met hem voor hen onveilig is. Hoewel de raad volgens haar rapport contact ten tijde van het opstellen nog niet als optie zag, heeft de raad tijdens de mondelinge behandeling juist aangegeven dat er nu een opening moet komen en dat begeleide omgang daarvoor een passende eerste stap is. Sinds het rapport van de raad van maart 2026 heeft de vrouw geen concrete stappen die (uiteindelijk) kunnen leiden naar contactherstel gezet. Dat rust voor de minderjarigen belangrijk is, begrijpt de rechtbank, maar langer wachten tot de minderjarigen daar zelf aan toe zijn, laat het negatieve beeld dat zij van hun vader hebben ongewijzigd. Zo blijft de huidige situatie in stand, terwijl de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat door enkel verloop van tijd het tij zal keren en contact dan als vanzelf een optie voor de minderjarigen wordt.

De rechtbank acht het daarom in het belang van de minderjarigen dat er nu stappen gezet worden. Dat zullen zorgvuldig begeleide stappen moeten zijn en professioneel begeleide omgang is daarvoor een geschikt middel. Dit betekent dat de rechtbank bepaalt dat partijen verplicht deelnemen aan het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding zoals is genoemd in het proces-verbaal dat partijen zullen ontvangen. Dit proces-verbaal wordt nog verstuurd naar het routeringspunt voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie nadat partijen de rechtbank hun contactgegevens (telefoonnummer en e-mailadres) hebben gegeven. De rechtbank zal ook deze beschikking versturen naar het routeringspunt.

De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om, zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, het eindverslag over het verloop van het hulpverleningstraject in te dienen op de hierna vermelde manier.

De rechtbank zal de behandeling van de zaak (in eerste instantie) in afwachting van de resultaten van dit hulpverleningstraject pro forma aanhouden voor de duur van negen maanden.

Als het hulpverleningstraject is beëindigd, zal de hulpverleningsinstantie het eindverslag versturen naar het routeringspunt. Het routeringspunt zal zorgen voor verzending van dit eindverslag aan de rechtbank. De rechtbank zal, als het hulpverleningstraject is geslaagd, partijen en hun advocaten in de gelegenheid stellen om binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren op het eindverslag.

Als het hulpverleningstraject voortijdig is beëindigd of de doelen niet (geheel) zijn behaald, zal het routeringspunt het eindverslag ook sturen aan de raad. De raad zal aan de hand van het eindverslag van de hulpverleningsinstantie bezien of (alsnog) een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht. De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van het eindverslag de rechtbank te informeren of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht.

Een raadsonderzoek blijft achterwege als de rechter meent voldoende ingelicht te zijn om een eindbeschikking te geven. De rechtbank zal de raad hierover berichten binnen uiterlijk een week nadat de raad de rechtbank heeft geïnformeerd over de noodzakelijkheid van een raadsonderzoek. De rechtbank bericht de raad slechts als zij geen raadsonderzoek nodig acht.

Als de rechtbank met de raad een onderzoek noodzakelijk acht, geldt deze beschikking als een voorwaardelijke opdracht aan de raad om onderzoek te verrichten, als het hulpverleningstraject (deels) niet is geslaagd. De raad wordt verzocht dit onderzoek te verrichten en daarvan bij de rechtbank, uiterlijk binnen vier maanden, een raadsrapport in te dienen. In dat geval volgt dus een verdere aanhouding van de zaak.

Gelet op het vorenstaande wordt de raad voorwaardelijk verzocht om, als het eindverslag van de hulpverleningsinstantie daartoe aanleiding geeft, aan de rechtbank advies uit te brengen ter beantwoording van de volgende vragen:

welke omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen komt, gelet op het verloop van de begeleide omgang en de systeemtherapie, het meest tegemoet aan het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?

hoe moet deze regeling qua aard, duur en frequentie worden vormgegeven, en in welk tempo kan deze verder worden opgebouwd?

welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het traject naar voren zijn gekomen, zijn niet in de voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in het advies te vermelden?

Na ontvangst van het raadsrapport zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren en zich uit te laten of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen.

De rechtbank verwacht van beide ouders dat zij zich actief inzetten voor het slagen van deze hulpverlening. Van de vrouw verwacht de rechtbank dat zij de minderjarigen helpt het contact met de man aan te gaan en hen daarin ondersteunt. Het past niet bij haar verantwoordelijkheid als ouder om het initiatief bij de minderjarigen te leggen. Van de man verwacht de rechtbank dat hij de aanwijzingen van de hulpverlening volgt, het tempo van de minderjarigen respecteert en hen niet onder druk zet. Alleen als beide ouders zich hiervoor inzetten, kan de hulpverlening onderzoeken of en hoe de man en de minderjarigen hun contact kunnen herstellen.

Systeemtherapie

De vrouw heeft verklaard dat de systeemtherapie naar verwachting eind oktober 2026 start. Gelet op de te verwachten wachttijd kunnen beide trajecten naast elkaar lopen. De rechtbank geeft de ouders mee dat de hulpverlening binnen de systeemtherapie ook kan bespreken of en op welke wijze de man bij die behandeling kan worden betrokken, voor zover de hulpverlening dit passend acht.

Proceskosten

Omdat ten aanzien van de omgangsregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

3. De beslissing

De rechtbank:

stelt vast dat partijen, te weten:

[naam man] ,

wonende te [adres 1] ,

en

[naam vrouw] ,

wonende te [adres 2] ;

nadat partijen de rechtbank binnen één week na de datum van deze beschikking hun contactgegevens (telefoonnummer en e-mailadres) hebben verstrekt bij proces-verbaal van doorverwijzing worden verwezen naar het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding en dat het routeringspunt zorgt voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

bepaalt dat partijen met behulp van dit hulpverleningstraject zullen bewerkstelligen dat de omgang tussen de man en de minderjarigen wordt hersteld;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking naar het routeringspunt te zenden naar:

Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond

t.a.v. het routeringspunt

[adres 3]

e-mailadres: [e-mailadres] ;

bepaalt dat het routeringspunt vóór na te melden pro-formadatum het eindverslag van de hulpverleningsinstantie aan de rechtbank verzendt en daarvan gelijktijdig een kopie aan de raad voor de kinderbescherming verzendt, als het hulpverleningstraject niet of deels is geslaagd;

beveelt de griffier na ontvangst van het eindverslag een kopie daarvan aan beide partijen en hun advocaten te versturen;

verzoekt partijen, na ontvangst van het eindverslag van een geslaagd hulpverleningstraject, binnen een termijn van twee weken schriftelijk hierop te reageren;

verzoekt de raad voor de kinderbescherming bij een geheel of gedeeltelijk niet geslaagd hulpverleningstraject:

te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen;

de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren; en

als dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel; en

daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen,

met dien verstande dat de rechtbank kan beslissen, mits voldoende ingelicht, om zonder hiervoor genoemd raadsonderzoek een eindbeschikking te geven;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling aan tot 1 juli 2027 PRO FORMA.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van B. Bajra, griffier, op 12 oktober 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand