ECLI:NL:RBROT:2026:14759

ECLI:NL:RBROT:2026:14759

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 27-10-2026
Zaaknummer NL:TZ:2615687:R-RK - NL:TZ:2615688:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Verzoek moratorium voor zes maanden toegewezen. Voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen tijdig en volledig kunnen worden betaald.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: NL:TZ:2615687:R-RK - NL:TZ:2615688:R-RK

uitspraakdatum: 5 augustus 2026

[verzoeker] ,

wonende te [adres] ,

[postcode] [woonplaats] ,

verzoeker.

1. De procedure

Verzoeker heeft op 1 juli 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 2 juli 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 29 juli 2026.

Ter zitting van 29 juli 2026 zijn verschenen en gehoord:

Mevrouw mr. M. Spruit, werkzaam bij GGN Mastering Credit B.V. heeft namens Stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.

De advocaat van verzoeker heeft na de zitting, op 31 juli 2026, de rechtbank een betaalbewijs van de huurbetaling van augustus 2026 toegezonden.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

Verzoeker wilt een oplossing voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft zich hiervoor gewend tot de gemeente Rotterdam. Met de gemeente heeft hij zijn schuldenlast in kaart gebracht. Daarna is hij door de gemeente Rotterdam doorwezen naar Zuidweg en Partners. Hier heeft hij een intakegesprek gehad. Verzoeker werkt als freelancer in de logistiek. Zijn opdracht is onlangs met zes maanden verlengd. Zijn inkomsten zijn circa € 2.500,00 per maand. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van

€ 974,09 te voldoen. De huur over juli 2026 is voldaan op 29 juni 2026. De huur over augustus 2026 is voldaan op 31 juli 2026.

3. Het verweer

Verweerster stelt in haar verweerschrift dat de huurachterstand inmiddels is opgelopen tot

€ 10.196,48. De lopende huur wordt, op de maand juli 2026 na, niet voldaan. Naast dat de huurachterstand is opgelopen, heeft verweerster geen informatie ontvangen over welke garanties er kunnen worden geboden op betaling van de lopende huur. Daarnaast is verzoeker eerdere afgesproken betalingsregelingen en afspraken niet nagekomen. Verweerster heeft geen vertouwen dat de lopende huur betaald blijft worden.

4. De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 24 april 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 8 juli 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 18 maart 2026 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt inkomsten van circa

€ 2.500,00 per maand. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen tijdig en volledig te voldoen. De huur van juli 2026 is voldaan op 29 juni 2026 en de huur van augustus 2026 is voldaan op 31 juli 2026. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 18 maart 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres] te Rotterdam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf

2 juli 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van

I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B.J. Tideman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand