RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Rekestnummer: NL:TZ:2616178:R-RK - NL:TZ:2616219:R-RK
Uitspraakdatum: 21 oktober 2026
In de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [adres],
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker,
1. De procedure
Verzoeker heeft op 22 juli 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een drietal schuldeisers, te weten:
die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Bij brief van 9 oktober 2026 heeft [naam] (hierna: [naam]) medegedeeld dat het beheer van de verhuurwoningen door Garant-Vastgoed B.V. is overgenomen van Rots-Vast onder gelijktijdige vermelding dat Garant-Vastgoed B.V. slechts het correpsondentieadres betreft en [naam] in privé de schuldeiser is. De rechtbank leest het verzoekschrift daarom als zijnde gericht tegen [naam].
RentUrgent en [naam] hebben voorafgaande aan de zitting, bij brief van respectievelijk 7 augustus 2026 en 12 oktober 2026, aan de rechtbank te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
Ter zitting van 14 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:
De overige weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2. Het verzoek
Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift twaalf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 8.059,94 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 10 april 2026 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 10,13% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn Participatiewet-uitkering. Verzoeker is enige tijd dakloos geweest en heeft inmiddels een eigen woning onder een woon-zorg contract. Hij krijgt hulp bij praktische zaken en zelfredzaamheid. Daarnaast is hij een arbeidsontwikkeltraject gestart. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.
Elf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Huur Media stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 125,00 op verzoeker, welke 1,6% van de totale schuldenlast beloopt.
3. Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Huur Media geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Huur Media bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Huur Media in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Huur Media een gering aandeel vormt in de totale schuldenlast van 1,6%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk elf van de twaalf schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift is gebleken dat verzoeker een arbeidsontwikkeltraject is gestart. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker zeer recent is gestart met een baan bij een kringloopwinkel in Rotterdam. Gedurende de eerste zes maanden zal verzoeker werken met behoud van zijn uitkering. Vervolgens zal worden gekeken of verzoeker daar kan blijven werken. Dit is op een werkplaats in Rotterdam-Zuid. Daarnaast heeft verzoeker geen startkwalificatie. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker in de komende periode geen hogere afloscapaciteit zal verkrijgen. Des te meer nu in het akkoord rekening is gehouden met een afloscapaciteit van € 48,19 per maand, terwijl verzoeker onder de huidige omstandigheden geen afloscapaciteit heeft.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Huur Media, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om Huur Media te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Huur Media zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- beveelt Huur Media om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Huur Media in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van mr. W.C.A. den Dulk, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.