RECHTBANK Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: NL:TZ:2617253:R-RK – NL:TZ:2617254:R-RK
uitspraakdatum: 16 oktober 2026
[verzoeker] ,
Wonende te [adres],
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker
1. De procedure
Verzoeker heeft op 21 september 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 21 september 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 9 oktober 2026.
Ter zitting van 9 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:
De gemachtigde van verweerder heeft voorafgaand aan de zitting op 7 oktober 2026 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van drie maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen (‘moratorium’).
Verzoeker heeft reeds eerder, op 24 juni 2026, een verzoek ex artikel 287b Fw en ex artikel 284 Fw ingediend, waarop bij uitspraak van 24 juli 2026 door de rechtbank Rotterdam een beslissing is genomen. Daarbij is een moratorium voor de duur van zes maanden toegewezen. Verzoeker heeft de voorwaarden van dit eerste moratorium geschonden door de huurtermijn van september 2026 niet tijdig te voldoen.
Gedurende het eerste moratorium is er weinig vooruitgang geboekt in het schuldhulpverleningstraject. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat stabilisatie van februari tot en met mei 2026 niet mogelijk was en dat zij zich toen heeft gericht op de inventarisatie van de schuldeisers van verzoeker. Het minnelijk traject bevindt zich momenteel nog in de opstartfase. Schuldhulpverlening is nog bezig met de inventarisatie van de schulden van verzoeker en is daarvoor nog in afwachting van een reactie van één schuldeiser.
Verzoeker ontvangt sinds eind juni 2026 een Participatiewet-uitkering van € 1.401,50. De maandelijkse huurtermijn bedraagt € 1.221,73. Sinds 4 augustus 2026 staat verzoeker onder beschermingsbewind. De beschermingsbewindvoerder heeft met terugwerkende kracht huurtoeslag en woonkostentoeslag aangevraagd. De ontvangen huurtoeslag is doorgestort naar verweerder, waardoor de vordering van verweerder is afgenomen. Schuldhulpverlening heeft de gemeente verzocht de huur in te houden op de Participatiewet-uitkering van verzoeker en deze rechtstreeks te voldoen aan verweerder. De Participatiewet-uitkering over de maand september is echter volledig overgemaakt naar verzoeker. Omdat de rekening van verzoeker toen was geblokkeerd in verband met het opstarten van beschermingsbewind, is zijn Participatiewet-uitkering teruggestort naar de gemeente. De huurtermijnen over de maanden juli en augustus 2026 zijn door een gift van het Fonds Bijzondere Noden voldaan. De uitkering van verzoeker is uiteindelijk pas medio september 2026 ontvangen op de beheerrekening van verzoeker bij zijn beschermingsbewindvoerder, waardoor de huurtermijn van september 2026 niet tijdig is voldaan (maar op 14 september 2026). De huur van oktober 2026 is wel tijdig, op 24 september 2026, voldaan.
Ter zitting heeft verzoeker verklaard in de woning te willen blijven wonen en niet te willen verhuizen. Naar zijn mening is de huur ook te hoog. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting aangegeven dat de huur, ook voor de toekomst, gelet op het inkomen van verzoeker heel hoog is en in gesprek te zullen gaan met verzoeker om urgentie aan te vragen voor een goedkopere woning. Ter zitting heeft verzoeker verklaard zijn inkomen te willen verhogen door weer aan het werk te gaan. Verzoeker heeft gezondheidsklachten, maar wil aan het werk om een hoger inkomen te genereren, zodat hij de huur kan betalen. Daarvoor heeft verzoeker op 29 oktober 2026 een gesprek met de werkcoach van de gemeente. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat het budget beperkt is, maar dat de lopende huurtermijnen kunnen worden voldaan.
3. Het verweer
In zijn verweerschrift en ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder het volgende aangevoerd. De huurachterstand beloopt thans € 5.022,67. Verweerder heeft er geen vertrouwen meer in dat verzoeker zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst nakomt. Begin januari 2025 heeft verweerder een melding vroegsignalering gedaan bij de gemeente. Inmiddels zijn we bijna twee jaar verder. Het opstarten van de schuldhulpverlening duurt erg lang. Verzoeker heeft al vaker aangegeven dat hij aan de slag zou gaan met schuldhulpverlening, maar dat heeft niet heeft geleid tot een structurele en duurzame oplossing. Verweerder voert daarnaast aan dat de schuldhulpverlening nog steeds niet volledig is opgestart, omdat de schuldenlast van verzoeker nog niet volledig inzichtelijk is.
Verweerder betwijfelt of een nieuwe termijn van het moratorium tot een duurzaame oplossing zal leiden, omdat verhuurder te weinig inkomen heeft om de lopende huurtermijnen te kunnen betalen. Een Participatiewet-uitkering is naar de mening van verweerder in elk geval niet voldoende om de huur samen met andere lopende verplichtingen te kunnen voldoen. Daarnaast heeft verweerder inmiddels, naast de huurinkomsten die hij is misgelopen, enorme schade door de juridische kosten die hij heeft moeten maken met de diverse procedures, die niet worden vergoed.
4. De beoordeling
Verval van het eerste moratorium
Vast is komen te staan dat verzoeker al eerder, op 24 juni 2026, naast een verzoekschrift ex artikel 284 Fw, een verzoekschrift ex artikel 287b eerste lid Fw heeft ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad (‘moratorium’).
Bij vonnis van 24 juli 2026 heeft de rechtbank Rotterdam beslist dat de tenuitvoerlegging van het op 15 mei 2026 op verzoek van verweerder uitgesproken vonnis tot ontruiming van de woning aan de [adres], te [postcode] [plaatsnaam], voor de duur van zes maanden wordt opgeschort. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is in datzelfde vonnis niet-ontvankelijk verklaard.
Ter waarborging van de belangen van verweerder is in het dictum van die uitspraak aan het moratorium de voorwaarde verbonden dat de lopende huurtermijnen tijdig betaald dienden te worden. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker deze voorwaarde heeft geschonden. Ter zitting is gebleken dat verzoeker de huurtermijn over de maand september 2026 niet tijdig heeft voldaan. Als gevolg van deze tekortkoming is de bij vonnis van 24 juli 2026 afgegeven voorziening te komen vervallen.
Afwijzing van het tweede moratorium
Het tweede moratoriumverzoek ziet op de ontruiming van dezelfde huurwoning en heeft wederom betrekking op hetzelfde ontruimingsvonnis van 15 mei 2026. Nu verzoeker opnieuw een moratoriumverzoek heeft ingediend, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of een tweede moratoriumverzoek ex artikel 287b Fw ontvankelijk kan worden verklaard nadat een eerder moratorium tussentijds is komen te vervallen.
De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend, nu artikel 287b Fw zich niet verzet tegen een herhaalde aanvraag. In het vijfde lid van artikel 287b Fw is uitsluitend de eis opgenomen dat een moratorium voor de duur van maximaal zes maanden wordt uitgesproken. Dat brengt met zich dat bij een tweede moratorium in ieder geval de looptijd van het eerdere moratorium dient te worden betrokken.
Naar het oordeel van de rechtbank dienen aan het tweede moratoriumverzoek bovendien hogere eisen te worden gesteld, in dit geval in het bijzonder ten aanzien van de vraag of nakoming van de lopende huurtermijnen voldoende is gewaarborgd.
De rechtbank zal tegen deze achtergrond het voorliggende verzoek beoordelen.
Nu het verzoek ontvankelijk is, dient allereerst te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw.
Nu het eerste moratorium is vervallen, wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2026 tot ontruiming van de woning niet langer opgeschort.
In het verlengde hiervan is door verweerder op 10 september 2026 opnieuw de ontruiming aangezegd, waarbij is aangekondigd dat verweerder op 23 september 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve sprake van een bedreigende situatie.
In artikel 287b Fw zijn geen criteria genoemd op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerder, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerder bestaat erin dat hij het vonnis van 15 mei 2026 (alsnog) ten uitvoer kan leggen.
In de periode van het eerder toegewezen moratorium is het schuldhulpverleningstraject verder opgestart, maar dit verkeert nog in de inventarisatiefase. De huurtermijn van september 2026 is niet tijdig voldaan. De huurtermijnen over de maanden juli en augustus 2026 zijn door een gift van het Fonds Bijzondere Noden voldaan. Hoewel de huurtermijn over de maand oktober 2026 tijdig is voldaan, is het inkomen van verzoeker naar het oordeel van de rechtbank te laag om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen zonder nieuwe schulden te laten ontstaan in de overige vaste lasten. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij niet wil verhuizen, ondanks dat hij volgens het door schuldhulpverlening opgestelde budgetplan wekelijks slechts € 38,47 aan leefgeld heeft. Verzoeker heeft aangegeven dat hij zijn inkomen wil verhogen door te gaan werken, maar onduidelijk is in hoeverre dat mogelijk is gelet op de gezondheidsklachten van verzoeker. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat op korte termijn verzoeker een hoger inkomen zal generen en/of dat zijn vaste lasten, waaronder de huur, aanzienlijk zullen afnemen.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van verzoeker het schuldhulpverleningstraject is gestart, maar dat het minnelijk traject zich nog (steeds) in de beginfase bevindt. Het is niet aannemelijk dat dit traject op korte termijn, binnen de verzochte voorziening, zal zijn afgerond.
In deze situatie is de rechtbank van oordeel dat het belang van verzoeker om in de woning te kunnen blijven wonen en het minnelijk schuldhulpverleningstraject af te ronden niet langer opweegt tegen het belang van verweerder bij de ontruiming van die woning. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het opnieuw treffen van een voorlopige voorziening.
Nu er geen compleet verzoek ex artikel 284 Fw klaarligt, zal de rechtbank het voorliggende verzoek ook niet kunnen aanmerken als een verzoek ex artikel 287 lid 4 Fw.
Gezien het bovenstaande wijst de rechtbank het verzoek af.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van S.H. Penning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.