ECLI:NL:RBROT:2026:14782

ECLI:NL:RBROT:2026:14782

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 18-06-2026
Datum publicatie 27-10-2026
Zaaknummer 25/025780
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Klaagschrift 552a Sv gericht tegen vordering van OM ex artikel 126nd Wetboek van Strafrecht. OM is bevoegd, nu EOM geen onderzoek heeft ingesteld naar de strafbare feiten en ook niet het evocatierecht heeft uitgeoefend. Geen aanleiding voor nader onderzoek door de rechter-commissaris naar stukken waarop mogelijk verschoningsrecht van toepassing is. Reden voor vervolging voldoende onderbouwd. Geen sprake van strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Strafrecht team 2

Zittingsplaats Rotterdam

Parketnummer : 83/207979-25

Raadkamernummer : 25/025780

Beslissing van de meervoudige economische raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klaagster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

voor deze zaak domicilie kiezende te [adres] ten kantore van haar raadsman mr. B.J.G.L. Jaeger.

Procedure

Op 8 oktober 2025 is op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een klaagschrift ingediend.

Het klaagschrift is op 21 mei 2026 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. T. Lucas en de gemachtigde raadsman mr. B.J.G.L. Jaeger zijn gehoord. De klaagster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Feiten

Op 14 januari 2025 is een strafrechtelijk onderzoek genaamd “ [naam] ” gestart naar aanleiding van bevindingen van de belastingdienst. De belastingdienst heeft meerdere onderzoeken uitgevoerd in de handelsketen van de klaagster. In dit onderzoek is de verdenking gerezen dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk onjuist en/of onvolledig dan wel niet doen van aangiften omzetbelasting in de periode juli 2022 tot en met augustus 2023 waardoor er te weinig belasting is geheven.

Op 23 juli 2025 is aan de belastingadviseur van de klaagster - te weten [belastingsadviseur] N.V. te [plaats] (hierna: [belastingsadviseur] ) – een vordering historische gegevens uitgereikt ex artikel 126nd Wetboek van Strafrecht (Sr). Op 28 juli 2025 is door [belastingsadviseur] een usb-stick verstrekt met daarop drie mappen. Twee van deze mappen waren met wachtwoord versleuteld. De gegevens van de map die niet beveiligd was, zijn op 5 augustus 2025 ter beschikking gekomen van het onderzoeksteam. Op 27 augustus 2025 heeft [belastingsadviseur] een nieuwe usb-stick ter beschikking gesteld waarvan de gegevens op 3 september 2025 ter beschikking zijn gekomen van het onderzoeksteam.

Standpunt klaagster

Het klaagschrift strekt primair tot het geven van last tot vernietiging van alle gegevens, omdat de vordering ex artikel 126nd Sv onbevoegd is gegeven. De officier van justitie van het functioneel parket was onbevoegd om een strafrechtelijk onderzoek op te starten en had geen bevoegdheid om een vordering ex artikel 126nd Sv af te geven. Het betreft namelijk een zaak die onder jurisdictie van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) valt. De fraude betreft volgens de FIOD meer dan 100.000.000 euro aan btw en om grensoverschrijdende transacties; een dergelijke verdenking betreft de financiële belangen van de Europese Unie en had door het EOM moeten worden opgepakt of in ieder geval aan het EOM moeten worden voorgelegd. Uit het aanvangsproces-verbaal blijkt op geen enkele wijze dat het EOM is geïnformeerd.

Subsidiair dient de last tot vernietiging te worden geven voor de van [belastingsadviseur] gevorderde communicatie tussen haar en wettelijke verschoningsgerechtigden, alsmede tussen haar en haar cliënte, in casu de klaagster.

Meer subsidiair dient de beslissing op het klaagschrift te worden aangehouden totdat rechter-commissaris de aan de FIOD uitgeleverde communicatie tussen Atlas en haar cliënte heeft beoordeeld teneinde vast te stellen welke communicatie hiervan vernietigd dient te worden.

De vertrouwelijkheid van de gegevens die correspondentie tussen een belastingadviseur en zijn cliënte (in casu klaagster) betreffen staat aan de vordering van het Openbaar Ministerie (OM) in de weg. Er is een redelijk vermoeden dat de vordering geprivilegieerde gegevens betreft en dan dient de rechter-commissaris te worden betrokken om een verdere beoordeling te maken. Voor belastingadvies geldt een verschoningsrecht. Het OM zou als bestuursorgaan zich moeten houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In lijn met de conclusie van A-G Koopman van 20 december 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:1402) dient verschoningsrecht te worden toegekend aan (communicatie met) belastingadviseurs in hun adviserende taak. Bovendien bevindt zich tussen die communicatie ook veel overleg met advocaten. Het is onduidelijk of die gevorderde communicatie daadwerkelijk en volledig is afgezonderd en ontoegankelijk is voor het OM. Het vermoeden dat dit soort verschoningsgerechtigde informatie zich tussen die bescheiden bevindt, is reden voor het verzoek tot filtering.

Standpunt officier van justitie

Het Nederlandse Openbaar Ministerie (OM) is bevoegd en blijft bevoegd tot het EOM besluit een onderzoek naar een strafbare gedraging te starten danwel het evocatierecht uitoefent. Het EOM heeft voor 24 juli 2025 geen onderzoek ingesteld naar de feiten waarnaar het OM onderzoek doet, en evenmin heeft het voor 24 juli 2025 het evocatierecht uitgeoefend. Het OM is dan ook bevoegd ten aanzien van de strafbare feiten die onderwerp zijn van het onderzoek.

In het arrest van de Hoge Raad van 6 mei 1986 (ECLI:NL:HR:1986:AB9405) is duidelijk geoordeeld dat aan de belastingadviseur geen verschoningsrecht toekomt. Het informele verschoningsrecht op basis van het fair play-beginsel geldt dus in het strafrecht niet. De gegevens zijn gevorderd voor de waarheidsvinding met betrekking tot een ernstige verdenking van zeer ernstige belastingfraude waarbij meer dan € 200.000.000 omzetbelasting ten onrechte niet is aangegeven en afgedragen. Voor de suggestie van klaagster dat er sprake zou kunnen zijn van détournement de pouvoir is er geen begin van aannemelijkheid. Er is namelijk met de advocaat van [belastingsadviseur] gecorrespondeerd over het informeel verschoningsrecht en [belastingsadviseur] heeft bij monde van haar advocaat [advocaat] besloten om het beroep op dat informeel verschoningsrecht niet gestand te doen en aan de FIOD een gegevensdrager te verstrekken met de gegevens die eerder vanwege het informele verschoningsrecht met een wachtwoord ontoegankelijk waren gemaakt.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van klaagster in het beklag.

Beoordeling raadkamer

Bevoegdheid OM

De rechtbank stelt voorop dat het EOM op grond van Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 (hierna: de Verordening), ook in Nederland, bevoegd is tot het instellen van onderzoeken naar, het vervolgen van en het voor de rechter brengen van verdachten en medeplichtigen van strafbare feiten die de financiële belangen van de Europese Unie schaden, zoals bedoeld in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europese Parlement en de Raad van 5 juli 2017. De Verordening bevat tevens de procedureregels op basis waarvan zaken door het EOM in behandeling kunnen worden genomen.

Het EOM oefent zijn bevoegdheid ingevolge artikel 25 van de Verordening uit door overeenkomstig artikel 26 een onderzoek in te stellen dan wel door overeenkomstig artikel 27 gebruik te maken van het zogenoemde evocatierecht. Pas wanneer het EOM daadwerkelijk één van deze bevoegdheden heeft uitgeoefend, is sprake van een zaak die onder verantwoordelijkheid van het EOM wordt behandeld.

Uit het dossier blijkt niet dat het EOM in de onderhavige zaak een onderzoek heeft ingesteld naar de feiten waarnaar het OM onderzoek doet of gebruik heeft gemaakt van zijn evocatierecht hetgeen door de officier van justitie ter zitting ook is bevestigd. Onder deze omstandigheden blijft het Openbaar Ministerie (OM) bevoegd zelfstandig opsporingshandelingen te verrichten in deze strafzaak. Dat betekent dat het OM tevens bevoegd was om op grond van artikel 126nd Sv gegevens op te vragen bij [belastingsadviseur] . Dat de strafzaak mogelijk niet aan het EOM is gemeld, maakt dit niet anders, nu de afstemming van uitoefening van de bevoegdheden tussen het OM en EOM een interne procedure is die geen invloed heeft op de procespositie van de klaagster. Daarbij komt dat niet is gebleken dat klaagster in haar belangen is geschaad doordat het EOM geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden in deze zaak. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond voor de stelling van klaagster dat het OM niet bevoegd zou zijn om in onderhavige zaak strafrechtelijke vervolging in te stellen en in dat kader onderzoekshandelingen te verrichten.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

Er is door de officier van justitie ten behoeve van deze raadkamerprocedure enkel een proces-verbaal van verdenking overgelegd alsmede twee processen-verbaal met betrekking tot de verstrekking van de gevorderde gegevens ex artikel 126nd Sv. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de klaagster verdacht wordt van overtreding van artikel 69, eerste lid van de Algemene Wet inzake Rijsbelastingen juncto artikel 51 Sr. Ter zitting heeft de officier van justitie mondeling toegelicht dat het onderzoeksbelang zich verzet tegen het verstrekken van nadere processtukken, nu het opsporingsonderzoek zich nog in een heel vroeg stadium bevindt en er ook nog geen doorzoekingen hebben plaatsgevonden. Gehoord deze uitleg, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het bovengenoemde summiere toetsingskader, de overgelegde processen-verbaal in voldoende mate inzicht bieden in de feiten en omstandigheden die voor de beoordeling van het voorliggende klaagschrift van belang zijn, zodat de raadkamer geen grond ziet om het OM te bevelen nadere stukken over te leggen. Op grond van bovengenoemde stukken is niet gebleken dat de vordering van de officier van justitie als onrechtmatig moet worden beschouwd en dat de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit niet in acht zijn genomen.

Verschoningsrecht

Uit de door het OM overgelegde stukken en klaagschrift blijkt dat [belastingsadviseur] in overleg met haar advocaat een filtering heeft gemaakt in de gegevens die zij naar aanleiding van de vordering ex artikel 126nd SV aan het OM hebben verstrekt. De vordering was op 23 juli 2025 uitgereikt en vijf dagen later, op 28 juli 2025 zijn de geselecteerde gegevens verstrekt. Volgens de klaagster is deze handmatige filtering van 86.000 bestanden op informatie die onder het verschoningsrecht vallen onder tijdsdruk gevoerd door [belastingsadviseur] en is deze voornamelijk op basis van herinneringen gedaan. Hoewel het gaat om grote hoeveelheid bestanden zijn er naar het oordeel van de rechtbank thans geen concrete aanwijzingen dat sprake is van een redelijk vermoeden dat zich tussen de verstrekte ontsleutelde gegegevens verschoningsgerechtigde informatie bevindt. De enkele mogelijkheid daartoe omdat het gaat om een aanzienlijk aantal bestanden is daartoe onvoldoende. Daarenboven geldt dat mocht de FIOD onverhoopt toch op verschoningsgerechtigde gegevens stuiten die door [belastingsadviseur] over het hoofd zijn gezien, het OM de plicht heeft dit te melden bij de rechter-commissaris. In het licht van het voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om de beslissing op het klaagschrift aan te houden teneinde de zaak te verwijzen naar de rechter-commissaris voor het laten onderzoeken of zich tussen de uitgeleverde gegevens stukken bevonden die zich (mogelijk) onder het verschoningsrecht bevonden.

Ten aanzien van het standpunt dat het fair play beginsel van toepassing is op de gevorderde gegevens overweegt de rechtbank als volgt. Het fair play-beginsel is een algemeen rechtsbeginsel dat binnen het bestuursrecht en fiscale recht van toepassing is. Dit beginsel houdt in dat een bestuursorgaan eerlijk, zorgvuldig en onbevooroordeeld moet handelen tegenover burgers. Wat verder van het fair-play beginsel ook zij, naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie voldoende onderbouwd dat er in deze zaak reden is voor vervolging van klaagster en dat er geen sprake is van strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Daarbij wijst de rechtbank op de vaste (ongewijzigde) rechtspraak van de Hoge Raad waarin is geoordeeld dat de belastingadviseur in de strafrechtlijke procedure geen verschoningsrecht toekomt.

Gelet op het voorgaande zal beklag ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. L. Stevens en E. Stam, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.

De jongste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J. Bade

Griffier

  • mr. N. Jallal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand