Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/040609-23
Datum uitspraak: 1 september 2026
Datum zitting: 18 augustus 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1995 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres:
[adres 1] .
Advocaat van de verdachte: mr. Y. Finani
Officier van justitie: mr. M. Vollebregt
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. I. Baggerman-Scherpenisse
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor de primair ten laste gelegde zware mishandeling. Het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen. Aan de verdachte wordt een taakstraf voor de duur van 240 uren met aftrek van voorarrest opgelegd. Gelet op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is afgeweken van de LOVS-oriëntatiepunten en wordt er geen gevangenisstraf opgelegd. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich – samengevat – op 10 oktober 2022 schuldig heeft gemaakt aan primair zware mishandeling, subsidiair een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1.
primair
hij, op of omstreeks 10 oktober 2022 te Rotterdam,
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel en/of bloeduitstortingen tussen de
schedel en de hersenen en/of schedelbreuk en/of (schaaf)verwondingen aan het
rechter oor, heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal:
- tegen de rechterzijde van het hoofd/gezicht, althans tegen het lichaam, te
slaan/stompen en/of
- tegen het lichaam te duwen en/of
- tegen de benen, althans tegen het lichaam, te trappen/schoppen;
subsidiair
hij, op of omstreeks 10 oktober 2022 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- tegen de rechterzijde van het hoofd/gezicht, althans tegen het lichaam, te heeft
geslagen/gestompt en/of
- tegen het lichaam heeft geduwd en/of
- tegen de benen, althans tegen het lichaam, heeft getrapt/geschopt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 10 oktober 2022 te Rotterdam
[slachtoffer] heeft mishandeld door:
- tegen de rechterzijde van het hoofd/gezicht, althans tegen het lichaam, te
slaan/stompen en/of
- tegen het lichaam te duwen en/of
- tegen de benen, althans tegen het lichaam, te trappen/schoppen,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel en/of
bloeduitstortingen tussen de schedel en de hersenen en/of
schedelbreuk en/of (schaaf)verwondingen aan het rechter oor en/of een
litteken op het hoofd ten gevolge had.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde en wordt veroordeeld voor het meer subsidiair ten laste gelegde.
Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft zij bepleit dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit (zware mishandeling) is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Eigen waarneming van de rechtbank; camerabeeldenOp de camerabeelden is te zien dat het [slachtoffer] vanaf de bankjes aan het water naar de verdachte toe komt lopen. De verdachte staat in een vechthouding. Het slachtoffer blijft in de richting van de verdachte lopen en daarna wordt hij plots onderuit geveegd met het linkerbeen van de verdachte. Het slachtoffer belandt vervolgens met zijn hoofd op de grond en blijft liggen.
2. Verklaring van de verdachte
Ik heb het slachtoffer met mijn linkerbeen een trap tegen zijn been gegeven. Na die trap viel hij.
3. DeskundigenverslagFARRMedische Informatie / Forensisch Medische Letselrapportage zonder benoeming als gerechtelijk deskundigebetreffende:
[slachtoffer]
[adres 2]
Geboortedatum [geboortedatum 2] -1978
15-12-2022
Informatie ontvangen van de Spoedeisende Hulp arts van het Erasmus MC over de behandeling aldaar op 11-10-2022.
Er was sprake van:
1. Een verwonding ter plaatse van het rechter oor van 1 x 0,5 cm, door de arts beschreven als een 'schaafverwonding'
2. Bij aanvullend CT-onderzoek van de schedel werd een breuk geconstateerd in het rechter slaapbeen.
3. Daarbij was ter plaatse van de rechterzijde van het brein sprake van een bloeduitstorting tussen het schedelbot en het harde hersenvlies.
4. Tevens was er sprake van een bloeduitstorting tussen het hersenweefsel en het spinnenwebvlies aan de linker- en rechterzijde van de hersenen.
Betrokkene werd opgenomen in het ziekenhuis en verdere behandeling werd overgedragen aan de neuroloog.
Geschatte genezingsduur: ten minste 6 weken.
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangever]Ik doe aangifte van een zware mishandeling.
Plaats delict: [adres 2]
Op 10 oktober 2022 zag ik dat de dader op mij kwam aflopen. Ik viel op de grond. Ik voelde dat ik met de rechterzijde van mijn hoofd tegen de stoep aan klapte.
Ik voelde pijn. Ik hoorde dat ik met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht ben en dat ik waarschijnlijk door de val een zwelling in mijn hersens had die verholpen moest worden. Ik heb in totaal vier dagen in het ziekenhuis gelegen. Ik heb nu een grote hechting van de operatie aan de rechterzijde van mijn hoofd.
Bewijsmotivering
Niet ter discussie staat dat de verdachte degene is die letsel heeft toegebracht aan het [slachtoffer] door hem te trappen/schoppen.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd als zware mishandeling (primair), een poging tot zware mishandeling (subsidiair) of mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg (meer subsidiair).
Zwaar lichamelijk letsel
De eerste vraag die in dat kader relevant is, is of het letsel van het slachtoffer gekwalificeerd moet worden als ‘zwaar lichamelijk letsel’. Bij de beantwoording van die vraag is van belang: de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel. Het letsel betrof een schaafverwonding aan het rechter oor, een breuk in het rechter slaapbeen, een bloeduitstorting tussen het schedelbot en het harde hersenvlies en een bloeduitstorting tussen het hersenweefsel en het spinnenwebvlies aan de linker- en rechterzijde van de hersenen. Uit de letselverklaring blijkt ook dat de geschatte genezingsduur ten minste zes weken betrof. Verder blijkt uit het dossier dat het slachtoffer is geopereerd en dat hij als gevolg daarvan een groot blijvend litteken op zijn hoofd heeft.
Anders dan de verdediging is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel.
Voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel
Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de verdachte de bedoeling had om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van vol opzet is dan ook geen sprake.
Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Of de gedragingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op een dergelijk gevolg in het leven roepen, is afhankelijk van de aard van die gedragingen en de omstandigheden waaronder die gedragingen zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Anders dan de officier van justitie en de raadsman hebben gesteld, kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte in één beweging eerst het linkerbeen en vervolgens het rechterbeen van het slachtoffer wegschopt, waarna het slachtoffer in één beweging languit op zijn achterhoofd en rug op de straat terechtkomt. De verdachte heeft het slachtoffer niet slechts alleen tégen het been getrapt, maar op een grove wijze zijn beide benen weggeschopt waardoor het niet anders kon dan dat hij ten val kwam. Een dergelijke geweldshandeling roept naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt. Door zo’n val komt het slachtoffer immer met een klap met zijn hoofd op de straat terecht. Het hoofd is een kwetsbaar onderdeel van het lichaam. De aard van het letsel en de omstandigheid dat het slachtoffer na de val op de grond is blijven liggen, acht de rechtbank redengevend voor het oordeel dat de verdachte het slachtoffer met grote kracht onderuit heeft gehaald. Het handelen van de verdachte kan naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
Gelet op het voorgaande is de primair ten laste gelegde zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. De verdachte dient partieel te worden vrijgesproken van de onder de eerste twee gedachtestreepjes opgenomen geweldshandelingen (het slaan tegen het hoofd/gezicht en het tegen het lichaam duwen), nu ten aanzien van deze handelingen niet kan worden vastgesteld dat deze gericht zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1 primair
hij op 10 oktober 2022 te Rotterdam,
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten bloeduitstortingen tussen de
schedel en de hersenen, een schedelbreuk en schaafverwondingen aan het
rechter oor, heeft toegebracht door
- tegen de benen te trappen/schoppen.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit 1 primair
zware mishandeling.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Beroep op rechtvaardigingsgrond/schulduitsluitingsgrond
De verdediging heeft primair een beroep gedaan op noodweer en heeft bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdachte voelde zich bedreigd door de groep waarvan aangever deel uitmaakte. De [aangever] liep van achteren op de verdachte af, bedreigde de verdachte en maakte slaande bewegingen naar hem. De verdachte schrok daarvan en sloeg terug. Vervolgens bleef de [aangever] achter hem aanlopen, waarna de verdachte hem tegen zijn benen trapte. De verdachte heeft daarmee binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit gehandeld. Subsidiair wordt een beroep gedaan op noodweerexces, omdat de verdachte – doordat hij door zoveel personen tegelijk omsingeld werd en zich ernstig bedreigd voelde – als gevolg van een hevige gemoedsbeweging handelde zoals hij handelde.
Standpunt van de officier van justitie
Het beroep op noodweer moet worden verworpen. Niet voldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van een (dreigende) aanranding doordat het slachtoffer op de verdachte afliep. Het is juist de verdachte geweest die als eerste geweld heeft gebruikt. Nu er geen sprake is geweest van een noodweersituatie, slaagt ook het beroep op noodweerexces niet.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht aannemelijk moet zijn geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.
Op de camerabeelden is te zien dat de groep mensen waar het slachtoffer onderdeel van uitmaakte, nabij de auto van de verdachte stond. Het slachtoffer bevond zich niet tussen de ‘groep’, maar stond op geruime afstand. Na een handgemeen met iemand uit de groep liep de verdachte weg van de groep. Het slachtoffer liep vervolgens vanaf het bankje waar hij stond, naar de verdachte toe. Vervolgens staan de verdachte en het slachtoffer dicht bij elkaar. Te zien is dat de verdachte het slachtoffer aanvalt. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij het slachtoffer op dat moment met zijn vuist in het gezicht heeft geslagen. Uit de camerabeelden en ook anderszins uit het dossier valt niet op te maken dat het slachtoffer een vuistslag aan de verdachte heeft gegeven. Op de camerabeelden is te zien dat het slachtoffer na de vuistslag van de verdachte, wankelend op de verdachte blijft aflopen. Op dat moment heeft het slachtoffer zijn armen langs zijn lichaam. De verdachte neemt dan een vechthouding aan en veegt het slachtoffer onderuit, waarna het slachtoffer met zijn hoofd op de grond valt. De verklaring van de verdachte dat hij werd bedreigd door het slachtoffer en zich moest verdedigen is niet aannemelijk geworden. De verdachte had weg kunnen lopen, maar in plaats daarvan heeft hij ervoor gekozen het slachtoffer aan te vallen.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie, kan ook een beroep op noodweerexces om die reden niet slagen. De verweren worden daarom verworpen. Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het meer subsidiair ten laste gelegde worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten. Verzocht wordt om bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat het een verouderd feit betreft, dat de verdachte een blanco justitiële documentatie heeft als het gaat om geweldsfeiten, dat hij sinds de aanhouding in 2022 geen strafbare feiten meer heeft gepleegd en dat hij een harde werker is, niet meer blowt en vader is geworden. De door de officier van justitie geëiste straf is in beginsel redelijk, maar verzocht wordt om de duur van de taakstraf te matigen omdat het uitvoeren van een taakstraf voor de verdachte meer bezwarend is dan voor anderen door de woon- en werksituatie van de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toegebracht, waaronder een schedelbreuk en bloeduitstortingen tussen de schedel en de hersenen. Het slachtoffer is geopereerd en heeft daaraan een blijvend litteken op de zijkant van zijn hoofd overgehouden. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en gevoelens van angst en onveiligheid bij hem teweeggebracht. Dat de mishandeling een grote impact op het slachtoffer heeft (gehad), blijkt uit de toelichting bij de vordering van de benadeelde partij.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 9 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de LOVS-oriëntatiepunten is een gevangenisstraf van drie maanden het uitgangspunt.
Vanwege het tijdsverloop, het feit dat de verdachte na het plegen van dit strafbare feit niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen, hij zijn studie heeft afgerond, een baan heeft en zorg draagt voor zijn gezin, acht de rechtbank een andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf aangewezen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er sprake lijkt te zijn geweest van een eenmalig incident. Aan de verdachte wordt daarom een taakstraf van maximale duur, te weten 240 uur (met aftrek van voorarrest), opgelegd.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij € 3.156,19 als vergoeding voor materiële schade en € 7.500,00 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van
€ 7.656,19, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in het gedeelte van de vordering dat ziet op het verlies aan arbeidsvermogen, nu dit onvoldoende is onderbouwd.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet ten aanzien van het verlies aan arbeidsvermogen niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, nu dit onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de overige materiële schade wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor wat betreft de immateriële schade wordt aan de rechtbank verzocht te schatten welk bedrag passend is en daarbij rekening te houden met het feit dat niet is onderbouwd dat het slachtoffer op dit moment nog steeds last heeft van de gevolgen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de reiskosten en de kosten van de ziekenhuisopname niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit gedeelte van de vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 156,19 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Het gedeelte van de vordering dat ziet op verlies aan arbeidsvermogen is door de verdediging betwist. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en om bewijslevering. Op dit moment kan de rechtbank niet vaststellen dat er zou zijn gewerkt, waar er zou zijn gewerkt en wat de verdachte daarmee zou hebben verdiend. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het gepleegde strafbare feit ook immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 7.500,-. De rechtbank verwijst voor het litteken naar categorie 10 onder c van de Rotterdamse schaal en voor het hersenletsel naar categorie 2.1 onder e van de Rotterdamse schaal. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 10 oktober 2022.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het primaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 238 uur taakstraf moet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 119 dagen;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte, aan de [benadeelde partij] , te betalen een bedrag van € 7.656,19, bestaande uit € 156,19 als vergoeding van materiële schade en € 7.500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 10 oktober 2022 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat
€ 7.656,19 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2022 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 63 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.P. Hameete, voorzitter,
en mrs. M.I. Blagrove en M.S. Polet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Beenakker, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 1 september 2026.
Mr. A.P. Hameete is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.