Standpunt van de verdediging
De raadsman voert over de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling het volgende aan per e-mail van 9 oktober 2026, gehecht aan dit proces-verbaal.
De officier van justitie heeft op de mail van de raadsman gereageerd, gehecht aan dit procesverbaal.
De raadsman merkt op dat de officier van justitie spreekt over camerabeelden waarop te zien zou zijn dat kort na de schietpartij de verdachte in een kleine auto de vermoedelijke schutter naar de Cupra zou hebben gebracht. De raadsman vraagt zich af hoe dit zit. De verdachte is pas twee uur later op de A13 aan de kant gezet, rond 20:00u. Via ANPR-gegevens is de verdachte aan de kant gezet. Het schieten heeft voor 18:00u plaatsgevonden. Dit is een tijdspanne van twee uur. De camerabeelden waarop de officier van justitie zich beroept bevinden zich niet in het dossier. Als de verdachte rond 20:00u in de Cupra wordt aangetroffen, dan zit daar een enorme tijd tussen. De raadsman begrijpt dat de politie wil weten wie er in de auto rijdt. De verdachte weet niks van de schietpartij. Hem was alleen maar gevraagd om de auto naar Amsterdam te brengen. De verdachte was op geen enkele manier betrokken bij de schietpartij, zowel vooraf als achteraf niet. Er is geen enkel objectief aanknopingspunt dat erop wijst dat het verhaal van de verdachte onjuist is. Er kan geen sprake zijn van opzet achteraf. Dan zou hij van het schieten iets moeten hebben geweten, hetgeen niet het geval is. De verdachte zit vast omdat men denkt dat hij de politie naar de schutter kan leiden. De inverzekeringstelling wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze bedoeld is.
De raadsman verzoekt de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.
Beslissing rechter-commissaris
De rechter-commissaris deelt de volgende beslissingen mee:
De rechter-commissaris heeft kennisgenomen van een e-mail van mr. Sönmez van heden en de reactie daarop van de officier van justitie, eveneens van heden. Vervolgens is de verdachte gehoord in het kader van de toetsing, waarbij mr. Sönmez zijn standpunt nader heeft toegelicht.
De rechter-commissaris is van oordeel dat de inverzekeringstelling onrechtmatig is. Vooralsnog staat voldoende vast dat omstreeks 17.40 uur een schietpartij heeft plaatsgevonden en dat de schutter als bijrijder is weggereden in een door een ander bestuurde personenauto Cupra. Verder staat vast dat de verdachte omstreeks 19.40 uur als bestuurder van deze Cupra is aangetroffen, zonder passagier. Verdachte heeft ontkend iets met de schietpartij te maken te hebben gehad en dat hem via via was verzocht om de Cupra naar Amsterdam te rijden.
De officier heeft in reactie op de mail van mr. Sönmez aan de rechter-commissaris gemaild dat op camerabeelden is te zien dat kort na het schietincident de verdachte de vermoedelijke schutter heeft opgehaald met een kleine auto (niet zijnde de Cupra), hiermee gereden is naar de Cupra en vervolgens met de vermoedelijke schutter als passagier is weggereden in de Cupra.
In het aan de rechter-commissaris ter beschikking gestelde toetsingsproces-verbaal is echter met betrekking tot deze camerabeelden niets te vinden, noch in de vorm van een proces-verbaal van bevindingen, noch in de vorm van stills. Evenmin zijn de camerabeelden overgelegd.
Onder deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat jegens de verdachte een redelijk vermoeden van schuld van betrokkenheid bij de schietpartij gold ten tijde van de inverzekeringstelling. De inverzekeringstelling is daarom onrechtmatig. Verdachte dient onmiddellijk in vrijheid te worden gesteld.
Dit proces-verbaal is op 9 oktober 2026 door de rechter-commissaris en de griffier vastgesteld en ondertekend.
mr. P.M.J. Maas mr. G.A.F.M. Wouters
griffier rechter-commissaris
Bijlagen: bovengemelde mails van de raadsman en de officier van justitie
Van: Dhr. mr T. Sönmez <[e-mailadres 1]> Verzonden: vrijdag 9 oktober 2026 10:12Aan: Kabinet RC (Rechtbank Rotterdam)
Aan de EA RC,
In verband met de beperkte zittingstijd doe ik u op voorhand mijn aantekeningen ten behoeve van de toets van vanmiddag toekomen.
Namens cliënt verzoek ik u de IVS onrechtmatig te oordelen en zijn onmiddellijke invrijheidstelling te bevelen.
Dezerzijds wordt niet betwist dat op 6 oktober 2026 voldoende aanleiding bestond om cliënt aan te houden. De grijze Cupra, voorzien van kenteken [kenteken], was door getuigen in verband gebracht met een schietincident. Cliënt werd ongeveer twee uur later als bestuurder van dat voertuig aangetroffen. Deze omstandigheid kon op dat moment een redelijk vermoeden van schuld rechtvaardigen.
Voor een rechtmatige IVS is echter méér vereist. Niet alleen moet sprake zijn van een verdenking van een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, maar de IVS moet bovendien daadwerkelijk door het belang van het onderzoek worden gevorderd.
Juist aan dat laatste vereiste is naar mijn mening niet voldaan.
Het dossier bevat weliswaar aanwijzingen dat een schietincident heeft plaatsgevonden, maar een link, dan wel concrete aanwijzingen voor betrokkenheid van cliënt bij dat incident ontbreken.
Getuige Gronert beschrijft de schutter als een tengere man van ongeveer twintig jaar oud, circa 1,70 meter lang, donker gekleed en met diamanten oorbellen. Daarnaast beschrijft deze getuige een derde persoon die paniekerig uit de parkeergarage kwam, breder gebouwd en ongeveer 1,80 meter lang. Geen van deze beschrijvingen levert een concrete herkenning van cliënt op. Evenmin is cliënt op de beschikbare camerabeelden als schutter geïdentificeerd.
Getuige Schröder heeft twee schoten gehoord, maar geen vuurwapen waargenomen. Zijn signalementen zijn algemeen van aard en bieden evenmin aanknopingspunten om cliënt rechtstreeks aan het schietincident te verbinden.
De verdenking tegen cliënt berust daarmee in essentie op het gegeven dat hij ongeveer twee uur na het incident als bestuurder van de Cupra is aangetroffen.
Cliënt heeft hiervoor een verklaring gegeven. Hij zou het voertuig op verzoek van een bekende naar Amsterdam brengen. De autosleutel lag volgens hem bij de auto. Hij heeft iedere betrokkenheid bij de schietpartij uitdrukkelijk ontkend.
Dat deze verklaring mogelijk nader onderzoek behoeft, maakt nog niet dat cliënt als schutter of anderszins als betrokkene bij het schietincident kan worden aangemerkt.
Het enkele feit dat cliënt later in een voertuig is aangetroffen dat mogelijk bij het incident betrokken was, rechtvaardigt niet zonder meer zijn voortgezette vrijheidsbeneming.
Daar komt bij dat het onderzoeksbelang onvoldoende concreet is onderbouwd.
De politie noemt als onderzoeksdoeleinden het vaststellen van de identiteit van medeverdachten, het achterhalen van het vuurwapen, het onderzoeken van camerabeelden en het uitlezen van telefoons.
Niet valt echter in te zien waarom cliënt voor de uitvoering van deze onderzoekshandelingen in verzekering moet blijven.
Cliënt is volledig geïdentificeerd, beschikt over een geregistreerd woonadres en wordt bijgestaan door een raadsman. De telefoons zijn reeds in beslag genomen en kunnen, evenals de camerabeelden, onafhankelijk van zijn detentie worden onderzocht. Het vuurwapen is niet bij cliënt of in de Cupra aangetroffen.
Evenmin bevat het dossier concrete aanwijzingen dat cliënt in vrijheid getuigen zou beïnvloeden, bewijsmateriaal zou laten verdwijnen of het onderzoek anderszins zou frustreren. Los daarvan blijkt uit niets dat hij een medeverdachte is van het schietincident.
Ook de wens om cliënt nader te verhoren kan de IVS in dit geval onvoldoende dragen. Cliënt is inmiddels tweemaal verhoord, heeft zijn standpunt duidelijk uiteengezet en iedere betrokkenheid ontkend.
Opvallend is bovendien dat de HOvJ in het bevel tot IVS als concrete reden uitsluitend vermeldt dat “nader/verder verhoor van de verdachte noodzakelijk is”.
Deze algemene formulering wordt niet nader feitelijk onderbouwd. Welke specifieke onderzoekshandelingen de voortdurende beschikbaarheid van cliënt in detentie noodzakelijk maken, blijkt niet. Evenmin is toegelicht waarom een eventueel aanvullend verhoor niet na oproeping zou kunnen plaatsvinden.
Ik stel mij dan ook op het standpunt dat onvoldoende is gemotiveerd waarom het onderzoeksbelang de IVS daadwerkelijk vordert.
In deze zaak berust de verdenking tegen cliënt hoofdzakelijk op zijn latere aanwezigheid in een voertuig dat met het schietincident in verband wordt gebracht. Een concrete, individuele betrokkenheid bij het schietincident is vooralsnog niet vastgesteld, terwijl de genoemde onderzoekshandelingen grotendeels kunnen plaatsvinden zonder dat cliënt van zijn vrijheid wordt beroofd.
Onder deze omstandigheden is de IVS naar mijn mening onvoldoende gerechtvaardigd en disproportioneel.
Ik verzoek u daarom de IVS onrechtmatig te oordelen en de onmiddellijke invrijheidstelling van cliënt te bevelen.
Met vriendelijk groet,
T. Sönmez
Van: [naam 1] (AP Rotterdam) <[e-mailadres 2]> Verzonden: vrijdag 9 oktober 2026 12:57
CC: [e-mailadres 1]; [naam 2] (AP Rotterdam) <[e-mailadres 3]>Onderwerp: RE: 10-287581-26 aantekeningen tbv de toetsing inzake [verdachte]
Geachte [naam 3],
Dank voor uw bericht.
Dienaangaande kan ik u laten weten dat het onderzoeksbelang weldegelijk vereist dat [verdachte] langer in IVS verblijft. Op camerabeelden is te zien dat hij de vermoedelijke schutter – kort na het schietincident - ophaalt met een kleine auto (niet: de Cupra), hiermee vervolgens terugrijdt naar de door de vermoedelijke schutter geparkeerde Cupra, waarna [verdachte] plaatsneemt in deze Cupra en hij de vermoedelijke schutter laat ontkomen in zijn eigen auto. Nog los van dat dit op zijn minst een verdenking tot medeplichtigheid in het leven roept, geldt dat het onderzoek naar de schutter nog volop loopt. Zo zijn wij nog op zoek naar deze persoon, zijn als ook de locatie van het gebruikte vuurwapen. Dit onderzoek mag niet worden gefrustreerd door [verdachte] en op deze reden is de verlenging van de IVS noodzakelijk (met handhaving van de beperkingen).
Over de precieze staat/voortgang van het onderzoek kan ik – in het belang van dit onderzoek – nu niet meer zeggen.
Met vriendelijke groet,
Mr. T. (Thierry) van den BerghOfficier van justitie (i.o.)