Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287, vierde lid, Faillissementswet
rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraakdatum: 26 oktober 2026
[verzoeker 1] en [verzoeker 2],
wonende te [straatnaam],
[postcode] te [woonplaats],
hierna: verzoekers.
1. De procedure
Verzoekers hebben op 23 oktober 2026 twee verzoekschriften ex artikel 287, vierde lid Faillissementswet (hierna: Fw) ingediend waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
De uitspraak is bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe Welgelegen Monumenten B.V. en D&S Beleggingen in Onroerende Zaken B.V., beide gevestigd te Rotterdam, vertegenwoordigd door Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders B.V. (hierna: verweersters), te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen, totdat op de door verzoekers ingediende verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal zijn beslist.
Verzoekers hebben bij vonnis van deze rechtbank van 1 juni 2026 een moratorium ex artikel 287b Fw toegewezen gekregen voor de duur van zes maanden. Verzoekers hebben de lopende huurtermijnen van september en oktober 2026 vervolgens niet kunnen voldoen. Dit was in de periode van de geboorte van hun kind, toen het inkomen van verzoeker wegviel en ook de WW-aanvraag werd afgewezen. Budgetbeheer kon deze inkomstenderving ook niet opvangen. Verzoekers lieten hun inkomsten ook niet op de beheerrekening overmaken.
Vanaf november 2026 heeft verzoeker weer inkomen uit arbeid van circa € 2.000,- netto per maand. Ook heeft verzoekster inkomen uit arbeid van circa € 2.000,- netto per maand. Samen hebben zij per november weer voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen van € 1.642,97 per maand te kunnen voldoen. De huurtermijn van oktober 2026 is op 23 oktober 2026 voldaan. De huur van november is ook voldaan. Daarnaast is een spoed aanvraag tot onderbewindstelling ingediend, nu is gebleken dat budgetbeheer onvoldoende waarborgen biedt. Hiermee is voldoende gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen ook tijdig zullen worden voldaan.
3. De beoordeling
Voor toewijsbaarheid van het verzoek is allereerst vereist dat door verzoekers is aangetoond dat sprake is van een spoedeisende situatie.
De spoedeisendheid van het verzoek is aangetoond, nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2026 tot ontruiming van hun woonruimte hebben overgelegd. Tevens is door verzoekers een kopie van het exploot van 14 oktober 2026 overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweersters op 27 oktober 2026 zullen overgaan tot ontruiming van de woning.
Met betrekking tot de verzochte voorlopige voorziening dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen de belangen van verzoekers enerzijds en de belangen van verweersters anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat eruit dat zij, samen met hun minderjarig kind, in afwachting van een beslissing van deze rechtbank op de door hun ingediende verzoekschriften ex artikel 284 Fw in hun huurwoning kunnen blijven wonen.
Het belang van verweersters bestaat erin dat zij het vonnis van 20 maart 2026 ten uitvoer kunnen leggen.
De rechtbank acht van belang dat gesteld is, dat verzoekers vanaf november 2026 weer voldoende inkomsten hebben om de huurtermijnen te voldoen. De huurtermijn van oktober 2026 is inmiddels – weliswaar flink te laat – betaald. Daarnaast is een spoed aanvraag voor beschermingsbewind ingediend. Wanneer beschermingsbewind zal worden uitgesproken is ook voldoende gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.
Bovendien hebben verzoekers een inwonend minderjarig kind, van twee maanden oud, die door de ontruiming van de woning geraakt wordt. De rechtbank acht een ontruiming van de woning van verzoekers niet in het belang van het inwonend minderjarige kind van verzoekers. Hier speelt in het bijzonder mee dat het kind van verzoekers nog zeer jong is en uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers op dit moment geen ander alternatief hebben om hun minderjarig kind een dak boven het hoofd te bieden.
Van belang is voorts dat er verzoeken tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zijn ingediend die op 13 november 2026 om 10:30 uur – en derhalve op korte termijn – zullen worden behandeld, zodat voor partijen snel duidelijkheid zal ontstaan over de vraag of toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg zal staan aan ontruiming conform artikel 305 lid 2 Fw.
Naar het oordeel van de rechtbank dient het belang van verzoekers daarom zwaarder te wegen dan het belang van verweersters. De verzochte voorziening zal worden toegewezen, waarbij in het belang van verweersters zal worden bepaald dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan.
4. De beslissing
De rechtbank:
- verbiedt verweersters, voor de duur van deze voorziening, over te gaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, gelegen aan de [straatnaam], [postcode] te [woonplaats];
- bepaalt dat de genoemde voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat de verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling worden ingetrokken, dan wel de beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan.
Deze beschikking is op 26 oktober 2026 gegeven door mr. C.G.E. Prenger, rechter, in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier.