RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 21 oktober 2026
[verzoeker]
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats].
Waar deze zaak over gaat
De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt afgewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
De heer [verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
Schuldhulpverlening heeft voorafgaand aan de zitting, op 30 september 2026 en 2 oktober 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 13 oktober 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- de heer [verzoeker],
- de heer [persoon A] en mevrouw [persoon B], beiden schuldhulpverlener van Geldplein,
- de heer [persoon C], hulpverlener van Antes.
2. De feiten
De heer [verzoeker] is sinds 28 september 2026 in loondienst. Hij ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 19.709,48. Aangezien de verhuurder de ontruiming van de woning had aangezegd, heeft schuldhulpverlening geen aanbod aan de schuldeisers kunnen doen. Schuldhulpverlening heeft de heer [verzoeker] daarom doorgeleid naar de wettelijke schuldsaneringsregeling en gelijktijdig een verzoek ex artikel 287, vierde lid Fw, ingediend.
3. De beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de heer [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
De rechtbank stelt vast dat de heer [verzoeker] op 23 juli 2025 is toegelaten tot de Wsnp. De rechtbank heeft de Wsnp circa twee maanden geleden beëindigd zonder schone lei, te weten op 20 augustus 2026. Reden hiervoor was – kort gezegd – dat de heer [verzoeker] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn informatie-, sollicitatie- en afdrachtverplichting. Daarnaast had de heer [verzoeker] een huurachterstand laten ontstaan over de maanden juli en augustus 2026. De heer [verzoeker] is, zonder bericht van verhindering, niet bij de behandeling van het verzoek tot beëindiging van zijn schuldsaneringsregeling verschenen. Een en ander leidt tot de conclusie dat de heer [verzoeker] zijn schulden niet te goeder trouw onbetaald heeft gelaten.
De heer [verzoeker] heeft op 16 september 2026 opnieuw een verzoekschrift toelating tot de Wsnp, gelijktijdig met een verzoek ex artikel 287, vierde lid Fw, ingediend. Tijdens de zitting erkent hij dat het voorgaande Wsnp-traject niet is gelopen zoals het hoorde, maar hij is voornemens om beschermingsbewind aan te vragen zodat hij hulp krijgt bij het nakomen van zijn verplichtingen. Het verzoek tot onderbewindstelling is echter op het moment van de zitting nog niet bij de rechtbank ingediend noch is het beschermingsbewind uitgesproken.
Daarnaast is gebleken dat de heer [verzoeker] kampt met verslavingsproblematiek. Gedurende de schuldsaneringsregeling rusten op een schuldenaar voortdurend zware verplichtingen en van hem worden in deze periode forse inspanningen gevergd. Met deze verplichtingen en beperkingen verdraagt zich niet dat een schuldenaar verslaafd is, of dat sprake is van een reële kans op een terugval in een zeer onlangs overwonnen verslaving. In de landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling, zoals opgenomen in Bijlage III van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken, is hierover het volgende bepaald:
“Toelating tot de schuldsaneringsregeling ingeval van verslavingsproblematiek
Een verzoeker met verslavingsproblemen wordt in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat de verslaving al enige tijd onder controle is, in die zin dat de verzoeker al enige tijd geen drugs of alcohol meer gebruikt en/of al enige tijd niet meer gokt. De periode waarover de verslaving onder controle dient te zijn bedraagt in beginsel één jaar. Deze periode kan korter of langer zijn afhankelijk van, onder meer, de ernst en de duur van de verslaving. Dat de verslaving onder controle is, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie.”
De hulpverlener van Antes heeft een verklaring overgelegd van 29 september 2026 waarin hij aangeeft dat de heer [verzoeker] onder behandeling is in verband met een bipolaire stoornis. Verder staat in de verklaring dat de heer [verzoeker] dagelijks cannabis gebruikt. In de behandeling is de focus gelegd op het behoud van stemmingsstabiliteit van de bipolaire stoornis en het stoppen van het gebruik van cannabis is geen focus geweest van de behandeling. Indien de heer [verzoeker] dit in de toekomst wenst, zou de focus daar naartoe kunnen worden verlegd. Ter zitting is door de hulpverlener van Antes verklaard dat de verslaving van de heer [verzoeker] invloed kan hebben op zijn stemmingswisselingen en dat, zolang daarvan geen sprake is, geen reden bestaat om maatregelen te treffen. De heer [verzoeker] heeft zelf ter zitting verklaard dat hij regelmatig cannabis gebruikt.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet althans onvoldoende is aangetoond dat de verslaving van de heer [verzoeker] al enige tijd onder controle is. Derhalve bestaat bij de rechtbank gegronde vrees dat de heer [verzoeker] zijn verplichtingen van de schuldsaneringsregeling niet naar behoren zal kunnen nakomen.
Zodra de heer [verzoeker] met een verklaring van zijn behandelaar kan aantonen dat en sinds wanneer zijn verslaving onder controle is, kan hij een nieuw verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling indienen, welk verzoek dan mogelijk meer kans van slagen heeft.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het voorgaande – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. De rechtbank merkt op dat het een goede ontwikkeling is dat de heer [verzoeker] sinds 28 september 2026 aan het werk is en dat hij voornemens is om beschermingsbewind aan te vragen zodat hij hulp krijgt om zijn financiële situatie te stabiliseren. De heer [verzoeker] is aldus op de goede weg. Deze gestelde gewijzigde omstandigheden zijn momenteel echter onvoldoende om te kunnen spreken van een (persoonlijke) ontwikkeling waaruit blijkt dat de heer [verzoeker] greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Al het voorgaande in aanmerking genomen, en mede met het oog op de ernst en de totale hoogte van de schulden die naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw zijn ontstaan, althans onbetaald zijn gebleven, oordeelt de rechtbank echter dat deze ontwikkelingen onvoldoende (althans onvoldoende bestendig van aard) zijn om een toelating tot de schuldsaneringsregeling op dit moment te rechtvaardigen. Indien het leven van de heer [verzoeker] zich (verder) stabiliseert zal een volgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling mogelijk meer kans van slagen hebben.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit is de beslissing van mr. E.A. Vroom, rechter, in samenwerking met I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.