RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 30 september 2026
[verzoekster] ,
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats].
Waar deze zaak over gaat
Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt afgewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
De beschermingsbewindvoerder heeft voorafgaand aan de zitting, op 4 juli 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 23 september 2026. Op de zitting zijn verschenen:
De beschermingsbewindvoerder heeft na de zitting, op 23 september 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
2. De feiten
Mevrouw [verzoekster] ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 81.388,50.
3. De beoordeling
Minnelijk traject
Uit de verklaring van de schuldhulpverlener blijkt dat mevrouw [verzoekster] in september 2025 schuldhulp heeft gevraagd aan de gemeente Rotterdam, nadat zij in november 2024 onder beschermingsbewind was gesteld. In november 2025 heeft de schuldhulpverlener bericht geen minnelijk traject te zullen gaan starten omdat de schuldenlast niet vast te stellen was en bleef toenemen en mevrouw [verzoekster] niet alle schulden had gemeld. Daarnaast voldeed mevrouw [verzoekster] niet aan de voorwaarden voor schuldhulpverlening waardoor geen vertrouwen in het nakomen van een minnelijke regeling bestond.
Goede trouw
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat mevrouw [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Schulden aan Belastingdienst
Mevrouw [verzoekster] heeft schulden aan de Belastingdienst van in totaal € 107.807,00. Deze schulden zien op inkomstenbelasting, motorrijtuigenbelasting, omzetbelasting, inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet, huur- en zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget. Deze schulden zijn niet vermeld in de 285-verklaring. In het bijzonder heeft de rechtbank gekeken naar de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2023, 2024 en 2025. Uit het schuldenoverzicht van de Belastingdienst blijkt dat er in het in totaal een bedrag van € 90.067,00 aan kinderopvangtoeslag wordt teruggevorderd. Onduidelijk is gebleven, waarom er zo’n hoog bedrag aan voorschotten is teruggevorderd. Mevrouw [verzoekster] heeft in haar verzoek noch op de zitting aannemelijk gemaakt dat haar ten aanzien van het laten ontstaan en onbetaald laten van deze schulden geen verwijt treft. De enkele mededeling dat zij wisselende inkomsten heeft genoten in de betreffende perioden is daarvoor onvoldoende. Voorts valt het mevrouw [verzoekster] te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. Ten aanzien van deze schulden kan dus niet worden vastgesteld dat deze te goeder trouw zijn ontstaan of onbetaald zijn gelaten.
Kinderopvangtoeslagen affaire
Voorts heeft mevrouw [verzoekster] op de zitting gezegd dat zij is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslag affaire. Mevrouw [verzoekster] heeft van de Belastingdienst als compensatie in 2020 of 2021 een tegemoetkoming van € 30.000,00 ontvangen. Daarnaast zijn de toenmalige schulden van mevrouw [verzoekster] kwijtgescholden of door de Belastingdienst betaald. Ter zitting heeft mevrouw [verzoekster] verklaard dat er nadien opnieuw schulden zijn ontstaan. Onduidelijk is gebleven waar mevrouw [verzoekster] de tegemoetkoming voor heeft gebruikt. Ook is onduidelijk waarom er nadien wederom aanzienlijke schulden aan de Belastingdienst terzake kinderopvangtoeslag zijn ontstaan.
Ontstaan van boetes en nieuwe schulden
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat mevrouw [verzoekster] parkeer- en verkeersboetes en een boete aan de NS heeft laten ontstaan. Deze boetes zijn (deels) ontstaan in de periode dat mevrouw [verzoekster] al onder beschermingsbewind stond. Ook heeft zij een schuld laten ontstaan bij een vriendin. Mevrouw [verzoekster] heeft via haar een auto gehuurd bij MyWheels omdat haar eigen auto in die periode in beslag was genomen door justitie. Ook deze schuld is ontstaan in de periode dat mevrouw [verzoekster] al onder beschermingsbewind stond. Verder blijkt uit een e-mailbericht van [persoon C] dat mevrouw [verzoekster] haar nog een bedrag van € 300,00 verschuldigd is. Er is door haar een overzicht toegestuurd met schuldeisers die zouden zijn afgelost (waaronder [persoon C]). Het is de rechtbank onduidelijk of deze schulden zien op nieuwe schulden die zijn ontstaan na het beschermingsbewind of op schulden van voor het beschermingsbewind.
Geen wending ten goede
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. De rechtbank merkt op dat het een goede ontwikkeling is dat mevrouw [verzoekster] zich onder beschermingsbewind heeft laten stellen. Mevrouw [verzoekster] heeft op de zitting gezegd dat zij zich opnieuw als slachtoffer van de toeslagaffaire zou hebben gemeld, maar verdere informatie heeft zij niet kunnen verstrekken. Al het voorgaande in aanmerking genomen, en mede met het oog op de ernst en de hoogte van de belastingschulden die naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw zijn ontstaan, althans onbetaald zijn gebleven, oordeelt de rechtbank echter dat deze ontwikkeling op dit moment onvoldoende (althans onvoldoende bestendig van aard) is om een toelating tot de schuldsaneringsregeling op dit moment te rechtvaardigen. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om te kunnen oordelen dat mevrouw [verzoekster] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden onder controle heeft gekregen. Indien het leven van mevrouw [verzoekster] zich (verder) stabiliseert zal een volgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling mogelijk meer kans van slagen hebben.
Nakoming verplichtingen
Daarnaast moet voldoende aannemelijk zijn dat mevrouw [verzoekster] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De verplichtingen waaraan mevrouw [verzoekster] tijdens de schuldsaneringsregeling moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting. De rechtbank oordeelt dat in het voorliggende geval niet aannemelijk is dat mevrouw [verzoekster] aan deze verplichtingen zal voldoen. Het minnelijk traject van mevrouw [verzoekster] is mislukt doordat er sprake was van aanhoudende schuldenopbouw. Ook hield mevrouw [verzoekster] zich niet aan de gestelde voorwaarden. Daarnaast heeft mevrouw [verzoekster] verschillende nieuwe schulden laten ontstaan terzake parkeer- en verkeersboetes, ook na het beschermingsbewind, en bestaat er onduidelijkheid over de vorderingen uit het e-mailbericht van [persoon C].
Verder blijkt uit het dossier dat de samenwerking tussen de beschermingsbewindvoerder en mevrouw [verzoekster] niet goed verloopt. Onvoldoende is gebleken van gewijzigde omstandigheden die maken dat er geen nieuwe schulden zullen ontstaan. Ook heeft mevrouw [verzoekster], ondanks het uitdrukkelijke verzoek daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van haar verzoek, geen (aanvullende) sollicitaties overgelegd waaruit blijkt dat zij heeft gesolliciteerd naar een fulltime dienstbetrekking. Mevrouw [verzoekster] heeft ter zitting verklaard dat zij 28 uur per week werkzaam is, bestaande uit 20 uur arbeid en de overige 8 uur volgt zij een opleiding. Voorheen werkte mevrouw [verzoekster] meer uren per week dan zij thans doet, maar vanwege arbeidsongeschiktheid heeft zij haar uren moeten verlagen. Mevrouw [verzoekster] heeft de rechtbank geen informatie verstrekt waar haar arbeidsongeschiktheid uit blijkt.
De rechtbank is van mening dat door het overslaan van het minnelijk traject en het niet aanschrijven van de thans bekende schuldeisers er onvoldoende duidelijkheid bestaat over het ontstaan van de schulden, met name aan de Belastingdienst. De rechtbank kan daardoor geen oordeel geven over de aard van de schulden en een eventuele verlening van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Door bovenstaande omstandigheden kan de rechtbank geen volledig en zorgvuldig oordeel vormen over de vraag of sprake is van een saneringsgezinde houding en een stabiele situatie bij mevrouw [verzoekster], ondanks het beschermingsbewind.
Afwijzing verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit is de beslissing van mr. M. Aukema, rechter, in samenwerking met I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.