Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/066786-21
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
Datum zitting: 30 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
ingeschreven op het adres:
[adres 1], [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. Ö. Saki
Officier van justitie: mr. J. Spaans
Kern van het vonnis
Veroordeling voor het medeplegen van het aanwezig hebben van ruim 95 kilogram heroïne, het medeplegen van het witwassen van een geldbedrag van in totaal € 176.770,-, het medeplegen van de handel in heroïne en deelname aan een criminele organisatie. Aan verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van viereneenhalf jaar. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met de forse overschrijding van de redelijke termijn. De in beslag genomen geldbedragen en het horloge (omschrijving 653322) worden verbeurd verklaard. Het horloge (omschrijving 653337) moet worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het aanwezig hebben van ruim 95 kilogram heroïne, het medeplegen van het witwassen van een geldbedrag, het medeplegen van de handel in heroïne en deelname aan een criminele organisatie.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1.
hij op of omstreeks 8 maart 2021
te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 96.192,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die
wet, althans enig middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 8 maart 2021
te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een voorwerp, te weten een geldbedrag van 176.770,- euro,
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding
en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of en/of heeft verworven
en/of voorhanden gehad en/of overgedragen
en/of omgezet en/of gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of
gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;
3.
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 t/m 8 maart 2021
te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of
afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
een hoeveelheid van een materiaal
bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a
van die wet;
4.
hij in de periode van 1 maart 2020 tot en met 8 maart 2021 te Hoogvliet Rotterdam,
gemeente Rotterdam, althans in Nederland, heeft deelgenomen
aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband
van natuurlijke personen, te weten (onder meer en/of voor zover bekend),
verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2],
die tot oogmerk had het plegen van misdrijven,
namelijk het bereiden en bewerken en verwerken en verkopen en
afleveren en verstrekken en vervoeren van (een) hoeveelhe(i)d(en)
van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel
als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans enige middelen als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het
vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de vier ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het aanwezig hebben van ruim 95 kilogram heroïne, het medeplegen van het witwassen van een geldbedrag van in totaal € 176.770,-, het medeplegen van de handel in heroïne en deelname aan een criminele organisatie. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 1 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
Bewijsmotivering
Op 4 maart 2021 werd een Information Package verkregen van Europol. Hierin stond vermeld dat een groep criminelen het adres [adres 2] gebruikt als opslagplaats voor heroïne en cash. Op basis hiervan is data verkregen van het Sky-ID [Sky-ID 1]. De gebruiker van Sky-ID [Sky-ID 1] geeft opdrachten voor het ophalen en afgeven van verdovende middelen en geld. De rechtbank twijfelt niet aan de identificatie door het onderzoeksteam van de politie van [medeverdachte 1] als de gebruiker van dit Sky-ID. Uit een IMSI-meting is gebleken dat het IMSI-nummer waaraan dit Sky-ID is gekoppeld zich in de periode van 6 maart 2021 23.50 uur tot 7 maart 2021 01:00 uur bevond op het adres [adres 3]. Op dit adres staat [medeverdachte 1] ingeschreven. Op de dag van de inval door de politie op de [adres 1] schrijft [Sky-ID 1] bovendien via Sky dat er een inval is geweest en vraagt hij of [Sky-ID 2] bij Digna kan langsrijden om te kijken of daar ook een inval is.
Identificatie [Sky-ID 2]
Op basis van het in de bewijsmiddelen opgenomen proces-verbaal van identificatie acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 2] gebruik heeft gemaakt van het Sky-ID [Sky-ID 2].
Identificatie [Sky-ID 3]
Uit nader onderzoek naar de communicatie van Sky-ID [Sky-ID 1] is gebleken dat het account in contact stond met Sky-ID [Sky-ID 3]. De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet, is of de verdachte de gebruiker was van dit account.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat in de chatberichten met de gebruiker van het Sky-ID [Sky-ID 1], dat aan [medeverdachte 1] wordt toegeschreven, de aanspreekvormen ‘vader’, ‘pa’, ‘baba’ en ‘zoon’ worden gebruikt, onvoldoende is om te stellen dat de verdachte, de vader van [medeverdachte 1], de gebruiker is van Sky-ID [Sky-ID 3]. Niet kan worden uitgesloten dat een ander, bijvoorbeeld [naam], hiervan de gebruiker is.
De rechtbank verwerpt dit verweer. In de berichten tussen de gebruikers van Sky-ID’s [Sky-ID 1] en [Sky-ID 2] wordt door de gebruiker van Sky-ID [Sky-ID 1] meerdere malen geschreven over ‘vader’. Zo schrijft hij ‘bij school vader gaat je andere spul geven’. Vervolgens schrijft de gebruiker van Sky-ID [Sky-ID 2] ‘Bro ik ben bijna school ik geef aan jou pa. Ik heb aan jou vader gegeven broer’. In de berichten tussen de gebruikers van de Sky-ID’s [Sky-ID 1] en [Sky-ID 3] wordt door Sky-ID [Sky-ID 1] geschreven: ‘pa kun je de vierkante op de weegschaal zetten en foto van sturen’. Door Sky-ID [Sky-ID 3] wordt geschreven ‘oké je moeder vraagt wanneer je komt’ en ‘ja zoon’.
Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat de plek die in de berichten wordt aangeduid als ‘school’, gelegen aan [adres 2], daadwerkelijk een school betreft. Nabij deze school is het adres van de verdachte gelegen en op dat adres bleek een grote hoeveelheid heroïne en contant geld aanwezig te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het mede gelet op de vondsten in de woning van de verdachte niet aannemelijk dat in de berichten die betrekking hebben op de vader-zoon relatie een ander dan de verdachte, in het bijzonder [naam], wordt bedoeld. Te meer nu uit een chatbericht blijkt dat de gebruiker van Sky-ID [Sky-ID 1], te weten [medeverdachte 1], naar de gebruiker van Sky-ID [Sky-ID 2] heeft geschreven: ‘alleen [naam] weet’. Dat de woorden ‘abi’ en ‘baba’ gebruikelijke aanspreekvormen zijn in het Turks doet niet af aan de conclusie dat verdachte de gebruiker van het Sky-ID is, omdat dit account op die aanspreekvorm reageert met zoon en ook spreekt over zijn moeder.
Aantreffen heroïne en contant geld in woning verdachte
Op 8 maart 2021 is de woning van de verdachte aan de [adres 1] doorzocht. In de woning is ruim 95 kilogram heroïne en € 176.770 aan contant geld aangetroffen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen wetenschap en beschikkingsmacht over de aangetroffen heroïne heeft gehad en daarbij gewezen op het feit dat de heroïne is aangetroffen in verborgen ruimtes en in de afgesloten slaapkamer van de zoon van verdachte.
Als uitgangspunt geldt dat een bewoner weet welke voorwerpen zich in zijn woning bevinden. Daarmee staat in beginsel vast dat de verdachte als bewoner heeft geweten dat de aangetroffen goederen in de woning lagen en dat deze spullen zich in zijn machtssfeer bevonden. Dat is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het opzet op de aanwezigheid van de heroïne, ook in voorwaardelijke zin, ontbreekt. Van dergelijke bijzondere omstandigheden blijkt niet. Integendeel, uit de chatberichten tussen de verdachte en zijn zoon [medeverdachte 1] blijkt dat de verdachte op de hoogte is van de ruimtes onder de woning. Zo schrijft [medeverdachte 1] naar zijn vader: ‘Het moest in mijn kamer zijn en anders onder de grond’ en de verdachte schrijft naar [medeverdachte 1]: ‘Ik weet het niet zoon, we hebben alles onder het huis gelegd, deel voor deel, naarmate het binnen kwam’. In de chatberichten tussen verdachte en zijn zoon wordt ook gesproken over de slaapkamer van [medeverdachte 1] en het leggen of halen van ‘spul’ in of uit die kamer, waaruit de rechtbank afleidt dat de verdachte ook toegang had tot deze kamer en op de hoogte was van wat in die kamer was opgeslagen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte wist van en kon beschikken over de in de woning aangetroffen heroïne.
Handel in heroïne en criminele organisatie
Uit de chatgesprekken tussen de verdachte, zijn zoon en de [medeverdachte 2] blijkt dat zij zich tezamen bezighielden met de handel in heroïne. De woning van de verdachte aan de [adres 1] fungeerde als opslagplaats voor grote hoeveelheden heroïne en contant geld. Dit blijkt zowel uit de grote hoeveelheid chatberichten waarin deels op versluierde wijze wordt gesproken over geld en de handel in verdovende middelen als de vondsten die in die woning zijn gedaan. De verdachte kreeg opdrachten van zijn zoon om geld en verdovende middelen klaar te zetten die vervolgens door de [medeverdachte 2] werden opgehaald en afgeleverd. De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband tussen de verdachte, zijn zoon en [medeverdachte 2]. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat zij zich op grote schaal bezighielden met criminele activiteiten met betrekking tot de handel in heroïne. Het bewijs van het opzet van verdachte, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie, volgt reeds uit de bewijsmiddelen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.
Witwassen
Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn op verschillende plaatsen contante geldbedragen aangetroffen van in totaal € 176.770,- en een zeldzaam Audemars Piquet horloge dat een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt.
Zoals hiervoor is vastgesteld, nam verdachte deel aan een criminele organisatie die zich bezighield met grootschalige heroïnehandel. Zijn woning werd binnen die organisatie gebruikt voor de opslag van heroïne en contant geld. De omvang van de geldbedragen die zijn aangetroffen, de omstandigheid dat deze grotendeels op ongebruikelijke plaatsen waren verstopt en het ontbreken van legale inkomsten waarmee dit vermogen kan worden verklaard, brengen de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen uit heroïnehandel afkomstig zijn. De verdachte had deze geldbedragen voorhanden en wist, gelet op zijn vastgestelde betrokkenheid bij de handel in heroïne, van de criminele herkomst.
Nu de geldbedragen naar het oordeel van de rechtbank (onmiddellijk) afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moet de rechtbank vervolgens beoordelen of op grond van de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden een gedraging van de verdachte kan worden vastgesteld, die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben van het geldbedrag. Die gedraging moet gericht zijn op het daadwerkelijk verbergen en/of verhullen van de criminele herkomst van het door het eigen misdrijf verkregen geldbedrag.
Het grootste gedeelte van het aangetroffen geld was verstopt in een ruimte onder de keuken. Bij het weghalen van het vloerkleed in de keuken was een vierkant zichtbaar in het laminaat. Vervolgens werd bij het verwijderen van het laminaat een houten plaat met gaten erin aangetroffen. Toen deze houten plaat werd verwijderd zagen de verbalisanten onder de grond een grote ruimte. In een grote zwarte plastic pot, onder een prop papier, werden pakketten met geld met folie eromheen aangetroffen. Gelet op deze verborgen ruimte, die kennelijk speciaal voor het langdurig en heimelijk verbergen van voorwerpen was gecreëerd en waarin het uit misdrijf afkomstige geldbedrag ook daadwerkelijk was verborgen, kan het verbergen en verhullen van de vindplaats worden bewezen.
De verdachte heeft ter zitting een verklaring afgelegd over de herkomst van het geld aangetroffen onder zijn bed (€ 47.800,-) en in zijn jas (€ 8.950,-). Kort gezegd inhoudende dat het geld in de jas eigendom was van zijn voormalige werkgever en het geld onder het bed door verdachte was verdiend met de in- en verkoop van auto’s. De onderbouwing die de verdachte voor deze verklaring heeft aangeleverd is zeer summier en administratieve onderbouwing van de in- en verkoop van auto’s door verdachte of zijn voormalig werkgever ontbreekt. Bovendien wordt de verklaring weerlegd door de bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank erop wijst dat in de Sky-ID chatberichten tussen de verdachte en zijn zoon ook wordt gesproken over het leggen van geld onder het bed van de verdachte. De rechtbank schuift de verklaring van de verdachte over de herkomst van deze gelden dus terzijde.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij op 8 maart 2021
te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander
opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 95.014,5 gram, van een materiaal
bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I;
Feit 2
hij op of omstreeks 8 maart 2021
te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een ander
van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 176.770,- euro,
de vindplaats heeft verborgen en heeft verhuld en een geldbedrag van 176.770,- euro heeft verworven en voorhanden heeft gehad
terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel afkomstig was uit eigen misdrijf;
Feit 3
hij in de periode van 1 maart 2020 tot en met 8 maart 2021
te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk
heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd,
een hoeveelheid van een materiaal
bevattende heroïne zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I;
Feit 4
hij in de periode van 1 maart 2020 tot en met 8 maart 2021 te Hoogvliet Rotterdam,
gemeente Rotterdam, althans in Nederland, heeft deelgenomen
aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband
van natuurlijke personen, te weten (voor zover bekend),
verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2],
die tot oogmerk had het plegen van misdrijven,
namelijk het verkopen en
afleveren en verstrekken en vervoeren van hoeveelheden
van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel
als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2
medeplegen van witwassen;
Feit 3
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 4
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de vier feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt een gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, in combinatie met een aanzienlijk voorwaardelijk deel en voor zover mogelijk de maximale taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft samen met anderen ruim 95 kilogram heroïne en grote geldbedragen aanwezig gehad en heeft zich gedurende een periode van ongeveer een jaar in georganiseerd verband beziggehouden met de handel in heroïne. De verdachte fungeerde als de beheerder van de stash. Door zijn handelen heeft hij bijgedragen aan de verspreiding van grote hoeveelheden heroïne. Harddrugs leveren een groot gevaar op voor de volksgezondheid. Het is algemeen bekend dat dergelijke verdovende middelen, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van de verslaving van een grote groep door hun verslaving veelal kwetsbare afnemers. Verder leidt de handel in en het gebruik van harddrugs, direct en indirect, tot vele andere vormen van (zware)criminaliteit. Om deze redenen moet streng worden opgetreden tegen de handel in verdovende middelen. Dit geldt ook voor witwassen, dat het mogelijk maakt om de winsten uit criminele activiteiten veilig te stellen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 9 september 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 9 maart 2021, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim vijfeneenhalf jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn fors is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De oriëntatiepunten adviseren voor het in georganiseerd verband handelen in harddrugs of het aanwezig hebben van harddrugs van meer dan 20kg een gevangenisstraf van 72 respectievelijk 48 maanden. Rekening houdend met de andere strafbare feiten waarvoor de verdacht wordt veroordeeld, het feit dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit, niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie en verdachte zich bijna 5 jaar heeft gehouden aan schorsingsvoorwaarden vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar passend en geboden. Nu sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn wordt in plaats daarvan een gevangenisstraf voor de duur van 4,5 jaar aan de verdachte opgelegd met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
5. In beslag genomen voorwerpen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen horloge (voorwerpnummer A.02.02.001, omschrijving _653322) en de in beslag genomen geldbedragen worden verbeurd verklaard.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de in beslag genomen geldbedragen en horloges is verzocht deze niet verbeurd te verklaren, maar terug te geven aan de verdachte en de rechthebbenden.
Oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
Als bijkomende straf voor de feiten 1 tot en met 4 wordt verbeurd verklaard het onder de verdachte in beslag genomen horloge van Audemars Piquet en de in beslag genomen geldbedragen, te weten:
Audemars Piquet horloge (voorwerpnummer 653322, omschrijving A.02.02.001);
€ 47.800 (voorwerpnummer 653323, omschrijving A.03.01.001);
€ 8.950 (voorwerpnummer 653313, omschrijving A.01.01.001);
€ 120.020 (voorwerpnummer 653321, omschrijving A.02.01.001).
Hierbij houdt de rechtbank rekening met de draagkracht van de verdachte. Voornoemde geldbedragen zijn uit de baten van de strafbare feiten verkregen.
Ten aanzien van het in beslaggenomen horloge van Audemars Piquet stelt de rechtbank vast dat dit horloge eveneens is verkregen uit de baten van de bewezenverklaarde heroïnehandel. Uit de vaststellingen in het dossier blijkt dat er geen legale inkomsten bekend zijn waarmee het bezit van dit vermogensobject kan worden verklaard. De verklaring ter terechtzitting dat het horloge een cadeau was voor de besnijdenis van zijn jongste zoon is niet nader onderbouwd en reeds om die reden onvoldoende aannemelijk.
Bewaring
Nu uit de bewijsmiddelen is gebleken dat het horloge (voorwerpnummer 653337, omschrijving A.04.02.004) een namaakhorloge betreft dat op afgesloten kamer van de zoon van de verdachte is aangetroffen, beslist de rechtbank tot de bewaring van het in beslag genomen horloge ten behoeve van de rechthebbende.
6. Voorlopige hechtenis
De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. De rechtbank wijst dat verzoek toe omdat de gronden voor voorlopige hechtenis niet langer aanwezig zijn.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 4, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4,5 (viereneenhalf) jaar;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
In beslag genomen voorwerpen
- verklaart verbeurd voor de feiten 1 tot en met 4;
- beveelt de bewaring van het horloge (voorwerpnummer 653337, omschrijving A.04.02.004) ten behoeve van de rechthebbende;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.P.W. van de Meerakker, voorzitter,
en mrs. F.P.J. Schoonen en T. Urbanus, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Beenakker, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 14 oktober 2026.
Mr. T. Urbanus is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.