Rechtbank Rotterdam
Verschoningskamer
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/726985 / HA RK 26-943
Beslissing van 8 oktober 2026
op het verzoek van
mr. F.P.J. Schoonen,
rechter in de rechtbank Rotterdam, team 3 strafrecht,
hierna: de rechter,
ertoe strekkende zich te mogen verschonen in de strafzaken tegen de verdachten:
[verdachte 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1997 te [geboorteplaats 1],
advocaat: mr. C.C. Polat,
en
[verdachte 2]
geboren op [geboortedatum 2] 1984 te [geboorteplaats 2] ([geboorteland]),
advocaat: mr. G. Palanciyan,
en
[verdachte 3]
geboren op [geboortedatum 3] 1991 te [geboorteplaats 3],
advocaten: mr. L.R. Klaver en mr. J.C. Dekkers.
1. Het procesverloop en de processtukken
De strafzaken tegen de verdachten met parketnummers 83/161793-23, 83/163452-22, 83/163460-22 (hierna: de strafzaken) zijn toebedeeld aan de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken. De rechter maakt als voorzitter deel uit van deze meervoudige kamer.
Op 28 september 2026 heeft de rechter een schriftelijk verzoek tot verschoning gedaan.
2. Het verzoek
Als onderbouwing van het verschoningsverzoek heeft de rechter – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd.
De verdachten worden verdacht van onder meer deelname aan een criminele organisatie, witwassen zonder gronddelict en verduistering vanuit de rol als beheerder van een stichting. Het gaat om een groot onderzoek genaamd ‘Pittsville’. Gedurende het onderzoek is gebleken dat tijdens één van de doorzoekingen van een pand een opsporingsambtenaar een geldbedrag heeft ontvreemd. Deze opsporingsambtenaar is daarvoor door een meervoudige strafkamer veroordeeld ter zake overtreding van artikel 359 van het Wetboek van Strafrecht. De rechter was de voorzitter van deze meervoudige strafkamer.
Inmiddels zijn in drie zaken van het onderzoek Pittsville door de verdediging onderzoekswensen ingediend en wordt verzocht de betreffende opsporingsambtenaar te horen. De verdediging heeft aangegeven te twijfelen aan de rechterlijke onpartijdigheid van de rechter vanwege zijn eerdere betrokkenheid bij de strafzaak tegen de opsporingsambtenaar. De rechter heeft zich als voorzitter van de meervoudige strafkamer namelijk reeds inhoudelijk uitgelaten over de betrouwbaarheid van de verklaringen en over de intentie van het handelen van de opsporingsambtenaar. Juist diezelfde verklaringen en de intentie van haar handelen zijn van rechtstreeks belang voor de door de verdediging aan de rechtbank voorgelegde onderzoekswensen.
Gelet op de inhoud van de onderzoekswensen en de motivering van de verdediging verzoekt de rechter de verschoningskamer in te stemmen met het verzoek tot verschoning vanwege de vrees voor vooringenomenheid die bij de verdediging bestaat.
3. De beoordeling
Verschoning is een middel om de onpartijdigheid van de rechter te verzekeren. Voorop staat dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter tegenover een partij een vooringenomenheid koestert of dat de bij deze partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Aan de door de rechter aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter – subjectief – niet onpartijdig is.
Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de vrees dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden – objectief – gerechtvaardigd is.
De omstandigheid die de rechter heeft aangevoerd, in samenhang met het gegeven dat de rechter daarin aanleiding heeft gezien zelf een verzoek in te dienen om zich te mogen verschonen van de verdere behandeling van de strafzaken, levert naar het oordeel van de verschoningskamer een zwaarwegende aanwijzing als hiervoor in 3.3. bedoeld op.
Het verschoningsverzoek wordt om deze reden toegewezen.
4. De beslissing
De verschoningskamer:
wijst het verschoningsverzoek toe.
Deze beslissing is gegeven door mr. J. van den Bos, voorzitter, mr. J.F. Koekebakker en
mr. C. Sikkel, rechters, en door de voorzitter en de griffier, mr. N. Jallal, ondertekend op
8 oktober 2026.
de griffier de voorzitter