Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10-312875-25
Parketnummer vordering TUL: 10-283294-23
Datum uitspraak: 12 oktober 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres], [postcode] [plaatsnaam],
raadsman mr. G. Ozveren, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 28 september 2026.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. J. Uiterwijk heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Vrijspraak
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde gepleegde aanranding van een destijds 10-jarig meisje. Het slachtoffer heeft gedetailleerd verteld wat er precies is gebeurd. Dat zij bij de verdachte op schoot heeft gezeten wordt door de verdachte niet ontkend. Als steunbewijs voor de aanranding geldt de reactie van het slachtoffer wanneer zij haar verhaal vertelt aan haar vader en aan een buurvrouw. Zij moest toen heel hard huilen. Daarnaast is van belang dat ze na het incident ongelukjes in haar broek kreeg, dat terwijl zij al 10 jaar oud was.
Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat er slechts twee personen aanwezig zijn bij de beweerde seksuele handelingen: de aangever of aangeefster en de verdachte. Wanneer de verdachte de seksuele handelingen ontkent, zal beoordeeld moeten worden of de verklaring van de aangeefster in voldoende mate steun vindt in bewijs dat afkomstig is van een andere bron. Ook in zedenzaken moet voor een bewezenverklaring voldaan zijn aan het zogeheten bewijsminimum, zoals is neergelegd in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en dat inhoudt dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Hoewel uit de jurisprudentie van onder meer het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat in zedenzaken ook beperkt steunbewijs in combinatie met de verklaring van de aangeefster voldoende wettig bewijs van het ten laste gelegde kan opleveren, dient bij de waardering van het bewijsmateriaal behoedzaam te worden omgegaan met de beschikbare verklaringen.
In onderhavig geval is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van de aangeefster bevat. Hoewel uit haar verklaring volgt dat ten tijde van het vermeende incident zich meerdere personen in de kamer bevonden, zijn van deze personen geen verklaringen opgenomen die haar verklaring ondersteunen. Het dossier bevat enkel de verklaringen van de vader en de buurvrouw van de aangeefster. Zij hebben echter niet zelf waargenomen wat er tijdens het vermeende incident zou zijn gebeurd, maar hebben enkele maanden later van de aangeefster gehoord wat er volgens haar die avond zou zijn gebeurd. De omstandigheid dat de aangeefstertijdens het vertellen van haar verhaal aan haar vader en haar buurvrouw moest huilen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om als steunbewijs te dienen, nu dit een emotie is die niet direct na het vermeende incident, maar pas maanden later, is waargenomen. De verklaring van haar vader dat aangeefster na het vermeende incident ongelukjes in haar broek zou hebben gehad is onvoldoende concreet om als steunbewijs te dienen. Hierdoor is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het bewijsminimum.
Conclusie
Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
5. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij], ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. De schade staat in rechtstreeks verband met het ten laste gelegde feit en de vordering is voldoende onderbouwd.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt de verdediging de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, wegens onvoldoende onderbouwing van de vordering. Meer subsidiair verzoekt de verdediging de vordering te matigen en het overige af te wijzen en verwijst hierbij naar een uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2024:6679) en van rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2026:1082).
Beoordeling
Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde feit zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
Conclusie
In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.
6. Vordering tenuitvoerlegging
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 12 januari 2024 van de kinderrechter van deze rechtbank met parketnummer 10-283294-23 is de verdachte ter zake van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen veroordeeld voor zover van belang tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 10 uur, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest indien de taakstraf ten uitvoer zou worden gelegd. De proeftijd is ingegaan op 26 januari 2024.
Beoordeling
Gelet op de vrijspraak zal de rechtbank deze vordering tenuitvoerlegging afwijzen.
7. Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
8. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 12 januari 2024 van de kinderrechter van deze rechtbank met parketnummer 10-283294-23 aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. Riege, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. A.L. Pöll en A. Wolthuis, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.N. Arduin en E.T. van Ringelesteijn, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 oktober 2026.
De jongste rechter en de tweede griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 31 december 2024 te Schiedammet een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [benadeelde partij],een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te wetenhet onder de kleding betasten van haar vulva, vagina en/of schaamlippen.