RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12214363 CV EXPL 26-11564
datum uitspraak: 2 oktober 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Onderlinge Waarborgmaatschappij DSW Zorgverzekeraar U.A.,
vestigingsplaats: Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘DSW’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 17 april 2026, met bijlagen;
het antwoord;
de repliek, met bijlagen.
2. De beoordeling
Kern van de zaak
[gedaagde] heeft een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten met DSW en heeft een achterstand in de betaling van het eigen risico laten ontstaan. DSW eist daarom veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 361,63, vermeerderd met rente en proceskosten. De vordering wordt toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom
Hoofdsom
Vaststaat dat tussen partijen een verzekeringsovereenkomst is afgesloten en dat [gedaagde] moet betalen voor zorg die aan hem is verleend. De hoofdsom ziet op het eigen risico over de maanden maart 2024 en juli 2025 en bedraagt in totaal € 242,62. [gedaagde] stelt dat hij met de deurwaarder een betalingsregeling was overeengekomen, maar omdat hij geen e-mails meer ontving van DSW ging hij ervan uit dat de betalingsachterstand was voldaan. DSW heeft het verweer gemotiveerd weersproken. Zij heeft toegelicht dat naast deze vordering nog twee andere dossiers van [gedaagde] bij de deurwaarder in behandeling zijn. Voor alle drie de dossiers was een betalingsregeling getroffen. De door [gedaagde] verrichte betalingen zijn afgeboekt op de twee andere dossiers, die inmiddels volledig zijn afgelost. Omdat [gedaagde] een betalingstermijn heeft gemist, is de betalingsregeling komen te vervallen. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om op deze toelichting van DSW te reageren. Van die gelegenheid heeft hij geen gebruikgemaakt. Daarmee heeft [gedaagde] de gemotiveerde stellingen van DSW onvoldoende weersproken. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid daarvan. Dit betekent dat [gedaagde] de hoofdsom van € 242,62 aan DSW moet betalen.
Incassokosten en rente
De incassokosten van € 96,80 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). De rente wordt ook toegewezen, omdat DSW genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die hij aan DSW moet betalen op € 153,77 aan dagvaardingskosten, € 139,00 aan griffierecht, € 174,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 87,00) en € 43,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 510,27. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat DSW dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan DSW te betalen € 361,63 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 over een bedrag van € 242,62 vanaf 17 april 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van DSW worden begroot op € 510,27;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
48436